ECLI:NL:RBDHA:2026:2985

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3395
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DvoArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 32 Dvo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, maar de minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat Spanje verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat zijn medische situatie bijzondere omstandigheden vormde die overdracht aan Spanje onevenredig hard maken.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen gebruik maakte van de bevoegdheid om de aanvraag in Nederland te behandelen, omdat geen sprake was van bijzondere, individuele omstandigheden. Eiser had geen bewijs geleverd dat zijn gezondheidstoestand door overdracht aanzienlijk en onomkeerbaar zou verslechteren, zoals vereist op grond van het arrest C.K.

Ook het beroep op het arrest Tarakhel, dat aanvullende garanties vereist voor bijzonder kwetsbare personen, faalde omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij zonder garanties geen adequate zorg in Spanje zou krijgen. De rechtbank wees het verzoek om aanhouding af en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit van de minister in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3395
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1979. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraak van 14 november 20252 ook nog bevestigd
.
Artikel 17, eerste lid, van de Dvo
6. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in eisers medische omstandigheden geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiser aan dat hij te maken heeft met forse posttraumatische standsafwijkingen met evidente artrose van beide enkels en middelvoet. Ter onderbouwing overlegt eiser een brief van het GZA, van zijn huisarts.
7. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Spanje onevenredig hard is. Hoewel eiser is doorverwezen naar een orthopeed, volgt uit het dossier niet dat hij momenteel onder medische of psychische behandeling staat. Ter zitting is gebleken dat eiser op 19 februari 2026 pas een intakegesprek heeft bij het [ziekenhuis] in [plaats] . Er zijn geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden de medische voorzieningen in Spanje van vergelijkbare kwaliteit geacht te zijn en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Het is aan eiser om aan te tonen dat dit niet het geval is. Hierin is eiser niet geslaagd. Verder volgt uit artikel 32 van Pro de Dvo dat de minister, met toestemming van eiser, zijn medische gegevens kan delen met Spanje, zodat zij hiervan op de hoogte zijn op het moment dat eiser wordt overgedragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Arrest C.K.3

9. Eiser doet een beroep op het arrest C.K. Hiertoe voert eiser aan dat hij te maken heeft met forse posttraumatische standsafwijkingen met evidente artrose van beide enkels en middelvoet. Ter onderbouwing overlegt eiser een brief van het GZA, van zijn huisarts.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient de minister het
3 ECLI:EU:C:2017:127.
risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit Werkinstructie 2021/3.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Uit de (medische) stukken blijkt niet dat de overdracht zelf tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zou leiden. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank ook geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was een BMA-advies aan te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Arrest Tarakhel4
12. Eiser stelt dat hij vanwege zijn medische situatie als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Hiertoe voert eiser aan dat hij te maken heeft met forse posttraumatische standsafwijkingen met evidente artrose van beide enkels en middelvoet. Hiervan heeft eiser foto's toegevoegd aan het dossier. Eiser is niet mobiel en is zelfs nooit op het kantoor van zijn gemachtigde geweest, omdat hij hiertoe niet in staat was. Eiser heeft twee jaar in Spanje verbleven en heeft in die twee jaar geen medische behandeling gekregen en om die reden vereist de overdracht van eiser aan Spanje individuele garanties. Eiser verwijst nog naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 september 20255.
13. De rechtbank overweegt het volgende. In het arrest Tarakhel heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen.2 In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 20156 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.7
14. De rechtbank oordeelt dat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Eiser heeft ook niet (met stukken) aannemelijk heeft gemaakt dat hij zonder individuele garanties geen toegang heeft tot adequate zorg in Spanje. Met betrekking tot de toegang tot de medische zorg in Spanje, wijst de rechtbank ook op het aanmeldgehoor van 1 december 2025. Hierin heeft eiser verklaard dat hij in Spanje naar een arts is geweest en lang moest wachten op een afspraak. Na lang wachten is de behandeling begonnen en zijn er foto's gemaakt. Vervolgens heeft eiser zijn woonplaats gewijzigd waardoor zijn geplande operatie is geannuleerd. Hieruit volgt dus dat eiser toegang had tot de medische zorg in Spanje. Verder is de situatie van de vreemdelingen uit de uitspraak van 19 september 2025 niet vergelijkbaar met die van eiser omdat uit vorenstaande volgt dat eiser toegang had tot de medische zorg in Spanje. De beroepsgrond slaagt niet.
4 Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
Verzoek om aanhouding
15. Eiser heeft verzocht om aanhouding van de zaak, in afwachting van zijn intakegesprek op 19 februari 2026 bij het [ziekenhuis] in [plaats] . De rechtbank wijst het verzoek af. Er zijn immers geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen. Verder wordt er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgegaan dat de medische voorzieningen in Spanje van vergelijkbare kwaliteit zijn als in Nederland. Zoals eerder is overwogen is niet gebleken dat deze voorzieningen niet ter beschikking staan aan eiser.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.