Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
€ 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zijn echtgenote en minderjarige dochter. De aanvraag werd ingediend op 19 december 2024, waarna de minister de beslistermijn met drie maanden verlengde, waardoor uiterlijk 19 juni 2025 een besluit had moeten worden genomen. Deze termijn is verstreken zonder besluit.
Eiser stelde de minister op 23 september 2025 rechtsgeldig in gebreke en diende op 12 oktober 2025 het beroep in, dat tijdig werd geacht. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en stelt een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak vast waarbinnen de minister een besluit moet nemen. Indien nader onderzoek nodig is en schriftelijk wordt meegedeeld, geldt een termijn van twintig weken.
De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van deze termijn. Verzoek tot vaststelling van een bestuurlijke dwangsom wordt afgewezen vanwege de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €194 en proceskosten van €467 aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.