Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
verlengenin het BVM op te vatten als opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over
postpone.De rechtbank vindt hiervoor ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst dermate complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en is de minister verplicht weer besluiten te nemen. Dat de wet en het BVM zelf over “verlengen” spreken in plaats van “opschorten” doet hieraan niets af. Nu de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet, [6] komt daaraan naar het oordeel van de rechtbank meer gewicht toe.
5. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd.
6. In de zaak van eiser geldt dat de aanvraag op 19 december 2023 ingediend, gedurende de geldigheid van het BVM Soedan. Het BVM Soedan is op 9 juli 2024 beëindigd en de beslistermijn is op die datum gaan lopen. De wettelijke beslistermijn van zes maanden is geëindigd op 9 januari 2025. Eiser heeft de minister op 26 juni 2025 gevraagd om alsnog binnen 14 dagen te beslissen. De minister heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist op de aanvraag. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [7] Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.