ECLI:NL:RBDHA:2026:3088

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL25.32307 en NL25.32308
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wegens ontbreken gezins- en familieleven

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking 'medische behandeling'. Na eerdere vernietiging van een besluit wegens onvoldoende motivering, heeft de minister van Asiel en Migratie het besluit herbevestigd tot afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld en geoordeeld dat de belangenafweging door verweerder in het kader van artikel 8 EVRM Pro (privé- en gezinsleven) zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is uitgevoerd. Verweerder heeft het persoonlijk belang van eiser afgewogen tegen het Nederlandse algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid.

De rechtbank concludeert dat er geen sprake is van gezinsleven met de ex-partner en haar dochter, noch van familieleven met de broer in Nederland, mede vanwege het ontbreken van bewijs van afhankelijkheid of mantelzorg. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.32307 en NL25.32308
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. van der Gouw).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 augustus 2022 afgewezen. Met het besluit van 12 december 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Bij uitspraak van 9 januari 2025 heeft deze rechtbank het besluit van 12 december 2023 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen. [1] Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ aangevraagd.
2.1.
Bij uitspraak van 9 januari 2025 [2] heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder het besluit van 12 december 2023 ten aanzien van de ambtshalve toets op artikel 8 van Pro het EVRM [3] onvoldoende daadkrachtig heeft gemotiveerd en onzorgvuldig heeft voorbereid. Verweerder heeft namelijk onvoldoende onderzocht en beoordeeld of sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM met de (gestelde) partner van eiser en haar dochter [naam 1] . De rechtbank heeft hierbij benadrukt dat het geconstateerde gebrek alleen ziet op de ambtshalve beoordeling van het recht op gezinsleven [4] .
2.2.
Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van eisers aanvraag gebleven, omdat het besluit niet in strijd is met het familie- of gezinsleven [5] . Er is geen sprake van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn gestelde partner en haar dochter en tussen eiser en zijn gestelde broers en zussen die in Nederland wonen. Daarnaast is het besluit niet in strijd met het privéleven van eiser.
2.3.
Verweerder heeft twee andere aanvragen van eiser ook afgewezen. De rechtbank heeft de beroepen tegen de afwijzingen van die aanvragen op dezelfde zitting behandeld onder de zaaknummers NL25.15012 en NL25.23040.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat –aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft namelijk geen evenwichtige belangenafweging gemaakt in het kader van het privéleven. Daarnaast kan eiser door het bestreden besluit zijn recht op familieleven niet uitoefenen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder geeft de rechtbank aan hoe tot dit oordeel is gekomen.
Privéleven van artikel 8 van Pro het EVRM
5. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM [6] en van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [7] De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstaf houdt verder in dat de rechter de door verweerder gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen. [8]
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangen van eiser in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM kenbaar afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid en voldoende gemotiveerd dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Verweerder heeft alle door eiser naar voren gebrachte belangen betrokken in de belangenafweging. Verweerder mocht tegenwerpen dat aan eisers werkende leven in Nederland en de daarmee behaalde inkomsten slechts beperkt gewicht kan worden toegekend, nu eiser een eigen onderneming is gestart terwijl hij in afwachting was van de behandeling van zijn verblijfsaanvraag. Verder is in het nadeel van eiser betrokken dat de banden die eiser heeft opgebouwd tijdens zijn verblijf in Nederland zonder verblijfsvergunning minder zwaar wegen. [9] Daarnaast heeft eiser zijn stellingen dat hij in Marokko niet bij zijn moeder kan wonen en aldaar geen sociaal netwerk, opvang of werkmogelijkheden heeft, niet met concrete bewijsstukken onderbouwd. Daarbij heeft verweerder ook mogen tegenwerpen dat niet is gebleken van een objectieve reden dat eiser – eventueel zonder familie of sociaal netwerk – geen nieuw bestaan zou kunnen opbouwen in Marokko. Gelet op deze omstandigheden heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat het algemeen belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser.
Familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn ex-partner en haar dochter [naam 1] . De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder heeft mogen tegenwerpen dat niet is onderbouwd dat er tussen hen sprake is van gezinsleven, nu is gebleken dat de relatie tussen eiser en zijn ex-partner is beëindigd en het contact is verbroken. Eisers ex-partner heeft in e-mails aan de verweerder aangegeven dat zij geen relatie meer heeft met eiser en dat zij en [naam 1] niks met hem te maken willen hebben. De enkele, niet onderbouwde stelling van eiser tijdens de zitting dat zijn relatie inmiddels is hersteld, kan eiser niet baten. De gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij namens eiser een nieuwe aanvraag zal indienen en dan het herstel van de relatie zal onderbouwen.
6.1.
Verder is in geschil of eiser familieleven heeft met zijn broer [naam 2] in Nederland en of uitzetting van eiser in strijd is met zijn familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiser familieleven heeft in Nederland, nu niet is gebleken dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid ten aanzien van eisers broer. Verweerder heeft hierbij van belang kunnen vinden dat eiser de gestelde medische problemen van zijn broer niet heeft aangetoond met documenten en dat hij geen objectieve bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij mantelzorg verleent aan zijn broer. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van mantelzorg of een andere vorm van structurele zorgverlening voor zijn broer, dat zijn broer een relatie heeft, dat eiser niet samenwoont met zijn broer en dat er geen sprake is van wederzijdse financiële afhankelijkheid.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [10] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

3.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
5.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
6.Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
7.Onder meer uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73 en 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
9.Zie de Werkinstructie 2020/16.
10.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.