ECLI:NL:RBDHA:2026:3102

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL25.48636
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 sub c Vreemdelingenwet 2000Art. 6:22 Algemene wet bestuursrechtVerordening 604/2013 (Dublinverordening)Artikel 4 KwalificatierichtlijnEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens ongeloofwaardige familieproblemen en inconsistenties in Bangladesh

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Bengaalse asielzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. De asielzoeker stelde dat hij en zijn gezin gevaar liepen vanwege familieconflicten en moorden op zijn broers door ooms in Bangladesh. Hij overhandigde diverse documenten ter ondersteuning.

De minister erkende de identiteit en nationaliteit, maar betwijfelde de geloofwaardigheid van de familieproblemen. De rechtbank constateerde wisselende, tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen over de moorden, aangiften, mishandelingen en juridische procedures. Ook de tijdlijn en details over de gebeurtenissen waren inconsistent.

Hoewel de rechtbank erkende dat stress en opleidingsniveau een rol spelen, vond zij dat de verklaringen onvoldoende samenhangend en aannemelijk waren. De rechtbank verwierp ook het verzoek om een verblijfsvergunning op humanitaire gronden wegens gebrek aan onderbouwing van psychische klachten.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het beroep ongegrond verklaarde, maar veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten aan eiser vanwege een formeel gebrek in de datum van asielaanvraag. Het beroep werd afgewezen en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.48636
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1991, van Bengaalse nationaliteit, hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en

de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. C.A. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag met het besluit van 30 september 2025 (bestreden besluit).
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer S. Chowdhury als tolk in de taal Bengali en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. De vader van eiser erfde het landgoed van zijn opa, waarbij de helft naar de vader van eiser ging als oudste zoon en de andere helft naar zijn halfbroers, de ooms van eiser. De ooms van eiser waren het hier niet mee eens en er was vroeger al ruzie over. De broers van eiser zijn in december 2012 door zijn ooms vermoord. Ook een neef van een “aardige” oom is 15 dagen hierna vermoord. De ooms van eiser zijn na de moord op eisers broers een maand lang weggeweest, maar toen zij terugkwamen hielden zij eiser en zijn gezin vast in huis. Zijn vader en eiser zelf zijn door zijn ooms mishandeld en er is zelfs een poging gedaan om eiser te vermoorden. Eiser is uiteindelijk met zijn gezin het huis uit gegooid. Nadien zijn zij naar een vriend van eisers vader gegaan. Hier zijn zij nog eenmaal bedreigd.
4.1
Eiser heeft de volgende documenten overgelegd:
- Nationaal paspoort Bangladesh;
- Medische documenten;
- Kopie aangifte verloren paspoort;
- Kopie geboorteakte;
- Kopie aanvraagbewijs paspoort.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
2. De familieproblemen.
5.1
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar acht de familieproblemen niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarnaast voldoet eiser niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.2
De verklaringen van eiser vormen volgens de minister namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Volgens de minister heeft eiser
vaag verklaard over de moord op zijn broers. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat vier ooms zijn broer hebben doodgestoken. Pas na nadere vraagstelling verklaart eiser dat zijn ooms toen niet één van zijn broers maar twee van zijn broers hebben vermoord. Dit is volgens de minister ongerijmd. Daarnaast heeft eiser volgens de minister
vaag verklaard over de aangifte in 2012van fysiek geweld tegen hem en tegen zijn vader. Eiser heeft verklaard dat hij bij het politiebureau is geweest om hiervan aangifte te doen, maar dat zijn ooms smeergeld hebben betaald waardoor de aanklacht niet in behandeling is genomen. Eiser kan echter niet eenduidig uitleggen hoe zijn advocaat erachter is gekomen dat de politie zijn aanklacht niet heeft geregistreerd. Tevens heeft eiser volgens de minister
ongerijmd verklaard over het proces bij de rechtbank. Zoals hierboven is genoemd is de aanklacht van eiser tegen het huiselijk geweld niet in behandeling genomen door de politie. Volgens de verklaringen van eiser is de zaak wel door de rechtbank behandeld. Volgens eiser komt dat omdat zijn ooms erg machtig zijn en iedereen naar hen luistert. In de correcties en aanvullingen benoemt eiser dat de advocaat de zaak bij de rechtbank heeft aangebracht. De minister ziet echter niet in hoe eisers advocaat een zaak bij de rechtbank kan aanbrengen terwijl er geen officiële aangifte lag. Ook heeft eiser volgens de minister meerdere keren
wisselend verklaard over de data van de mishandelingen en de aangifte. In de correcties en aanvullingen schetst eiser wel een tijdlijn waarbij een aantal data overeenkomen met zijn verklaringen, maar dit neemt niet weg dat hij hierover tijdens het nader gehoor tegenstrijdig heeft verklaard. Volgens de minister heeft eiser daarnaast
ongerijmd verklaard over de gang van zaken nadat zijn broers waren vermoord. Aanvankelijk verklaart eiser dat hij de lichamen van zijn broers heeft gezien toen hij de arts vroeg om hun lichamen te zien. Vervolgens verklaart hij echter dat hij naar de plaats delict is gerend toen hij het nieuws hoorde. Tot slot heeft eiser volgens de minister ook
tegenstrijdig verklaard over de tweede aangifte, de aangifte van de mishandeling van de vader van eiser. Eiser heeft verklaard dat hij na de mishandeling van zijn vader aangifte heeft gedaan bij de politie. Later stelt hij echter dat hij altijd in huis moest blijven.
5.3
De onsamenhangende verklaringen van eiser kunnen volgens de minister ook niet verklaard worden door het referentiekader. Bij de beoordeling is er rekening gehouden met het opleidingsniveau, stressfactoren en dat het gebeurtenissen betreft die zich langer geleden hebben afgespeeld.
Herhaalt en ingelast
6. Eiser heeft gesteld dat hetgeen namens en door hem tijdens zijn aanmeld- en nader gehoor, de reacties op de gehoren en zienswijze is aangevoerd, als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
6.1
Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder en in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Datum asielaanvraag
7. Eiser heeft gesteld dat de minister ten onrechte uitgaat van een datum asielaanvraag van 23 oktober 2022. Dit moet zijn 17 januari 2022. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling [1] van 4 maart 2024 [2] .
7.1
Gelet op de voornoemde Afdelingsuitspraak van 4 maart 2024 en de daaruit volgende lijn [3] , dat bij het ongebruikt verstrijken van de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening [4] de oorspronkelijke asielaanvraag weer openvalt en Nederland verantwoordelijk wordt voor de nationale behandeling, had de minister dienen uit te gaan van 17 januari 2022 als datum van de asielaanvraag. De gemachtigde van de minister heeft dat ter zitting ook erkend. Dit is dan ook een gebrek in de besluitvorming en de beroepsgrond van eiser slaagt.
7.2
De rechtbank ziet echter aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Het is immers aannemelijk dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. De asielaanvraag is immers afgewezen, dus in die zin speelt de ingangsdatum van asielaanvraag, anders dan bij een inwilliging van de aanvraag, geen rol. Wel zal de minister worden veroordeeld in de proceskosten.
De nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling
8. Eiser heeft gesteld dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals neergelegd in WI [5] 2024/6 niet volstaat. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 [6] .
8.1
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de in WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht of het EVRM [7] strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn [8] . De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverwegingen 7.1-7.3 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025 [9] en maakt deze overwegingen de hare. Uit deze uitspraak volgt dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het (Unie)recht is. De enkele stelling ter zitting dat de gestelde problemen van eiser zich lang geleden hebben afgespeeld en daar onvoldoende rekening mee is gehouden, is onvoldoende om te oordelen dat de geloofwaardigheidsbeoordeling onvolledig is geweest. De beroepsgrond slaagt niet.
De moord op eiser broers
9. Eiser heeft gesteld dat de minister niet heeft mogen tegenwerpen dat hij vaag heeft verklaard over de moord op zijn broers. De minister is namelijk ten onrechte niet ingegaan op de verwijzing naar de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor van 29 augustus 2025. Reeds voor het nader gehoor is namens eiser kenbaar gemaakt dat niet één broer maar drie broers (eiser rekent hierbij ook een neef die hij als een broer beschouwt) zijn vermoord.
9.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser vaag heeft verklaard over de moord op zijn broers. Eiser heeft het namelijk zowel tijdens het aanmeldgehoor als tijdens het nader gehoor wisselend over ‘broer’ en ‘broers’ gehad. Zo verklaart eiser tijdens het aanmeldgehoor op de vraag ‘U had het in een eerder gesprek over overleden broers, klopt dit?’ eerst [10] :
“Ja. Zij zijn gedood door mijn oom”.
En later [11] op de vraag om wat specifieker te antwoorden op de vraag wat de reden is of de redenen zijn om Bangladesh te verlaten:
“Mijn broer is vermoord en de volgende ben ik, zij willen mij ook moorden.
Daarom ben ik hier om mijn leven te redden”.
Tijdens het nader gehoor verklaart eiser [12] :

Mijn broers zijn toen bij mijn ooms verhaal gaan halen. De ooms zijn toen kwaad geworden. Mijn broer was onderweg naar huis van de markt. Toen hebben de vier ooms met messen mijn broer doodgestoken en hem aan de kant van de weg in het water gegooid”.
Pas nadat eiser verklaart dat er drie mensen zijn vermoord en de hoormedewerker doorvraagt, antwoordt eiser op de vraag wie er allemaal zijn vermoord [13] :

De zoon van mijn “aardige” oom en mijn eigen twee broers”.
Dat reeds voor het nader gehoor door de gemachtigde van eiser kenbaar is gemaakt dat niet één, maar drie broers zijn vermoord, kan eiser niet baten. Des te bevreemdender is het immers dat eiser hierna opnieuw verklaart dat één broer is vermoord, te meer nu deze gebeurtenis de kern van eisers asielrelaas raakt. De beroepsgrond slaagt niet.
De aangifte in 2012
10. Eiser heeft gesteld dat hij in zijn zienswijze voldoende duidelijkheid heeft gegeven over de aangifte in 2012. Er blijkt volgens eiser sprake te zijn geweest van een misverstand. Eiser heeft zelf de vraagstelling over juridische procedures niet goed begrepen, omdat hij geen goed beeld heeft bij deze procedures.
10.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser vaag heeft verklaard over de aangifte van in 2012. Eiser heeft tijdens het nader gehoor duidelijk verklaard dat er naar aanleiding van de mishandeling van zijn vader in 2012 aangifte is gedaan. Deze aangifte is niet in behandeling genomen omdat zijn ooms smeergeld hadden betaald [14] . De ooms van eiser zijn heel machtig. Later, in de zienwijze, stelt eiser dat sprake is van een misverstand, dat eiser de vraagstelling over de procedures niet goed heeft begrepen, dat de aangifte wel degelijk in behandeling is genomen, de zaak is voorgelegd aan de rechtbank, maar dat uit angst voor represailles daarna is besloten om de zaak in te trekken en niet door te zetten. Uit niets blijkt dat eiser de vragen over de aangifte niet goed heeft begrepen. De minister heeft tot slot terecht opgemerkt dat eiser geen goede verklaring heeft waarom hij vaag over deze aangifte heeft verklaard. De beroepsgrond slaagt niet.
Het proces bij de rechtbank
11. Eiser heeft gesteld dat de minister ook over het proces bij de rechtbank ten onrechte veel kennis bij eiser verwacht over de juridische procedures van destijds. Los van de aangifte welke kan leiden tot een strafrechtelijke vervolging, heeft eiser begrepen dat de advocaat wel een klacht heeft ingediend tegen zijn ooms. Deze zaak is later ingetrokken.
11.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser ongerijmd heeft verklaard over het proces bij de rechtbank. Zoals in overweging 10.1 reeds is aangegeven, heeft eiser eerst verklaard dat de aangifte van mishandeling van zijn vader in 2012 niet in behandeling is genomen. Vervolgens heeft eiser verklaard dat de rechtbank de zaak wel in behandeling heeft genomen. Op de vraag hoe het komt dat de zaak wel in behandeling is genomen, antwoordt eiser: “
omdat er drie mensen waren vermoord wilden wij snelrecht”. Op de vraag of eiser de zaak heeft ingetrokken bij de rechtbank, antwoordt eiser: “
Mijn familie heeft dat gedaan om te blijven leven”. De rechtbank begrijpt de minister dat niet valt in te zien hoe de macht van eisers ooms kan verklaren dat de politie de zaak niet heeft behandeld, maar de rechtbank wel en dat evenmin wordt ingezien dat de advocaat wel een zaak bij de rechtbank kan inbrengen, terwijl er geen officiële aangifte lag. Uit niets volgt dat de advocaat een civiele procedure is gestart, zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit op deze wijze heeft plaatsgevonden en op zijn minst dat deze mogelijkheid in Bangladesh bestaat. Dat heeft hij niet gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Mishandelingen en aangifte data
12. Ten aanzien van het feit dat de minister heeft tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over de mishandelingen en aangifte data, geeft eiser aan dat het heel erg moeilijk is om na zoveel tijd nog de gebeurtenissen in het juiste tijdvak te plaatsen. De minister maakt niet inzichtelijk op welke wijze hij rekening heeft gehouden met het opleidingsniveau, stressfactoren en het tijdsverloop.
12.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser wisselend heeft verklaard over de mishandelingen en aangifte data. De rechtbank verwijst naar het voornemen, waarin eisers wisselende verklaringen uitgebreid zijn weergegeven. De rechtbank stelt vast dat de minister heeft aangegeven rekening te houden met het opleidingsniveau, stressfactoren en het tijdsverloop, maar begrijpt de minister op die manier dat hij hierin geen aanleiding heeft gezien om de wisselende verklaringen niet tegen te werpen. Dat kan de rechtbank volgen. Dat eiser na een lang tijdsverloop de exacte data niet meer kan herinneren, kan de rechtbank zich indenken, maar dat wordt ook niet tegengeworpen. Eiser blijft wisselen in zijn verklaringen en dan met name in jaartallen. Zo heeft eiser eerst verklaard dat vóórdat zijn vader in 2012 is mishandeld door zijn ooms, zijn broers al waren vermoord [15] . Vervolgens heeft eiser verklaard dat zijn broers op [medio] 2012 zijn vermoord en zijn vader daarna, namelijk begin 2013, is mishandeld [16] . Omdat het hier gaat om belangrijke gebeurtenissen die ervoor zouden hebben gezorgd dat eiser de beslissing heeft genomen om zijn land te verlaten, had van eiser, ondanks zijn opleidingsniveau en stressfactoren, mogen worden verwacht dat hij hier duidelijker over had kunnen verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Gang van zaken nadat eisers broers waren vermoord
13. Eiser heeft gesteld dat hij in zijn zienswijze volledig duidelijkheid heeft geboden over hoe een en ander is gegaan toen hij hoorde dat zijn broers waren vermoord. Op de plaats van de moord heeft eiser eenmaal daar aangekomen geholpen om de lichamen van zijn broers uit het water te halen. Hij zag dat zij onder het bloed zaten, maar omdat zij hun kleding nog aan hadden, heeft hij de steekwonden zelf niet gezien. Pas nadat de lichamen met de ambulance naar de arts zijn gebracht, zag hij de steekwonden. Dat eiser tijdens zijn nader gehoor zou hebben verklaard dat hij de steekwonden al heeft gezien toen hij de lichamen uit het water haalde, is niet juist.
13.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de gang van zaken nadat zijn broers waren vermoord. Zo is niet te volgen dat eiser niet direct heeft verteld aan de hoormedewerker dat hij eerst zelf op de plaats delict is geweest en geholpen heeft om de lichamen uit het water te halen. Op de vraag van de hoormedewerker hoe hij weet dat zijn broers op deze manier zijn vermoord, antwoordt eiser namelijk dat de lichamen naar de arts zijn gebracht en zij de arts toen hebben gezegd dat zij de lichamen willen zien [17] . Verder verklaarde eiser dat hij de steekwonden wel al had gezien op dat moment dat hij en zijn familieleden de lichamen uit het water hadden gehaald, terwijl hij later in de zienswijze en in beroep beweert dat hij deze niet zag door de kleding. Ter zitting heeft de rechtbank opgemerkt dat de broers ook in hun nek waren gestoken, volgens de verklaring van eiser [18] en de rechtbank niet begrijpt dat eiser dit dan niet direct zou hebben gezien toen hij zijn broers uit het water haalde. De gemachtigde van eiser heeft hierop aangegeven dit niet specifiek met eiser te hebben besproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Tweede aangifte [19]
14. Eiser heeft gesteld dat de minister ten onrechte vasthoudt aan de tegenwerping dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de tweede aangifte. Ook hier geldt dat eiser een tijdlijn heeft geschetst en het recht heeft om aanvullingen en correcties aan te brengen.
14.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aangifte van de mishandeling van zijn vader. Zo heeft eiser verklaard dat hij naar het politiebureau is gegaan nadat hij het huis uit was gegooid [20] . In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor staat echter dat eiser de nacht na de mishandeling van zijn vader een kans zag om heimelijk de woning te verlaten, zich tot de autoriteiten te wenden om aangifte te doen en daarna uit angst en bezorgdheid om zijn ouders terugkeerde naar de woning. De rechtbank stelt vast dat deze verklaringen tegenstrijdig aan elkaar zijn. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt dat eiser inderdaad het recht heeft om via aanvullingen en correcties meer duidelijkheid te geven, maar is het essentieel dat eiser consistent blijft in zijn verklaringen. Vooral als deze betrekking hebben op belangrijke gebeurtenissen, zoals de mishandeling en eisers vertrek uit het huis. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat het niet gaat om een kleine correctie die eiser heeft gedaan, maar een geheel andere – tegenstrijdige – verklaring. De beroepsgrond slaagt niet.
Verblijfsvergunning op humanitaire gronden
15. Eiser heeft aangevoerd dat zijn subjectieve angst voor terugkeer naar Bangladesh heel groot is. Hij dient daarom in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Ten onrechte is niet de situatie van eiser beoordeeld na een mogelijke terugkeer in Bangladesh. Eiser is van oordeel dat hierbij zijn psychische klachten vanwege pijnlijke gebeurtenissen in het verleden en in Bangladesh als uitgangspunt dienen te worden genomen.
15.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet, reeds omdat eiser op geen enkele wijze zijn psychische klachten heeft onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft.
17. De minister moet wel een proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter,
in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:4799, r.o. 2 en ECLI:NL:RVS:2025:159, r.o. 2.
4.Verordening 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking).
5.Werkinstructie.
7.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.
10.Pagina 9 van het Rapport Aanmeldgehoor (AG).
11.Pagina 13 AG.
12.Pagina 7 van het Rapport Nader gehoor (NG).
13.Pagina 7 NG.
14.Pagina 10 NG.
15.Pagina 11 NG.
16.Pagina 12 NG.
17.Pagina 13 NG.
18.Pagina 13 NG.
19.De eerste aangifte ziet blijkens de correcties en aanvullingen op het nader gehoor op de moord van eisers broers op [medio] 2012.
20.Pagina 16 NG.