Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.LEEUWENBRUG DELFT B.V.,
2.
DE HUYTER DELFT B.V.,
1.Het verdere verloop van de procedure
2.De verdere beoordeling
second opinion” overgelegd van het schade-expertisebureau [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) met betrekking tot het door Leeuwenbrug overgelegde schaderapport van Baker Tilly Corporate Finance (productie 30 bij de inleidende dagvaarding, hierna: Baker Tilly) en de actualisatie van dit schaderapport door [bedrijf 2] B.V. (productie 56 bij de conclusie vermindering van eis van 20 september 2025, hierna: [bedrijf 2] ). Deze “
second opinion” is wél gevoegd bij de concept conclusie die de gemeente tijdig aan Leeuwenbrug heeft gezonden en de overlegging daarvan is dus – anders dan Leeuwenbrug, die in haar nadere conclusie bezwaar heeft gemaakt tegen overlegging van deze productie (nr. 7.47), heeft betoogd – niet in strijd met de gemaakte procesafspraak. Evenmin is de overlegging van deze productie in strijd met de goede procesorde. De omvang van de “
second opinion” is beperkt (15 pagina’s), Leeuwenbrug heeft de gelegenheid gehad om daarop (al dan niet na raadpleging van de door haar ingeschakelde schade-expert) te reageren en heeft, zoals uit haar nadere conclusie blijkt, in ruime mate van die gelegenheid gebruik gemaakt. Het bezwaar van Leeuwenbrug tegen overlegging van productie 50 wordt dan ook verworpen.
primair: de gemeente veroordeelt aan Leeuwenbrug te betalen een bedrag van € 1.839.00,00 aan schadevergoeding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 november 2021, althans 22 juni 2023, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, althans:
aanvraag wordt afgehandeld volgens de reguliere voorbereidingsprocedure”. Het primaire besluit van 4 november 2021 bouwt voort op deze (proces)beslissing van 23 september 2021 en de rechtbank acht ook deze (proces)beslissing om dezelfde redenen als die welke gelden voor het primaire besluit in strijd met de wet en daarom onrechtmatig. In het hypothetische geval dat de gemeente geen onrechtmatig besluit zou hebben genomen, zou de gemeente naar redelijkerwijs mag worden aangenomen op 23 september 2021 aan Leeuwenbrug hebben bericht dat haar aanvraag wordt afgehandeld volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure en hebben gevraagd om de vereiste goede ruimtelijke onderbouwing. Leeuwenbrug heeft gemotiveerd gesteld dat zij en haar adviseurs in staat waren om binnen een maand een goede ruimtelijke onderbouwing aan te leveren. In dit verband heeft zij aangevoerd (spreekaantekeningen nr. 3.13) dat zij die onderbouwing in werkelijkheid (in verband met de nieuwe aanvraag) ook binnen een maand heeft gerealiseerd. Gezien dit alles acht de rechtbank aannemelijk dat Leeuwenbrug in de hypothetische situatie een complete aanvraag met een goede ruimtelijke onderbouwing zou hebben ingediend op (vrijdag) 22 oktober 2021.
primairdat Leeuwenbrug zelfs
eerderde beschikking heeft gekregen over een onherroepelijke omgevingsvergunning dan het geval zou zijn geweest als de gemeente niet eerst de verkeerde voorbereidingsprocedure had gehanteerd, althans
subsidiairdat Leeuwenbrug hooguit enkele maanden later dan wanneer meteen de juiste voorbereidingsprocedure zou zijn toegepast een onherroepelijke omgevingsvergunning heeft verkregen.
short stayhotel in een normaal jaar, te weten € 1.342.000,00, verminderd met een bedrag van € 648.000.00 aan kosten, wat leidt tot een bedrag aan gederfde inkomsten van € 694.000,00. Volgens de gemeente heeft Leeuwenbrug niet aangetoond dat de exploitatie van het hotel als gevolg van het onrechtmatige besluit een jaar later is gestart en dat de inkomensschade die Leeuwenbrug vordert (volledig) daadwerkelijk geleden is en aan haar kan worden toegerekend.
In de hypothetische situatie zou de bouw gestart zijn op 21 maart 2022, althans op 10 april 2022 en in de feitelijke situatie is de bouw gestart op 17 april 2023. Tegen deze achtergrond stelt Leeuwenbrug de duur van de vertraging op 1 jaar” (spreekaantekeningen, nr. 3.19), en “
Leeuwenbrug heeft steeds de hervatting van de bouw op 17 april 2023 als einde van de vertragingsduur als uitgangspunt genomen” (nadere conclusie nr. 4.47). Daarnaast noemt Leeuwenbrug als “
veel logischer scenario” (dan het door de gemeente bepleite scenario): “
een scenario waarbij voor de causaliteitsvraag de duur van de vertraging wordt berekend aan de hand van de tijd die daadwerkelijk is verstreken tussen de intrekking van de eerste vergunning op 2 mei 2022 (bedoeld zal zijn: 6 mei 2022, rechtbank
) en de hervatting van de bouw op 17 april 2023. In dit geval is eveneens op 2 weken na sprake van een vertraging van één jaar” (nadere conclusie nr. 4.45).
en onze ervaring met de exploitatie van 182 short stay hotelappartementen in de regio” bevestigd “
dat wij een omzetprognose van ongeveer € 1.342.000,00 voor BizStay Delft realistisch achten, mits sprake is van een volledig en stabiel exploitatiejaar zonder opstartfactoren” (bijlage 15 bij het rapport van [bedrijf 2] ).
voor herstel- en/of faalkosten”) in rekening heeft gebracht omdat in de aannemingsovereenkomst door het bedrijf een uitsluiting van aansprakelijkheid is bedongen voor het werk dat door derden is verricht. Hierop is door de gemeente niet meer gereageerd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat ter zake door [bedrijf 3] geen extra kosten in rekening zijn gebracht.
de bedragen nu wel iets anders (hoger) zijn wat dan ook nog meer subsidie kan opleveren”). [5] Voor zover al sprake is van het vereiste causale verband tussen enerzijds het primaire besluit van B&W om in strijd met de wet de eerste omgevingsvergunning te verlenen met gebruikmaking van de reguliere voorbereidingsprocedure en anderzijds het intrekken van de eerste subsidieaanvraag, moet de vordering worden afgewezen omdat het alvast indienen van de eerste subsidieaanvraag terwijl de omgevingsvergunning niet onherroepelijk was, voor risico van Leeuwenbrug zelf komt. Dat brengt mee dat zij zelf de kosten voor de indiening van de eerste subsidieaanvraag moet dragen.
up to speed” brengen met het project en het opstarten van de bouw. Deze vordering wordt afgewezen omdat deze kosten uiteindelijk allemaal zijn terug te voeren op de keuze van Leeuwenbrug om met de bouwwerkzaamheden te starten voordat zij beschikte over een onherroepelijke omgevingsvergunning. Wat de rechtbank heeft overwogen in nr. 2.32 over de afwijzing van de vordering tot vergoeding van het wind- en waterdicht maken van het bouwterrein, is van overeenkomstige toepassing.
Management fee 2022” bevatten deze facturen geen nadere specificatie. In bijlage B 4.3 bij het rapport van Baker Tilly is een “Onderbouwing management fee” opgenomen. Hieruit blijkt dat de salariskosten van [naam 2] (op basis van 24 uur per week) en [naam 3] (op basis van 16 uur per week) de belangrijkste componenten vormen van de managementvergoeding samen met auto(lease)kosten. In de overgelegde jaarrekeningen van De Huyter en Leeuwenbrug Delft van 2022 zijn onder de post personeelskosten managementvergoedingen van € 50.000,00 opgenomen zowel voor 2021 als voor 2022. Uit de toelichting in het rapport van Baker Tilly is op te maken dat de managementvergoedingen zullen worden teruggebracht tot € 10.000 per jaar nadat het hotel operationeel is. Uit de als productie 69 overgelegde schriftelijke verklaring van [naam 2] van 5 november 2025 volgt dat de managementvergoeding per 2025 inderdaad is verlaagd naar in totaal € 10.000,00 in verband met de opening van het hotel in 2024 en de afronding van de ontwikkelwerkzaamheden. De rechtbank begrijpt de stellingen van Leeuwenbrug aldus dat de volledige managementvergoeding (voor 2022?) door de gemeente vergoed dient te worden omdat het management zich gedurende een jaar uitsluitend heeft beziggehouden met werkzaamheden die niet verricht zouden zijn als de gemeente geen fout had gemaakt. De volledige managementvergoeding is daarom volgens Leeuwenbrug als schade aan te merken die in een zodanig verband staat met het onrechtmatige besluit van de gemeente dat zij als een gevolg daarvan aan de gemeente is toe te rekenen. De gemeente betwist dat dit het geval is en voert bovendien aan dat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Ons begrip is dat de additionele werkzaamheden van (het) management bestaan uit o.a. alle werkzaamheden rondom de bouwstop, het zoeken van een nieuwe aannemer, opvragen van nieuwe offertes en de nieuwe vergunningsprocedure”. Zoals volgt uit haar overwegingen in nr. 2.32 en nr. 2.41, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, is de rechtbank van oordeel dat kosten voortvloeiend uit werkzaamheden rondom de bouwstop niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daargelaten of dat anders ligt voor het zoeken naar een nieuwe aannemer, het opvragen van nieuwe offertes (het is de rechtbank niet duidelijk welke offertes zijn bedoeld) en de nieuwe vergunningsprocedure, kan de rechtbank op basis van deze informatie niet beoordelen hoe de verhouding is tussen de gemaakte uren die niet en die (mogelijk) wel voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten voor een beredeneerde schatting daarvan. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Leeuwenbrug bij deze vordering uitgaat van een jaar vertraging die zou zijn toe te schrijven aan de fout van de gemeente, terwijl de rechtbank in nr. 2.18 heeft geoordeeld dat die vertraging vijf maanden en 20 dagen bedraagt.
“(…) Loyens Loeff de Onderneming (heeft) bijgestaan in het verweer richting de bezwaarden, bij alle communicatie richting de gemeente Delft met betrekking tot het volgen van de verkeerde procedure en bij het contracteren van een nieuwe aannemer”.
ongeveer 13 uur” is gefactureerd voor werkzaamheden die betrekking hebben op erfdienstbaarheden en niets met de zaak te maken hebben. Bovendien is “
eveneens ongeveer 13 uur” in rekening gebracht voor werkzaamheden met betrekking tot de bezwaarprocedure, wat (kennelijk naar aanleiding van het hierboven weergegeven verweer van de gemeente) voor Leeuwenbrug aanleiding is om die uren ook in mindering te brengen op haar vordering. Leeuwenbrug “
schat in dat 26 uur werk (gemiddeld) neerkomt op € 9.000 btw” en heeft haar eis overeenkomstig dat bedrag verminderd. De overgebleven advocaatkosten betreffen volgens Leeuwenbrug kosten ter voorkoming en beperking van schade in de zin van artikel 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder a BW, en dienen door de gemeente te worden vergoed.
ongeveer 13 uur” in rekening is gebracht voor werkzaamheden met betrekking tot de bezwaarprocedure. Gelet op het voorgaande had het op de weg van Leeuwenbrug gelegen om gemotiveerd te stellen en te onderbouwen welke in rekening gebrachte, specifieke werkzaamheden gericht op het voorkomen of beperken van de schade de advocaten dan concreet hebben verricht. Dat “(…)
deze kosten het gevolg zijn van de procedurefout van de gemeente waardoor Leeuwenbrug ineens zijn project in gevaar zag komen", of “(…)
als de gemeente deze fout niet had gemaakt, waren deze kosten niet gemaakt en zou Leeuwenbrug zonder advocaat blijven werken” (spreekaantekeningen nr. 4.17). is daarvoor onvoldoende. Opmerking verdient nog dat het niet aan de rechtbank is de bij de facturen behorende urenspecificaties door te spitten teneinde daaruit te distilleren welke uren mogelijk betrekking hebben op werkzaamheden die zouden kunnen worden aangemerkt als te zijn verricht om schade als gevolg van het onrechtmatige besluit van de gemeente te voorkomen of te beperken. Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde vergoeding van advocaatkosten zal worden afgewezen.
fixed fee”, samen € 25.000,00, op de vordering in mindering gebracht. In het rapport van [bedrijf 2] wordt toegelicht (p. 5) dat deze declaraties betrekking hebben op het voeren van deze procedure bij de rechtbank en van de schadeberekening moeten worden geëlimineerd omdat de rechtbank deze kosten forfaitair vaststelt. Met betrekking tot de resterende advocaatkosten ten bedrage van € 9.000,00 heeft Leeuwenbrug nader gesteld (spreekaantekeningen nr. 4.21) dat deze zien op de afwikkeling van de aannemingsovereenkomst en advisering over de procedurefout van de gemeente. De gemeente betwist de vordering.
second opinionte geven over de vraag of de gemeente op de eerste vergunningaanvraag al dan niet terecht de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing heeft verklaard. Voor de werkzaamheden die [naam 4] (en twee andere aan het advocatenkantoor Stibbe verbonden medewerkers) daarvoor hebben verricht, heeft Stibbe in totaal een bedrag van € 25.301,85 aan Leeuwenbrug gefactureerd door middel van twee facturen die, vergezeld van urenspecificaties, zijn overgelegd als producties 41 en 42. Leeuwenbrug heeft deze facturen betaald. Volgens haar zijn deze kosten aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid die door de gemeente moeten worden vergoed. In dit verband heeft Leeuwenbrug aangevoerd dat [naam 4] om de
second opinionis gevraagd omdat hij hoogleraar Overheidsaansprakelijkheidsrecht is. Hoewel hij eveneens advocaat is bij Stibbe, is hij, aldus Leeuwenbrug, niet als advocaat bij deze procedure betrokken. De gemeente heeft gemotiveerd betwist dat zij aansprakelijk is voor deze kosten.
second opinionvan beperkte betekenis voor die uitkomst geweest.
second opinionis in deze procedure ingebracht om de rechtbank te overtuigen van de juistheid van het juridische standpunt dat Leeuwenbrug inneemt. Daarmee vertoont het karakter van de inbreng van de advocaat tevens hoogleraar [naam 4] (en de medewerkers van Stibbe) veel gelijkenis met de inbreng van de reguliere advocaten van Leeuwenbrug, waarvoor geen vergoeding op grond van artikel 96 lid 2 BW Pro kan worden toegekend (zie nr. 2.51). [6]