De minister heeft op 22 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiseres, een asielzoekster uit Nigeria, op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 16 februari 2026 in Groningen.
Eiseres voerde aan dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door de stukken niet direct aan haar gemachtigde toe te zenden en dat zij voorafgaand aan de inbewaringstelling niet in de gelegenheid was gesteld om asiel aan te vragen, mede gelet op haar HIV-positieve status. De rechtbank erkende de slordigheid van de minister, maar oordeelde dat dit niet leidde tot onrechtmatigheid van de maatregel, omdat eiseres tijdig beroep had ingesteld en tijdens het gehoor gelegenheid had gekregen haar situatie toe te lichten.
De rechtbank stelde vast dat eiseres onder de categorie vreemdelingen valt waarvoor bewaring op grond van artikel 59a Vw is toegestaan, mede vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Duitsland volgens de Dublinverordening. De minister had voldoende zware en lichte gronden aangevoerd die samen het risico op onderduiken rechtvaardigen. De rechtbank verwierp het verweer dat een lichter middel had moeten worden toegepast, mede omdat medische ondersteuning aanwezig is in het Justitieel Complex Zeist.
De rechtbank concludeerde dat de minister voortvarend werkt aan de overdracht en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.