ECLI:NL:RBDHA:2026:3283

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
NL24.36867
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 6:22 AwbArt. 28 Wbtv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Sri Lankaanse Tamil wegens onvoldoende geloofwaardigheid en zwaarwegendheid

Eiser, een Sri Lankaanse Tamil, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, maar de minister wees dit af wegens onvoldoende onderbouwing en geloofwaardigheid van zijn relaas over politieke activiteiten en vervolging.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat een deel van het relaas ongeloofwaardig is en dat de geloofwaardige delen onvoldoende zwaarwegend zijn voor een verblijfsvergunning. Het ontbreken van een registertolk tijdens het nader gehoor is een procedureel gebrek, maar de rechtbank acht dit niet schadelijk voor eiser.

De rechtbank weegt mee dat eiser slechts marginale politieke activiteiten heeft verricht, zowel in het verleden als in Nederland, en dat het niet aannemelijk is dat hij daardoor in Sri Lanka vervolgd zal worden. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en traumatabeleid faalt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36867

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. Lohmann-Kamphuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers asielrelaas deels ongeloofwaardig is en dat de wel geloofwaardig geachte delen onvoldoende zwaarwegend zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Verder stelt de minister terecht dat eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM of op grond van het traumatabeleid
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
3. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 september 2024 afgewezen als ongegrond.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is van Sri Lankaanse nationaliteit en is geboren op 10 juli 1987. Eiser heeft tussen 2003 en 2005, toen hij nog op school zat, via een schoolvereniging activiteiten verricht voor een Tamil Eelam (een onafhankelijke Tamilstaat). Eiser heeft daarna van 2008 tot 2010 in India verbleven waar hij pro-tamilvluchtelingen heeft geholpen. Daarna is eiser vertrokken naar Saudi-Arabië, heeft daar tot 2015 verbleven en is daarna in Sri Lanka getrouwd. Eiser is vervolgens weer teruggekeerd naar Saudi-Arabië. Eiser is in 2017 met een toeristenvisum naar Zwitserland gegaan en heeft daar twee weken verbleven. In 2018 keerde eiser terug naar Sri Lanka en is datzelfde jaar met een werkvisum naar Qatar vertrokken. Daarna is eiser in september 2019 weer teruggekeerd naar Sri Lanka. Naar eigen zeggen is eiser tijdens deze inreis op het vliegveld vastgehouden en ondervraagd in verband met zijn activiteiten voor een Tamil Eelam en omdat er problemen waren met zijn visa voor de landen waar eiser was geweest. Ook is toen zijn paspoort afgenomen. De autoriteiten gaven aan dat eiser zich moest melden in een politiebureau in Jaffna, maar dit heeft hij niet gedaan. Wel is eiser naar eigen zeggen in Jaffna bedreigd door zijn zwager in verband met een huis dat hij zou krijgen uit de bruidsschat. Volgens eiser is deze zwager tegen de Liberation Tigers of een Tamil Eelam (LTTE) en lid van de United Freedom Party. Volgens eiser is de Criminal Investigation Department (CID), een onderdeel van de politie, hem daarna gaan zoeken, waarna eiser gevlucht is. Eiser heeft Sri Lanka definitief verlaten op 10 oktober 2019. Eiser is met een toeristenvisum voor een dag naar Nederland gekomen en vervolgens naar Franrijk gegaan omdat daar een vriend woonde en is daar twee jaar gebleven. Daarna is eiser naar Nederland vertrokken. Eiser heeft in Nederland deelgenomen aan demonstraties en betogingen voor een Tamil Eelam door het Tamil forum en vreest dat de Sri Lankaanse autoriteiten daarvan op de hoogte zijn. Verder geeft eiser aan zich bij een eventuele terugkeer naar Sri Lanka te willen gaan inzetten voor een Tamil Eelam.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • eisers pro-Tamil activiteiten en problemen met de autoriteiten.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst heeft aangetoond met documenten. De minister stelt zich echter op het standpunt dat eiser zijn relaas over zijn pro-Tamil activiteiten en de gestelde problemen niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. [1] De minister heeft dit asielmotief daarom verder op geloofwaardigheid beoordeeld. Volgens de minister vormen eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel en kan eisers relaas met betrekking tot dit asielmotief in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. [2] De minister gelooft namelijk wel dat eiser in het verleden en ook in Nederland pro-Tamil activiteiten heeft verricht en dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar niet dat hij daardoor problemen heeft ondervonden. Eiser heeft daarom volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als verdragsvluchteling of bij uitzetting een risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. De minister heeft eisers aanvraag daarom afgewezen.
Moet het overschrijden van de 21-maandentermijn leiden tot inwilliging van eisers aanvraag?
6. Eiser wijst erop dat de procedure te lang heeft geduurd en dat de zogenaamde 21-maandentermijn uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn [3] is verstreken en dat de aanvraag om die reden had moeten worden ingewilligd.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De tekst noch de strekking van artikel 31 van Pro de Procedurerichtlijn bevat een aanknopingspunt voor de stelling dat een asielaanvraag waarop niet binnen 21 maanden is beslist moet worden ingewilligd. [4]
Moet het ontbreken van een registertolk tijdens het nader gehoor leiden tot vernietiging van het bestreden besluit?
7. Eiser betoogt dat de minister niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen beëdigde tolk tijdig beschikbaar was tijdens het nader gehoor. Uit artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers
(Wbtv) volgt dat deze motivering enerzijds moet zien op de vereiste spoed en anderzijds op de feitelijke beschikbaarheid. Volgens eiser heeft de minister niet voldaan aan deze motiveringsplicht. De minister heeft zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het ontbreken van een registertolk bij het nader gehoor. Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 1 juni 2017. [5] Verder betoogt eiser dat de verklaringen uit het nader gehoor niet juist zijn en hem toch worden tegengeworpen, waardoor eiser in zijn belangen is geschaad. Het bestreden besluit moet volgens eiser vanwege dit zorgvuldigheidsgebrek worden vernietigd.
7.1.
Op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv maakt de IND in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid, voor zover van belang, kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is, als wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Uit het vierde lid blijkt dat kan afgeweken worden van het eerste lid als dit met redenen omkleed schriftelijk wordt vastgelegd.
7.2.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, stelt artikel 28, vierde lid, van de Wbtv, gelezen in samenhang met het derde lid, de eis dat de minister de reden voor het gebruik maken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. Als wegens de vereiste spoed een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, moet de minister dat nader toelichten.
7.3.
De beroepsgrond slaagt. De minister heeft in het bestreden besluit niet met een op artikel 28, derde lid, van de Wbtv, toegespitste motivering toegelicht waarom op het moment van het nader gehoor geen registertolk aanwezig was. Daarom is niet voldaan aan artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv. Anders dan eiser betoogt, ziet de rechtbank aanleiding om aan dit gebrek voorbij te gaan op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat niet aannemelijk is dat eiser door het ontbreken van een registertolk in zijn belangen is geschaad. [6] De minister heeft er in dit kader terecht op gewezen dat uit het nader gehoor niet is gebleken dat de tolk en eiser elkaar niet hebben kunnen verstaan. Eiser heeft bovendien aangegeven dat hij de tolk goed kon verstaan en dat hij geen op- of aanmerkingen heeft. In zijn uitgebreide correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft hij ook niets aangevoerd over vertaalproblemen. Vervolgens is eiser in het kader van zijn politieke overtuiging met gebruik van een registertolk nogmaals gehoord en in de gelegenheid gesteld om zijn eerdere verklaringen aan te vullen. Ook toen heeft hij niet gesteld dat eerdere verklaringen onjuist waren vertaald. Daar komt bij dat eiser in beroep weliswaar betoogt dat het tolken tijdens het nader gehoor niet goed is verlopen, maar dat hij op geen enkele wijze concreet maakt welke van zijn verklaringen dan niet goed zouden zijn weergegeven en op welke wijze hij daarom in zijn belangen zou zijn geschaad. De enkele omstandigheid dat de tolk tijdens het nader gehoor geen registertolk was is voor die conclusie onvoldoende. Dit maakt ook dat eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, geen doel treft. De vreemdeling in die zaak had wel degelijk geklaagd over een onjuiste vertaling.
7.4.
De rechtbank volgt verder niet het betoog van eiser ter zitting dat het niet gebruiken van een registertolk bij het eerste gehoor heeft geleid tot vertraging in de procedure. De minister heeft op zitting immers verklaard dat het besluit van 1 augustus 2023 niet is ingetrokken vanwege het ontbreken van een registertolk bij het nader gehoor, maar omdat de gestelde politieke activiteiten van eiser in Nederland niet juist in de besluitvorming waren betrokken. Uit het besluit van 24 november 2023 blijkt ook dat de minister het besluit heeft ingetrokken wegens een motiveringsgebrek.
Had de minister het asielrelaas van eiser moeten beoordelen op grond van het oude beleid inzake geloofwaardigheidsbeoordelingen?
8. Eiser betoogt dat de minister het relaas van eiser ten onrechte heeft beoordeeld aan de hand van de nieuwe wijze voor het beoordelen van geloofwaardigheid. Dit klemt volgens eiser des te meer nu al sprake is van overschrijding van de 21-maandentermijn uit artikel 31 van Pro de Procedurerichtlijn.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024/6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen. De uitzondering dat de minister de aanvraag moet beoordelen aan de hand van het recht op het tijdstip van ontvangst ervan geldt alleen bij een regulier verblijfsrecht, namelijk bij aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf [7] en aanvragen voor een reguliere verblijfsvergunning. [8] Deze uitzondering is niet van toepassing op asielzaken. [9] Dat de minister niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag leidt niet tot een ander oordeel. Het niet tijdig beslissen brengt geen verplichting mee voor de minister om ouder, naar gesteld gunstiger, beleid toe te passen of om overgangsrecht te creëren. [10]
Heeft de minister de aanvraag van eiser mogen afwijzen?
Geloofwaardigheid
9. Niet in geschil is dat eiser zijn relaas niet volledig heeft onderbouwd met documenten. Daarom heeft de minister aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 beoordeeld of de problemen van eiser alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval. Eiser voldoet volgens de minister namelijk niet aan artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld. Dat zal de rechtbank hierna toelichten.
9.1.
De rechtbank constateert met de minister dat eiser in beroep geen expliciete gronden heeft gericht tegen het standpunt van de minister dat een deel van eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat het relaas van eiser op grote lijnen niet geloofwaardig is. [11] De minister heeft de door eiser gestelde problemen met de autoriteiten niet geloofwaardig geacht. Ter zitting heeft eiser echter aangegeven dat hij in de veronderstelling verkeerde dat niet in geschil is dat eiser onenigheid had met zijn zwager en dat zijn zwager politieke connecties heeft, waarvan hij gebruik zal maken als eiser terugkeert naar Sri Lanka, en dat eiser bij zijn inreis in 2019 in Sri Lanka is ondervraagd en met een pistool is bedreigd op het vliegveld.
9.2.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in het bestreden besluit duidelijk heeft aangegeven dat hij gelooft dat eiser een conflict heeft gehad met zijn zwager over een woning (de bruidsschat), maar ook dat dit conflict volgens de minister in de privésfeer is gelegen en dat niet wordt gevolgd dat het conflict met politiek te maken heeft. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat ongeloofwaardig is dat het conflict met de zwager van eiser een politieke dimensie heeft. De minister wijst er in dit kader op dat de zwager volgens eiser navraag zou hebben gedaan over waarom hij niet is opgepakt, maar dat hij na de ruzie naar eigen zeggen geen verdere problemen heeft gehad met deze zwager en ook niet door de politie is opgepakt toen hij nog in Jaffna verbleef. Daaruit blijkt volgens de minister dat de politie geen bijzondere belangstelling voor eiser heeft gehad. Eiser heeft tegen deze motivering van de minister geen gronden gericht.
9.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser in 2019 op het vliegveld is ondervraagd vanwege zijn politieke activiteiten of reisgedrag en daar is bedreigd met een pistool. De minister volgt wel dat aan eiser op het vliegveld vragen zijn gesteld. De minister wijst er in dit kader op dat uit het Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024 (ambtsbericht) ook volgt dat mensen die terugkeren naar Sri Lanka na aankomst ondervraagd kunnen worden, maar dat het dan doorgaans gaat over eventuele criminele antecedenten. De minister wijst erop dat eiser het vliegveld na de ondervraging weer heeft verlaten en dat daarom niet aannemelijk is dat de ondervraging te maken heeft gehad met een vermoeden van de Sri Lankaanse autoriteiten dat eiser banden heeft met de LTTE. De minister vindt niet geloofwaardig dat eiser over zijn activiteiten in Sri Lanka, die volgens eiser hebben plaatsgevonden in de periode 2008 tot 2010, pas in 2019 wordt ondervraagd op het vliegveld. De minister volgt verder niet de verklaring van eiser, dat hij moet zijn opgevallen omdat hij twee paspoorten heeft en in India, Saoedi-Arabië, Qatar en Europa heeft verbleven. Dit zijn volgens de minister slechts vermoedens van eiser. Verder heeft eiser volgens de minister tegenstrijdige en inconsistente verklaringen afgelegd over het gehoor op het vliegveld en de gevolgen van dat gehoor. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens dat gehoor het adres van zijn vrouw zou hebben doorgegeven, en dat de CID daarom achter zijn verblijfplaats kwam. In de correcties en aanvullingen heeft eiser deze verklaring niet gewijzigd. In het aanvullend gehoor heeft eiser echter verklaard dat hij zijn ouderlijk adres zou hebben doorgegeven bij de ondervraging en dat hij daarom juist niet naar zijn moeder ging maar naar zijn vrouw, die elders woonde en dat zijn zwager daarom aan de politie kon doorgeven waar eiser verbleef. Deze verklaring heeft eiser wederom niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. De minister vindt verder inconsistent dat eiser heeft verklaard dat hij bij zijn moeder was toen de politie bij zijn vrouw thuis kwam om hem te vinden terwijl hij in het aanvullend gehoor juist heeft verklaard dat hij juist niet naar zijn moeder zou zijn gegaan. Tegen deze motivering van de minister heeft eiser geen gronden gericht.
9.4.
Tegen de overige standpunten van de minister over de geloofwaardigheid van de volgens eiser ondervonden problemen vanwege zijn politieke overtuiging heeft eiser ook geen gronden gericht. Zo stelt de minister zich op het standpunt dat eiser vaag heeft verklaard over hoe vaak de CID naar hem op zoek zou zijn geweest en bij zijn vrouw zou zijn langsgegaan. Ook valt volgens de minister niet in te zien dat de CID alleen bij zijn vrouw langsgaat als zij op zoek zijn naar eiser, en dat eiser kennelijk, terwijl hij wist dat hij werd gezocht, toch gewoon in Jaffna bleef tot zijn vertrek uit Sri Lanka en dat hij bovendien legaal Sri Lanka heeft kunnen verlaten met een toeristenvisum. Verder wijst de minister erop dat eiser na zijn vertrek uit Sri Lanka in 2019 en aankomst in Nederland, vervolgens toch gedurende meer dan twee jaar in Frankrijk heeft verbleven, om vervolgens pas op 27 november 2021 asiel aan te vragen in Nederland. De minister ziet niet in waarom eiser niet meteen na aankomst in Europa asiel heeft aangevraagd indien hij daadwerkelijk in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zou staan. Met eisers verklaring dat hij eerst is doorgereisd naar Frankrijk omdat daar een vriend woonde, is volgens de minister niet geloofwaardig dat eiser in het verleden in de negatieve aandacht heeft gestaan van de Sri Lankaanse autoriteiten.
Tussenconclusie
10. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig acht dat eiser (in het verleden) problemen met de autoriteiten heeft ondervonden vanwege zijn activiteiten voor de LTTE of een Tamil Eelam. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat de minister, zoals eiser ter zitting heeft betoogd, niet een deel van een asielmotief geloofwaardig zou mogen vinden en in plaats daarvan alles geloofwaardig had moeten vinden. Eiser heeft dit betoog ook niet onderbouwd.
10.1.
De minister heeft de geloofwaardig bevonden onderdelen van het relaas van eiser op zwaarwegendheid beoordeeld. Het betreft de door eiser in het verleden en in Nederland verrichte politieke activiteiten. Het standpunt van de minister hierover zal de rechtbank hierna beoordelen.
Zwaarwegendheid
11. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Hij wijst erop dat hij eerder te maken heeft gehad met vervolging of ernstige schade. Verder betoogt eiser dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een sterke politieke overtuiging. Eiser wijst daarbij op de geloofwaardig geachte delen van zijn asielrelaas. Volgens eiser acht de minister het daarom ook ten onrechte ongeloofwaardig dat eiser zijn overtuiging bij terugkeer zal uitdragen. Eiser heeft dat immers gedaan in Zwitserland, India en Nederland. Eiser wijst erop dat in Sri Lanka geen partij is die streeft naar een Tamil Eelam, nu dat in Sri Lanka verboden is. Eiser verwijst naar het ambtsbericht. [12] Volgens eiser blijkt verder uit zijn betoog dat de Sri Lankaanse onafhankelijkheidsbeweging in Nederland nauwlettend in de gaten wordt gehouden door de Sri Lankaanse autoriteiten. Ook wijst eiser erop dat hij een Facebookaccount heeft waarop zijn activiteiten zichtbaar zijn en wijst eiser erop dat zijn zwager tegen de LTTE is en contacten heeft met de autoriteiten en een financieel belang heeft bij het voorkomen van eisers terugkeer. De minister miskent volgens eiser dat hij openlijk uitkomt voor een onafhankelijke Tamilstaat en dat aldus de betreffende passages uit het ambtsbericht ook op hem van toepassing zijn. [13]
11.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser vanwege zijn activiteiten problemen heeft ondervonden met de autoriteiten. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn pro Tamil activiteiten te vrezen heeft voor problemen met de autoriteiten. Ook stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet aannemelijk is dat de Sri Lankaanse autoriteiten van zijn politieke activiteiten op de hoogte zijn en mocht dat wel zo zijn, dat hij daarom gevaar loopt in Sri Lanka. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat daarom ook niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade als hij wel besluit politiek actief te blijven op de manier waarop hij dat nu doet. Ook is de minister terecht tot de conclusie gekomen dat de politieke overtuiging van eiser niet sterk is, waardoor niet aannemelijk is dat eiser zijn politieke overtuiging na terugkeer op een zodanige manier zal uiten dat hij daardoor toch in de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten zal komen te staan. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
11.2.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft over de positie van (terugkerende) Tamils in Sri Lanka recentelijk meerdere uitspraken gedaan. [14] Uit deze uitspraken volgt, steeds met verwijzing naar het ambtsbericht, dat de situatie voor Tamils in Sri Lanka verbetert en dat in toenemende mate ruimte ontstaat voor (discussies over) Tamilherdenkingen en demonstraties. Het uitsluitend verlangen naar of het uitspreken van de wens om een Tamil Eelam leidt niet onmiddellijk tot vervolging. Het tonen van symbolen van de LTTE is nog wel steeds problematisch en kan in sommige gevallen tot arrestatie en/of kortdurende detentie leiden. Verder worden Tamils in binnen- en buitenland tot op zekere hoogte door de Sri Lankaanse autoriteiten gemonitord, maar gaat de aandacht daarbij voornamelijk uit naar personen die prominent actief zijn voor verboden Tamilorganisaties of die zich openlijk hebben uitgelaten voor een Tamil Eelam.
Activiteiten in Sri Lanka
11.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in het verleden in Sri Lanka in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat. Daarbij wijst de minister er terecht op dat eiser daarover in het nader gehoor heeft verklaard dat hij geen grote rol heeft gespeeld bij de studentenvereniging in de jaren tussen 2003 en 2006. Eiser plakte biljetten, deelde folders uit en gaf een speech. Eiser heeft verder verklaard dat hij gedurende de tijd dat hij in India verbleef geld kreeg van iemand en daarmee voedsel en kleding voor vluchtelingen verzorgde. Eiser kan niet verklaren waar het geld vandaan kwam. Hij stelt dat het geld van een vriend afkomstig was, maar verklaart in de correcties en aanvullingen dat het geld afkomstig zou zijn van de LTTE, maar verklaart in diezelfde correcties en aanvullingen ook dat hij dat niet weet. Uit eisers verklaringen blijkt niet van rechtstreeks contact met de LTTE. Eiser heeft verklaard dat hij in de andere landen waar hij verbleef, namelijk Saoedi-Arabië, Qatar en Zwitserland, geen activiteiten voor de LTTE heeft verricht. Eiser heeft wel verklaard dat hij in Zwitserland met mensen heeft gesproken over de situatie in Sri Lanka. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor verklaart eiser dat het ging om kleinschalige bijeenkomsten met prominente leden van de Eelambeweging. Gezien het oordeel van de rechtbank dat de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig acht dat eiser ooit problemen heeft ondervonden vanwege deze activiteiten, vindt de minister terecht niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka, bijna tien jaar later, wel problemen zal ondervinden vanwege diezelfde activiteiten.
Activiteiten in Nederland
11.4.
Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser door zijn activiteiten in Nederland nu wel in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten zou staan. De minister wijst in dit verband op het ambtsbericht, waaruit volgt dat de Sri Lankaanse autoriteiten vooral verhoogde aandacht hebben voor personen die prominent actief waren voor verboden Tamil-organisaties of die zich openlijk hebben uitgelaten voor een onafhankelijk een Tamil Eelam. Verder volgt uit het ambtsbericht dat personen die binnen of buiten Sri-Lanka betrokken waren geweest bij de LTTE na terugkeer konden worden gemonitord. [15] Eiser heeft in Nederland deelgenomen aan demonstraties en herdenkingen in Amsterdam en Den Haag. Eiser is naar eigen zeggen aanhanger van de organisatie Tamil Forum en heeft bij deze demonstraties en herdenkingen vooral meehelpende taken uitgevoerd zoals spandoeken maken. Ook deelt eiser op Facebook foto’s van deze herdenkingsdagen. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn activiteiten en heeft verder ook niet aannemelijk gemaakt dat hij valt onder de categorie personen, die vanwege steun aan een Tamil Eelam of de LTTE, kunnen worden gemonitord. Anders dan eiser betoogt, kan uit zijn verklaringen namelijk niet worden opgemaakt dat hij valt onder de categorie personen die prominent actief waren voor een verboden Tamilorganisatie en is daarom niet aannemelijk dat de Sri Lankaanse autoriteiten van eisers activiteiten op de hoogte zijn en dat hij zal worden gemonitord na terugkeer. Hoewel eiser heeft verklaard over zijn banden met het Tamil Forum, blijkt niet dat eiser binnen die organisatie een prominente rol heeft vervuld. Hij heeft daarover slechts verklaard dat hij aanhanger is, maar geen lid, en dat hij meedoet aan activiteiten die door deze organisatie zijn georganiseerd. Niet blijkt dat eiser in deze organisatie een specifieke rol heeft of dat op hem ten aanzien van deze organisatie een bepaalde verantwoordelijkheid rust. Zoals volgt uit het onder 9.3 en 11.3 overwogene is niet aannemelijk dat eiser banden heeft met de LTTE of dat de Sri Lankaanse autoriteiten dit zouden vermoeden. De minister stelt zich mede daarom terecht op het standpunt dat niet valt in te zien dat de Sri Lankaanse overheid nu wel op de hoogte zou zijn van de marginale activiteiten van eiser in Nederland of bijzonder in hem geïnteresseerd zou zijn. Eiser heeft bovendien niet onderbouwd dat zijn Facebook-profiel openbaar is en als dit al het geval zou zijn, dan heeft eiser hoe dan ook geen groot bereik. Uit het gegeven dat eiser een Facebookaccount heeft volgt daarom ook niet dat, in combinatie met zijn overige activiteiten, aannemelijk is dat de Sri Lankaanse autoriteiten van zijn activiteiten op de hoogte zijn of bijzonder in hem geïnteresseerd zouden zijn.
Voorgenomen activiteiten bij terugkeer
11.5.
Uit eisers verklaringen over de door hem voorgenomen activiteiten na terugkeer blijkt niet dat aannemelijk is dat eiser daardoor in de negatieve aandacht zou komen te staan van de Sri Lankaanse autoriteiten mocht hij deze activiteiten daadwerkelijk ontplooien. Eiser heeft namelijk slechts verklaard dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka samen met leerlingen propaganda zou willen maken en dat hij aan de Sri Lankaanse regering en aan wereldleiders bekend zou willen maken wat Tamils nodig hebben. Eiser heeft, mede met het oog op de hiervoor aangehaalde landeninformatie en rechtspraak, niet aannemelijk gemaakt dat hij zal worden vervolgd, mocht hij deze voorgenomen activiteiten na terugkeer ontplooien.
11.6.
Verder vindt de rechtbank met de minister niet aannemelijk dat eiser een sterke politieke overtuiging heeft. Daarbij is van belang dat, zoals onder 11.3 en 11.4 is overwogen, eiser slechts marginale activiteiten heeft verricht, zowel in het verleden als vanaf het moment dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd. De minister wijst verder terecht op de verklaringen van eiser over deze activiteiten. Eiser kan niet goed verklaren over wanneer hij aan welke herdenking heeft meegedaan in Nederland. Als eiser deze herdenkingen en bijeenkomsten belangrijk had gevonden, dan had van hem mogen worden verwacht dat hij in ieder geval had kunnen aangeven in welk jaar die zouden hebben plaatsgevonden. Daartoe is eiser niet goed in staat gebleken nu hij zichzelf niet heeft kunnen aanwijzen op een foto van een demonstratie en jaartallen door elkaar haalde in het aanvullend gehoor. Verder kan eiser relatief weinig over zijn politieke overtuiging vertellen. Hij verklaart daarover hoofzakelijk dat hij staat voor een onafhankelijke Tamilstaat voor toekomstige generaties, dat hij problemen heeft gehad met de Singalese militairen en de politie en dat hij het oneens is over de manier waarop de Tamil bevolkingsgroep wordt behandeld. Ook verklaart hij dat hij zijn politieke overtuiging voor het eerst heeft geuit toen hij 16 was. De minister vindt daarom terecht niet aannemelijk dat eiser zijn politieke overtuiging in Sri Lanka nu wel op een zodanige manier zal gaan uitdragen dat hij daardoor in de negatieve belangstelling komt te staan van de autoriteiten.
11.7.
Eisers betoog, onder verwijzing naar het ambtsbericht, dat hij zou kunnen worden vervolgd onder de Prevention of Terrorism Act (PTA), volgt de rechtbank niet. Eiser heeft dit betoog in het geheel niet onderbouwd. Bovendien volgt uit het ambtsbericht dat tijdens de verslagperiode geen daadwerkelijke veroordelingen hebben plaatsgevonden op grond van de PTA. Eventuele arrestaties op grond van de PTA kwamen niet tot een formele aanklacht. Verder volgt uit het ambtsbericht dat het sinds de paasaanslagen van 2019 bovendien niet (meer) de Tamils zijn die doorgaans op grond van de PTA werden gearresteerd. [16] De rechtbank volgt gezien de onder 11.2. aangehaalde landeninformatie ook niet het betoog van eiser dat hij bij aankomst in Sri Lanka zal worden ondervraagd en dat hij dan zal moeten bekennen dat hij een Tamilactivist is. Gezien het hiervoor overwogene is niet aannemelijk dat eiser zal worden ondervraagd over zijn activiteiten voor een Tamil Eelam.
11.8.
De rechtbank volgt ook niet het betoog van eiser dat het openlijk opkomen voor een Tamil Eelam zal leiden tot vervolging. De rechtbank wijst op de rechtspraak en bijbehorende landeninformatie die onder 11.2 is weergegeven
Artikel 8 van Pro het EVRM
12. Ter zitting heeft eiser nog betoogd dat hij inmiddels meer dan vier jaar in Nederland is en dat daarom sprake is van privéleven. Dit betoog heeft eiser echter in het geheel niet onderbouwd, zodat het alleen al daarom niet kan slagen.
Valt eiser onder het traumatabeleid?
13. Eiser betoogt dat hij in Sri Lanka is blootgesteld aan opzettelijk hevig geestelijke pijn of leed toegebracht door overheidsfunctionarissen met als doel het verkrijgen van inlichtingen, bestraffing, intimidatie of dwang. Er is volgens eiser sprake van marteling, waarop eiser binnen 6 maanden het land heeft verlaten. Eiser wijst erop dat de ondervraging op het vliegveld geloofwaardig is bevonden.
13.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Zoals de rechtbank hiervoor onder 9.3 heeft overwogen, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat eiser is bedreigd tijdens het verhoor op het vliegveld.
Overige gronden
14. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij zijn gronden met betrekking tot zijn medische toestand en de bevoegdheid van de minister om op de aanvraag te beslissen laat vallen, zodat de rechtbank daar geen oordeel over geeft.

Conclusie en gevolgen

15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand blijft.
15.1.
Gelet op het oordeel in rechtsoverweging 7.3. ziet de rechtbank aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. [17] De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid en aanhef, van de Vw 2000.
2.Daarmee is volgens de minister niet voldaan aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vw 2000.
3.Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.
4.Zie de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13862 en de bevestiging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1240.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1395.
7.Artikel 1.27 van het Vb 2000.
8.Artikel 3.103 van het Vb 2000, zie ook de toelichting op artikel 3.103 van het Vb 2000, Stb. 2000, 497, p. 172 en de toelichting op artikel 1.27 van het Vb 2000, Stb. 2012, 308, p. 13 en 14. Zie ook Stb. 2019, 143, p. 8.
9.Vergelijk ook de uitspraken van de Afdeling van 14 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AR3915 en 5 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AL6153, JV 2003/43.
10.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 maart en 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3804, onder 6.1. en ECLI:NL:RBDHA:2025:11149, onder 7.1
11.Zie voetnoot 1.
12.Zie pagina 30 van het ambtsbericht.
13.Eiser wijst in het bijzonder op pagina 70 van het ambtsbericht.
14.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18013 en ECLI:NL:RBDHA:2025:18007. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5388.
15.Zie ambtsbericht, pagina 70.
16.Zie het ambtsbericht, pagina 32 en 33.
17.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4679.