Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die op 24 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan eiser. De maatregel was gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) en was gericht op de terugkeer van eiser in het kader van een terugkeerprocedure. Eiser had tegen deze maatregel beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. Tijdens de zitting, die via telehoren plaatsvond, gaf eiser aan zich niet goed te voelen en verzocht om terug te keren naar zijn kamer. De rechtbank heeft het beroep behandeld en de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve getoetst.
De rechtbank oordeelde dat de minister de maatregel terecht had opgelegd, omdat eiser al eerder de mogelijkheid had gehad om asiel aan te vragen en er redelijke gronden waren om aan te nemen dat hij de asielaanvraag had ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen. De rechtbank concludeerde dat de c-grond niet was betwist en dat de bewaring rechtsgeldig was. Eiser had geen persoonlijke belangen of medische omstandigheden aangevoerd die de bewaring onevenredig bezwarend maakten. De rechtbank vond de gang van zaken rondom de asielaanvraag voldoende voortvarend en oordeelde dat er geen aanleiding was voor het opleggen van een lichter middel. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.