ECLI:NL:RBDHA:2026:334

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63807
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling in het kader van een terugkeerprocedure en de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die op 24 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan eiser. De maatregel was gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) en was gericht op de terugkeer van eiser in het kader van een terugkeerprocedure. Eiser had tegen deze maatregel beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. Tijdens de zitting, die via telehoren plaatsvond, gaf eiser aan zich niet goed te voelen en verzocht om terug te keren naar zijn kamer. De rechtbank heeft het beroep behandeld en de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve getoetst.

De rechtbank oordeelde dat de minister de maatregel terecht had opgelegd, omdat eiser al eerder de mogelijkheid had gehad om asiel aan te vragen en er redelijke gronden waren om aan te nemen dat hij de asielaanvraag had ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen. De rechtbank concludeerde dat de c-grond niet was betwist en dat de bewaring rechtsgeldig was. Eiser had geen persoonlijke belangen of medische omstandigheden aangevoerd die de bewaring onevenredig bezwarend maakten. De rechtbank vond de gang van zaken rondom de asielaanvraag voldoende voortvarend en oordeelde dat er geen aanleiding was voor het opleggen van een lichter middel. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63807

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).

Inleiding

1. De minister heeft op 24 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister zijn ook verschenen met behulp van telehoren. Nadat een aanvang is gemaakt met het horen, heeft eiser aangegeven ziek te zijn en terug te willen keren naar zijn kamer. Met toestemming van partijen is de behandeling van het beroep op de zitting daarna voortgezet. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c (c-grond) van de Vw. In de maatregel heeft de minister overwogen dat dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Daarnaast heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend is toe te passen.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Wijziging grondslag
6. Eiser voert aan dat uit het dossier blijkt dat de op 19 december 2025 opgelegde maatregel pas is opgeheven op 29 december 2025. Uit de M113 kan worden opgemaakt dat het de bedoeling was die maatregel op te heffen op 24 december 2025, maar dit is in feite pas gebeurd op 29 december 2025. Dat is vijf dagen nadat eiser zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt, en dus te laat. Onderhavige maatregel van 24 december 2025 is daarnaast niet rechtsgeldig tot stand gekomen, omdat deze werd opgelegd op het moment dat de voorgaande maatregel nog niet was beëindigd.
7. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat in de M113 van 29 december 2025 is aangegeven dat de voorgaande maatregel is beëindigd op 24 december 2025. Onderhavige maatregel is aansluitend op 24 december 2025 opgelegd. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting verder terecht aangevoerd dat door de Afdeling [2] is geoordeeld dat de M113 een interne kennisgeving is en niet een besluit zoals bedoeld in de Awb [3] . De M113 mag daarom ook achteraf worden opgesteld. In dezelfde uitspraak heeft de Afdeling ook geoordeeld dat een voorgaande maatregel wordt beëindigd door het opleggen van een daarop direct volgende maatregel, omdat er van twee tegelijkertijd voortdurende bewaringsmaatregelen met een verschillende grondslag geen sprake kan zijn. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat onderhavige maatregel niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Aan de beoordeling van de stelling dat de voorgaande maatregel niet tijdig is beëindigd, komt de rechtbank niet toe. Dit moet worden beoordeeld in een (volg)beroep tegen de maatregel waarvan wordt gesteld dat deze te laat is opgeheven.
Grondslag c-grond
8. De rechtbank stelt vast dat de c-grond niet is betwist en is ook ambtshalve toetsend van oordeel dat de c-grond terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Eiser werd al voor het opleggen van de huidige maatregel in bewaring gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn. Eiser heeft daarnaast al de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure gehad. Tot slot kan in redelijkheid worden aangenomen dat eiser de asielaanvraag heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
Lichter middel
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien voor het opleggen van een lichter middel. De minister heeft eiser zwaar aan mogen rekenen dat hij zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken en geen gehoor heeft gegeven aan het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 30 december 2024.
9.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Omdat eiser bij aanvang van de zitting aangaf zich niet goed te voelen, heeft de gemachtigde van de minister aangegeven contact op te zullen nemen met de regievoerder van eiser zodat deze kan regelen dat eiser wordt bezocht door de medische dienst. Van detentieongeschiktheid is de rechtbank niet gebleken.
Voortvarend werken aan de asielaanvraag
10. De rechtbank stelt vast eiser op 5 januari 2026 is gehoord in het kader van zijn opvolgende asielaanvraag. Op 7 januari 2026 is vervolgens een voornemen uitgebracht. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Conclusie en gevolgen

11. Concluderend is de rechtbank niet gebleken is dat een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van de opgelegde bewaringsmaatregel niet is nageleefd. Wat eiser verder naar voren heeft gebracht, geeft ook geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, uitspraak van 28 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:232).
3.Algemene wet bestuursrecht.