Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit, diende op 8 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 18 april 2025 al een verzoek tot internationale bescherming in Frankrijk had ingediend. Op grond van artikel 18 van Pro de Dublinverordening werd Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen, wat op 8 november 2025 werd geaccepteerd.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat hij in Frankrijk op straat zou belanden door onvoldoende opvangmogelijkheden, verwijzend naar het AIDA-rapport van juni 2025. De rechtbank oordeelde dat Frankrijk in beginsel verantwoordelijk is en dat verweerder ervan uit mag gaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat het vertrouwensbeginsel niet geldt.
De rechtbank verwees naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin werd bevestigd dat ondanks problemen met opvang in Frankrijk, deze niet zodanig structureel en ernstig zijn dat sprake is van schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wegens Dublin-overdracht aan Frankrijk is ongegrond verklaard.