AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling
Eiser, een Ghanese vreemdeling die tijdelijk bescherming genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) vanwege de oorlog in Oekraïne, kreeg op 1 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser betoogde dat dit besluit prematuur was omdat hij nog onder een bevriezingsmaatregel viel en verwees naar zijn relatie met een EU-onderdaan en artikel 8 EVRMPro.
De rechtbank oordeelde dat het eerdere terugkeerbesluit van 22 augustus 2023 was ingetrokken en verklaarde het beroep daarop niet-ontvankelijk. Het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 was niet prematuur omdat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 rechtmatig was beëindigd, en de bevriezingsmaatregel slechts een tijdelijke opschorting betrof zonder verlenging van het verblijfsrecht.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten had aangevoerd voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van het Unierecht, ondanks zijn relatie met een EU-onderdaan. Ook het beroep op artikel 8 EVRMPro faalde omdat de minister voldoende rekening had gehouden met het familie- en privéleven. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 blijft in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Oukil),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 1 augustus 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Ghanese nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 22 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is bij uitspraak van 5 april 2024 toegewezen (NL23.27289). De minister heeft op 6 september
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
2023 besloten een bevriezingsmaatregel te treffen waardoor eiser gebruik kon blijven maken van zijn rechten op grond van de RTB.
5. Op 8 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024. Het eerdere terugkeerbesluit is in dit besluit ingetrokken. Naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft de minister op 1 april 2024 besloten wederom een bevriezingsmaatregel te treffen waardoor eiser gebruik kon blijven maken van zijn rechten op grond van de RTB.
6. Op 1 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan hem een nieuw terugkeerbesluit opgelegd.
7. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft vervolgens nog een nader stuk ingediend.
8. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: L. Pomper.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
9. Het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 22 augustus 2023. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op dit laatste terugkeerbesluit.
10. Nu de minister het besluit van 22 augustus 2023 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 22 augustus 2023, omdat het besluit prematuur is genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 21.
Het standpunt van eiser
11. Eiser betoogt dat het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 prematuur is opgelegd, omdat hij nog onder de bevriezingsmaatregel valt, en dus onder de bescherming van de RTB. Hij verwijst in dat verband naar artikel 6 vanPro de richtlijn 2008/115 (de Terugkeerrichtlijn), waaruit volgt dat pas bij illegaal verblijf een terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Daarnaast wijst eiser erop dat hij een relatie heeft met een EU-onderdaan, waardoor het terugkeerbesluit volgens hem in strijd is met het Unierecht en met artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter zitting heeft eiser ook een beroep gedaan op een Afdelingsuitspraak van
12 november 2021.3 Ook heeft hij erop gewezen dat hij op 3 november 2025 een aanvraag heeft gedaan voor de vaststelling dat hij verblijf heeft op grond van het Unierecht.
Het oordeel van de rechtbank
Is het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 prematuur?
12. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 20244 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 echter niet prematuur. Uit voormeld arrest van het Hof van 19 december 2024 volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraak van 23 april 2025.5 Het verblijf van eiser was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar slechts dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting. De beroepsgrond slaagt niet.
Relatie met Poolse vriendin
14. Artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van het Hof6 volgt dat hieronder moet worden begrepen dat er ook geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.
15. Wat betreft het Unierecht volgt uit vaste Afdelingsrechtspraak7 dat indien voorafgaand aan het terugkeerbesluit geen aanvraag om toetsing aan het EU-recht is ingediend, het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om tijdens het gehoor concrete aanknopingspunten aan te dragen die erop duiden dat hij op grond van het Unierecht een afgeleid verblijfsrecht heeft. De minister moet vervolgens, mede op basis van het geheel aan verklaringen, al dan niet ondersteund met documenten, beoordelen of sprake is van voldoende concrete aanknopingspunten die erop duiden dat de vreemdeling een afgeleid
verblijfsrecht heeft. Dit hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Indien dergelijke concrete aanknopingspunten worden aangevoerd, is het aan de minister om nader onderzoek te doen.
16. Eiser is in het voornemen van 4 juni 2025 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om redenen naar voren te brengen waarom zou moeten worden afgezien van het terugkeerbesluit. In de door eiser gegeven zienswijze is uitsluitend gesteld dat hij een relatie met een EU-onderdaan heeft en dat eiser daarom verblijfsrecht zou hebben. Hierbij is een kopie van een paspoort van eisers gestelde vriendin gevoegd.
17. De rechtbank vindt, alles in samenhang bezien, dat eiser hiermee geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van het Unierecht. De enkele stelling dat hij een relatie heeft met een EU-onderdaan aangevuld met een kopie van een paspoort, zonder verdere toelichting over de relatie of stukken ter onderbouwing ervan, is hiertoe onvoldoende. Hierbij is van belang dat het aan eiser was om concrete aanknopingspunten aan te dragen en hij hiertoe voldoende in de gelegenheid is gesteld. De minister was dan ook niet gehouden nader onderzoek te doen naar een eventueel verblijfsrecht van eiser op grond van het Unierecht. Dat eiser op 3 november 2025 alsnog een aanvraag om vaststelling van een verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft gedaan, maakt niet dat het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 onrechtmatig is.
18. Wat betreft het beroep op artikel 8 vanPro het EVRM, stelt de rechtbank voorop dat uit artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De Terugkeerrichtlijn ziet uitsluitend op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en niet op de verkrijging van verblijfsrechten.8 Wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven of zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen.
19. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij het opleggen van het terugkeerbesluit voldoende rekening heeft gehouden met het familie- en gezinsleven, alsook met het privéleven van eiser. Het enkele gegeven dat eiser een relatie stelt te hebben, leidt er niet toe dat het terugkeerbesluit onrechtmatig moet worden geacht. Uit wat hiervoor onder 12 is overwogen volgt dat de minister volgens het Hof bevoegd is om het tijdelijk verblijf te beëindigen. Ook in dit kader is van belang dat eiser zijn gestelde relatie op geen enkele manier heeft onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
20. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 22 augustus 2023, is niet-ontvankelijk.
21. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2023 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken, voor zover deze nog niet aan eiser zijn toegekend door de minister. Deze kosten stelt de rechtbank op
8 ECLI:EU:C:2022:913, r.o. 84 en 85.
grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
22. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 1 augustus 2025, is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2025 ongegrond; en
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.