AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met toepassing Syrië besluitmoratorium
Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 22 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister moest volgens de Vreemdelingenwet 2000 binnen zes maanden een besluit nemen, maar verlengde deze termijn aanvankelijk met negen maanden onder een beleidsregel die later werd ingetrokken. Hierdoor gold weer een beslistermijn van zes maanden.
De minister voerde een onderzoek uit met Eurodac- en EU-Vis-bevragingen, maar dit werd door de rechtbank niet als voldoende onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening beschouwd. Het besluitmoratorium voor Syrië, van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, verlengde de beslistermijn met maximaal één jaar, waardoor de minister uiterlijk op 22 september 2025 moest beslissen.
Eiser stelde de minister op 7 oktober 2025 in gebreke en diende op 4 december 2025 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister niet binnen de maximale termijn had beslist. De rechtbank legde een termijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog moet besluiten en stelde een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 vast.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €467 aan eiser, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank sloot de procedure zonder zitting en gaf partijen de mogelijkheid om een hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn van acht weken op om alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Cetinkaya-Ahmad),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De aanvraag is in ontvangst genomen op 22 maart 2024. De minister dient uiterlijk zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een beschikking te geven.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden genomen,4 vangt de termijn aan
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
op het moment waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.5
4. De minister mag onder bepaalde omstandigheden artikel 42, zesde lid, van de Vw ook toepassen in de situatie dat hij onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat. Dat onderzoek moet meer omvatten dan enkel een onderzoek in Eurodac.6
5. De minister heeft een zogenoemde Eurodac bevraging en een EU-Vis bevraging verricht. Verder heeft de minister geen nader onderzoek uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit samenstel van handelingen niet te verstaan als een onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening. Als gevolg hiervan heeft de minister artikel 42, zesde lid, van de Vw niet mogen toepassen en geldt in beginsel een beslistermijn van zes maanden.
6. Eiser komt uit Syrië. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium.7 Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.8
7. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium. De aanvraag van eiseres valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium.
8. De minister diende uiterlijk op 22 september 2025 te beslissen op de aanvraag
(22 maart 2024 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). Eiser heeft de minister op 7 oktober 2025 in gebreke gesteld en heeft op 4 december 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank stelt verder vast dat eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
9. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.9 In deze zaak is dit aan de orde.
10. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.10 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond in dit geval is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank
8 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 vanPro het Besluit instelling besluitmoratorium en vertrekmoratorium vreemdelingen afkomstig uit Syrië.
in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
11. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.11 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om
bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.