ECLI:NL:RBDHA:2026:346

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
NL26.109
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een EU-burger en de motivering van handboeien tijdens transport

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over de bewaring van een EU-burger, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie in bewaring was gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, geboren in 1984 en van Poolse nationaliteit, heeft tegen het besluit van 1 januari 2026 beroep ingesteld, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 7 januari 2026, waarbij eiser aanwezig was, maar zijn gemachtigde niet. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser onrechtmatig in Nederland verbleef, omdat hij niet had voldaan aan een eerder verwijderingsbesluit. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom handboeien tijdens zijn transport waren gebruikt, maar de rechtbank oordeelde dat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitviel. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar heeft de minister wel veroordeeld in de proceskosten van eiser, tot een bedrag van € 934,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.109

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. P. Çelikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 1 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De gemachtigde van eiser heeft de gronden van beroep schriftelijk ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting in Breda behandeld. Eiser is verschenen. De gemachtigde van eiser is, met bericht vooraf, niet verschenen. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1984 en heeft de Poolse nationaliteit.
Voortraject
2. Eiser voert aan dat hij EU-burger is. De vaststelling of een EU-burger rechtmatig verblijf heeft, vereist een actuele toets aan de hand van Richtlijn 2004/38/EG. Verweerder heeft een dergelijke toets niet verricht en daarom ten onrechte eiser opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. Dit is onjuist en onzorgvuldig.
3. Bij beschikking van 23 december 2022 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Deze beschikking is op rechtsgeldige wijze aan eiser uitgereikt en staat in rechte vast. [1] De rechtbank stelt vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit en dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021, F.S. [2] Daarbij neemt de rechtbank mee dat eiser na deze beschikking vijf keer effectief is uitgezet, recent nog op 19 december 2025. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een materiële wijziging van de omstandigheden als bedoeld onder punt 95 van dat arrest. Gelet hierop en omdat de perioden van verblijf van eiser buiten Nederland relatief kort zijn, heeft verweerder mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. [3] Gelet op het bovenstaande is het verwijderingsbesluit van 22 december 2022 dus nog steeds van kracht. Dat betekent dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig in Nederland verbleef. Eiser is op de juiste grondslag opgehouden. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
4. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld tijdens de ophouding van eiser. Eiser is tussen zijn aankomst bij de AVIM [4] om 11:09 en het gehoor om 13:49 langdurig opgehouden zonder dat uit het dossier blijkt dat er actieve onderzoekshandelingen zijn verricht. Dit is in strijd met artikel 5 van het EVRM en artikel 3:2 van de Awb. [5]
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/overdracht van 1 januari 2026 volgt dat eiser op 1 januari 2026 om 11:09 uur op de plaats bestemd voor verhoor is aangekomen. Uit artikel 50, tweede lid, van de Vw volgt dat de termijn van ophouding dan aanvangt en dat hij aldaar niet langer dan gedurende zes uren mag worden opgehouden. Eiser is vervolgens om 14:29 uur in bewaring gesteld. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de maximale duur van de ophouding niet is overschreden. In hoeverre verweerder al dan niet tijdens al die uren actieve onderzoekshandelingen heeft verricht is in zoverre niet relevant.
Gebruik van handboeien tijdens transport
6. Eiser voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd waarom tijdens zijn overbrenging handboeien zijn gebruikt. In het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/overdracht is het gebruik hiervan alleen gemotiveerd met de mededeling ‘veiligheid’. Eiser werkte echter mee, vertoonde geen agressie of vluchtgedrag en werd bovendien slapend aangetroffen. Het gebruik van handboeien is gelet daarop disproportioneel en niet voldoende gemotiveerd.
7. Ter zitting heeft verweerder erkend dat in het proces-verbaal van ophouding de reden van het aanleggen van handboeien onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank volgt dit. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Een gebrek in het voortraject maakt de bewaring echter pas onrechtmatig als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. De te maken belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank wijst in dat verband op wat hierna wordt overwogen over de gronden van de maatregel en het daaruit voortvloeiende onttrekkingsrisico en het lichter middel. Daarbij is verder van belang dat eiser niet concreet heeft toegelicht op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad.
De gronden van bewaring
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hij voert hiertoe het volgende aan. Verweerder heeft niet onderzocht of eiser na zijn vertrek opnieuw aanspraak kon maken op Unierechtelijk verblijf. Gelet daarop kan niet vastgesteld worden of eiser niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen. Daarnaast kan niet gesteld worden dat eiser zich aan het toezicht heeft onttrokken, omdat in het geval van eiser een concrete toezichtverplichting ontbreekt. Verder voert eiser aan dat het uitreikingsblad waaruit zou volgen dat de beschikking van 22 december 2022, waarbij is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, geen gegevens bevat. Verweerder heeft dus niet aangetoond dat die beschikking rechtsgeldig aan eiser bekend is gemaakt. In dat geval kan aan eiser geen vertrekplicht worden tegengeworpen. Over de lichte gronden voert eiser aan dat hij dakloos is. Niet is aangetoond dat eiser is geïnformeerd over meld-of adresverplichtingen. Dat hij verder geen vaste woon- en verblijfsplaats heeft, duidt op kwetsbaarheid en niet op vluchtgevaar. Ook het ontbreken van voldoende middelen is geen indicatie voor onttrekking.
10. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a, 3b en 3c volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. De rechtbank stelt vast dat deze zware gronden feitelijk juist zijn. Gelet op wat is overwogen onder punt 3 is de beschikking van 22 december 2022 nog altijd van kracht. Daarmee staat vast dat aan eiser eerder een beschikking is uitgereikt waaruit de op hem rustende plicht om Nederland te verlaten blijkt. Eiser heeft daaraan niet uit eigen beweging gevolg gegeven. Eiser heeft gelet daarop geen rechtmatig verblijf in Nederland en daarmee is feitelijk juist dat eiser niet op voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Daarnaast heeft hij zich onttrokken aan het toezicht door zich bij zijn binnenkomst in Nederland niet te melden bij de bevoegde autoriteiten. Eiser is immers in het bos aangetroffen. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Een risico op onttrekking aan het toezicht is daarmee gegeven. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de lichte gronden behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
11. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet had kunnen worden volstaan met een lichter middel. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit het arrest van het Hof van 22 juni 2021 [6] volgt dat de bewaring van een EU-burger alleen gerechtvaardigd kan zijn als de maatregel in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel en gebaseerd is op het gedrag van de betrokkene. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een gerechtvaardigde inbewaringstelling van eiser. De rechtbank verwijst hierbij naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De rechtbank weegt hierbij bijzonder zwaar aan het feit dat eiser sinds de beschikking in 2022 al vijf keer eerder is uitgezet naar Polen en hij vervolgens telkens naar Nederland is teruggekeerd. Deze handelwijze duidt er niet op dat eiser voornemens is zelfstandig terug te keren naar Polen indien een lichter middel zou zijn opgelegd.
12. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Omdat de rechtbank onder punt 7 een gebrek in het voortraject heeft geconstateerd, moet verweerder de proceskosten van eiser vergoeden. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt
€ 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 28 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:1227 waaruit volgt dat de beschikking rechtsgeldig is uitgereikt.
2.ECLI:EU:C:2021:506, onder 81-82.
3.Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:562, en van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1452, onder 2.3, en ECLI:NL:RVS:2022:1444, onder 4.2.
4.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
5.Algemene wet bestuursrecht.
6.ECLI:EU:C:2021:505.