ECLI:NL:RBDHA:2026:3655

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
NL26.8369
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring en aanvullend terugkeerbesluit afgewezen

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is op 20 oktober 2025 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep getoetst vanaf 21 januari 2026, het moment van sluiting van het onderzoek in het laatste beroep. Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting omdat de Marokkaanse autoriteiten hem niet erkennen als onderdaan en dat het aanvullend terugkeerbesluit van 29 december 2025 niet rechtsgeldig aan hem is bekendgemaakt. Tevens voerde hij aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn connectie met Algerije.

De rechtbank oordeelt dat het aanvullend terugkeerbesluit wel rechtsgeldig is uitgereikt, onder meer door een beëdigde tolk op 29 december 2025, en dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken. Verder is op 5 januari 2026 een laissez-passer-aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten verzonden. De rechtbank acht het zicht op uitzetting naar Algerije aannemelijk, mede op basis van sociale media aanwijzingen. Verweerder handelt voldoende voortvarend door het voeren van vertrekgesprekken en schriftelijke rappelleringen.

De ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring en het aanvullend terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8369

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Verweerder heeft op 20 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 23 februari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 21 januari 2026.
4. Eiser stelt dat geen sprake is van zicht op uitzetting en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Er is evident geen zicht op uitzetting naar Marokko, sinds de Marokkaanse autoriteiten hebben meegedeeld eiser niet als onderdaan te erkennen. Voor zover verweerder nu stelt dat sprake is van zicht op uitzetting naar Algerije, meent eiser dat het aanvullend terugkeerbesluit van 29 december 2025 niet rechtsgeldig aan hem is uitgereikt. Er is enkel melding gemaakt van het aanvullend terugkeerbesluit tijdens een vertrekgesprek op 13 februari 2026. Niet is gebleken dat eiser voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit is gehoord. Dit besluit kan dan ook niet als basis dienen voor een voortduring van de maatregel van bewaring. Daarnaast stelt eiser dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te denken dat hij afkomstig zou zijn uit Algerije. Ook is niet gebleken van een lp [3] -aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten en heeft verweerder geen nader onderzoek gedaan naar eisers connectie met Algerije. Dit maakt dan ook dat onvoldoende voortvarend gehandeld wordt.
5. Zoals ook in de uitspraak van 22 januari 2026 is overwogen, blijkt uit de voortgangsrapportage dat op 5 januari 2026 een lp-aanvraag is verzonden aan de Algerijnse vertegenwoordiging. Verweerder heeft daaraan voorafgaand op 29 december 2025 een aanvullend terugkeerbesluit genomen waarin Algerije wordt genoemd als land van terugkeer. Uit dit besluit blijkt dat eiser omtrent dit besluit in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken middels een gehoor. Dat eiser niet is gehoord wordt dan ook niet gevolgd. In het aanvullend besluit staat verder dat eiser mondeling over dit besluit is geïnformeerd en dat een afschrift van het besluit onmiddellijk aan hem is uitgereikt. De rechtbank wijst daarbij ook op het proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2025, waaruit blijkt dat het aanvullend terugkeerbesluit is opgelegd aan eiser middels een beëdigde tolk. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat hij pas tijdens het vertrekgesprek op 13 februari 2026 op de hoogte is geraakt van dit besluit.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat er geen aanknopingspunten zijn om zicht op uitzetting naar Algerije aan te nemen. Zoals tijdens het vertrekgesprek op 24 december 2025 met eiser is besproken zouden uit zijn sociale media aanwijzingen blijken dat hij uit Algerije komt. Eiser heeft verder niets aangevoerd waaruit zou volgen dat het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid ontbreekt.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder vooralsnog voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser door in de te beoordelen periode een vertrekgesprek met eiser te voeren en schriftelijk te rappelleren over de lp-aanvraag.
8. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20553, 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24010 en 22 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1003.
3.Laissez-passer.