ECLI:NL:RBDHA:2026:3684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
NL26.942
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 12 lid 4 DublinverordeningArt. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige grensdetentie wegens ontbreken concreet Dublinaanknopingspunt voor overdracht aan Italië

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, in het kader van grensdetentie en de Dublinverordening. Verweerder had de maatregel opgelegd op basis van een vermoeden dat Italië verantwoordelijk was voor de asielaanvraag van eiser, maar erkende dat overdracht aan Italië vanuit grensdetentie niet mogelijk was.

De rechtbank stelde vast dat de maatregel werd ingezet voor een doel dat feitelijk niet bereikt kon worden, omdat er geen concreet aanknopingspunt voor overdracht bestond. Hierdoor ontbrak een deugdelijke wettelijke grondslag en was de maatregel vanaf het begin onrechtmatig. De rechtbank benadrukte het belang van het recht op vrijheid en het ultimum remedium karakter van vrijheidsontneming.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel per direct opgeheven moest worden en kende eiser een schadevergoeding toe van €1.600 voor 16 dagen onrechtmatige detentie. Tevens werden de proceskosten van eiser aan verweerder opgelegd. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak is openbaar bekendgemaakt op 14 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel en kent schadevergoeding toe wegens onrechtmatige detentie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.942

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

[V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. In het besluit is overwogen dat aanknopingspunten bestaan voor toepassing van de Dublinverordening [1] .
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W.M. Mamik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
2. Verweerder behandelt de asielaanvraag van eiser in de grensprocedure. Uit het bestreden besluit blijkt dat er op basis van een Schengenvisum voor Italië, geldig van
29 september 2025 tot 29 december 2025 aanleiding was te veronderstellen dat eiser binnen de reikwijdte van de Dublinverordening viel (Dublin aanknopingspunten). Op 31 december 2025 is aan de autoriteiten van Italië gevraagd om eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
3. Eiser voert aan dat het duidelijk is dat de bedoeling van verweerder was een claimverzoek bij Italië in te dienen. Op dat claimverzoek is nog geen antwoord gekomen. Eiser wijst erop dat bijna sprake is van een fictief claimakkoord. Hij zal dan alsnog in vrijheid worden gesteld. Vraag is of dit alles zich verhoudt tot habeas corpus. Iemand mag niet vastgehouden worden als je van tevoren weet dat dit geen stand kan houden. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 augustus 2024 [2] .
4. Verweerder heeft ter zitting erkend dat overdracht aan Italië vanuit grensdetentie momenteel niet mogelijk is. Om die reden zal verweerder de maatregel dan ook direct opheffen, na ontvangst van een (fictief) claimakkoord. Verweerder wijst erop dat het moet gaan om het aanwezig zijn van concrete aanknopingspunten en niet om de daadwerkelijke mogelijkheid van overdracht. De situatie met betrekking tot Italië zal ook altijd weer kunnen veranderen. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat in zaken als hier het grensbewakingsbelang nog altijd prevaleert, omdat verweerder niet vooruit kan lopen op de vraag of de Italiaanse autoriteiten het claimverzoek ook daadwerkelijk accepteren. Verweerder verwijst naar het hoger beroepschrift dat is ingediend tegen de eerdergenoemde uitspraak van 13 augustus 2024.
5. De rechtbank leidt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 mei 2019 [3] af dat er binnen dezelfde wettelijke grondslag van artikel 6, derde lid, van de Vw sprake is van twee onderscheiden toepassingssituaties, elk met een eigen doel en motivering. In een geval zoals bij eiser, waarbij aanwijzingen bestaan dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, verblijft de vreemdeling in grensdetentie in afwachting van een mogelijke Dublinoverdracht.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Omdat verweerder in dit geval bij de oplegging van de maatregel al wist dat Dublinoverdracht naar Italië structureel niet-uitvoerbaar is, ontbrak er een concreet aanknopingspunt voor overdracht. De maatregel diende niet voor het bewerkstelligen van een mogelijke Dublinoverdracht. De bevoegdheid is dan ook ingezet voor een doel dat feitelijk niet kon worden bereikt. De opgelegde maatregel had daarmee geen deugdelijke wettelijke grondslag. Dat betekent dat de maatregel vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig was. De rechtbank is het eens met verweerder dat niet zonder meer hoeft vast te staan dat een overdracht daadwerkelijk zal gaan plaatsvinden. Voor toepassing van grensdetentie als hier moet er echter wel sprake zijn van een concreet aanknopingspunt voor overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Daarvan is in dit geval geen sprake.
7. Verder heeft de rechtbank ook oog voor het door verweerder te beschermen grensbewakingsbelang en begrijpt dat dit zwaar weegt. Tegelijkertijd is daar ook het eveneens grote belang van het recht op vrijheid. Nu bij aanvang al kon worden voorzien dat de vrijheidsontnemende maatregel uiteindelijk zou moeten worden opgeheven, ziet de rechtbank niet goed in waarom het ultimum remedium van vrijheidsontneming in een geval als dit is toegepast.
8. Dat de situatie ten aanzien van overdrachten aan Italië altijd kan veranderen is waar, maar verweerder heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat dit op korte termijn het geval zal zijn.
9. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van
14 januari 2026.
10. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 16 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) detentie van 16 x € 100,-- (verblijf detentiecentrum) = € 1.600,--.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,-- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van
14 januari 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.600,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 604/2013.