ECLI:NL:RBDHA:2026:3702

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
NL25.18921
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMWI 2020/16Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvraag familie en gezin wegens ontbreken beschermenswaardig gezinsleven

Eiser, een meerderjarige broer met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland voor het verblijfsdoel 'familie en gezin'. De aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat niet was vastgesteld dat tussen eiser en zijn in Nederland verblijvende broer sprake was van een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.

Eiser voerde aan dat er sprake was van hechte persoonlijke banden en dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door geen DNA-onderzoek te verrichten en onvoldoende rekening te houden met zijn vluchtachtergrond. De rechtbank oordeelde dat tussen meerderjarige broers alleen sprake is van gezinsleven als er een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat, wat in dit geval niet was aangetoond.

De rechtbank overwoog dat eiser sinds 2020 niet meer met zijn broer samenwoont, financieel zelfstandig is en geen verzorgende rol vervult. Ook het jongvolwassenenbeleid was niet van toepassing omdat eiser niet meer in gezinsverband met zijn ouders leeft. De vluchtachtergrond van eiser was niet doorslaggevend voor de beoordeling van de feitelijke afhankelijkheid.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard en het beroep afwijst. Er is geen sprake van een beschermenswaardig gezinsleven tussen eiser en zijn broer of ouders in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens ontbreken van beschermenswaardig gezinsleven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18921

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een mvv [1] voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen.
Bij besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1996 en heeft de Eritrese nationaliteit. Hij verblijft in Oman. Eiser is de gestelde broer van [referent] , die is geboren op [geboortedag 2] 2005 en in Nederland verblijft. Referent heeft op 11 november 2021 een aanvraag ingediend om verlening van een mvv met als doel verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [2] , teneinde eiser bij zich te laten verblijven. Referent heeft ook mvv-aanvragen ingediend ten behoeve van zijn ouders en overige gezinsleden.
2. Bij besluit van 23 april 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tussen eiser en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In het kader van de bezwaarprocedure is referent op 9 oktober 2024 gehoord. Bij besluit van 7 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij, onder verwijzing naar het primaire besluit, opnieuw overwogen dat tussen eiser en referent geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat geen sprake is van hechte persoonlijke banden dan wel bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke band tussen broers overstijgen.
4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat verweerder ten onrechte doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan het ontbreken van familierechtelijke documenten en had moeten overgaan tot DNA-onderzoek om de biologische relatie vast te stellen. Dat verweerder enerzijds het voordeel van de twijfel heeft gegeven, maar anderzijds geen nader onderzoek heeft verricht en de aanvraag op andere gronden heeft afgewezen, acht eiser onzorgvuldig. Verder heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen hem en referent. Zij hebben vanaf hun geboorte samengewoond, onderhouden regelmatig contact en ondersteunt eiser referent emotioneel. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 16 maart 2023, [3] stelt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van familie- of gezinsleven. Ook heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eiser vrijwillig naar Oman is vertrokken, nu hij Eritrea is ontvlucht om de militaire dienst te ontlopen en zich in Oman in een kwetsbare en onzekere positie bevindt. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte afgezien van een belangenafweging en dat zijn rechtspositie door het instellen van bezwaar niet slechter had mogen worden. Verweerder heeft ook ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen hem en zijn ouders. Eiser valt onder het jongvolwassenbeleid, nu hij geen zelfstandig gezin heeft gevormd en sprake is van emotionele afhankelijkheid. Verweerder had eiser zelf moeten horen over zijn relatie met zijn ouders. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eiser een sterke band met Eritrea heeft; hij is immers gevlucht voor de militaire dienst en loopt bij terugkeer een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beoordelingskader
5. Voorop staat dat tussen meerderjarige broers niet reeds op grond van de familierechtelijke relatie sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Uit vaste rechtspraak van het EHRM [4] volgt dat pas sprake is van een door artikel 8 van Pro het EVRM beschermd gezinsleven als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden tussen meerderjarige broers overstijgen. [5] Bij de beoordeling of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is een brede, feitelijke beoordeling vereist. Daarbij kunnen onder meer de (eerdere) samenwoning, de mate van financiële en praktische afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst een rol spelen. Dit beoordelingskader sluit aan bij hetgeen is neergelegd in WI [6] 2020/16.
6. De vraag of sprake is van een door artikel 8 van Pro het EVRM beschermd gezinsleven tussen meerderjarige familieleden is daarmee in essentie feitelijk van aard. Doorslaggevend is of in de concrete omstandigheden hechte, persoonlijke banden bestaan die verder gaan dan wat tussen meerderjarige familieleden gebruikelijk is. Daarbij wordt het geheel aan hiervoor genoemde factoren in onderlinge samenhang beoordeeld.
Familierechtelijke relatie
7. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat geen sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en referent. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat ook indien wordt uitgegaan van de gestelde familierechtelijke relatie tussen eiser en referent, geen sprake is van hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke emotionele banden tussen meerderjarig broers overstijgen. Daarmee is de familierechtelijke relatie niet bepalend voor de uitkomst van de aanvraag.
8. Gelet hierop heeft verweerder de familierechtelijke relatie in het midden mogen laten en heeft hij kunnen afzien van nader onderzoek, zoals DNA-onderzoek. Dat de biologische familieband niet is vastgesteld, maakt daarom niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig of onvoldoende is gemotiveerd.
Hechte persoonlijke banden
9. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser en referent sinds 2017 niet meer met elkaar hebben samengewoond. Dat eiser en referent in het verleden samen hebben gewoond vond plaats tijdens hun minderjarigheid binnen het ouderlijk gezin, hetgeen op zichzelf niet ongebruikelijk is en niet zonder meer wijst op een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Verder is niet gebleken dat eiser een ouder- of verzorgende rol ten opzichte van referent heeft vervuld. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat geen sprake is van financiële afhankelijkheid tussen eiser en referent. Uit het gehoor blijkt dat eiser in zijn eigen onderhoud voorziet en referent hem niet financieel onderhoudt, terwijl eiser op zijn beurt referent evenmin financieel ondersteunt. Ook is niet gebleken of gesteld dat sprake is van medische of andere praktische afhankelijkheid. Dat eiser en referent regelmatig contact onderhouden, elkaar missen en dat eiser referent adviserend ondersteunt, heeft verweerder niet ten onrechte onvoldoende geacht om een afhankelijkheidsrelatie aan te nemen die de gebruikelijke emotionele banden tussen meerderjarige broers overstijgt.
10. Eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 16 maart 2023, leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak was namelijk sprake van een meerderjarige broer die ten opzichte van zijn jongere, minderjarige broertjes een opvoedende en verzorgende rol vervulde, hetgeen een relevante aanwijzing vormde voor het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie. Van een dergelijke rol of afhankelijkheidsrelatie is in dit geval niet gebleken.
11. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat zijn vertrek uit Oman voortkwam uit een vluchtsituatie en dat zijn verblijf aldaar daarom niet aan hem mag worden tegengeworpen, volgt de rechtbank hem niet. Zoals volgt uit WI 2020/16 is voor de beoordeling bepalend of sprake is van een feitelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent. Verweerder heeft daarbij van belang mogen achten dat eiser sinds 2020 feitelijk buiten het gezin verblijft, in zijn eigen onderhoud voorziet en niet is gebleken dat eiser in zijn dagelijkse functioneren afhankelijk is van referent of referent van eiser. Tegen die achtergrond is de reden van eisers vertrek naar Oman niet van doorslaggevende betekenis voor de beoordeling of ten tijde van de besluitvorming sprake was van een actuele afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent.
Belangenafweging
12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat tussen eiser en referent geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat en dat daarom geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM wordt aangenomen. De beroepsgrond die zich richt tegen het ontbreken van een afzonderlijke belangenafweging slaagt niet. Omdat geen beschermingswaardig gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, was verweerder, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, niet gehouden een nadere belangenafweging te maken. [7]
13. Verder is de rechtbank niet gebleken van strijd met het verbod op het beginsel van
reformatio in peius. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat er in bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt, daaronder begrepen de vraag of sprake is van een familierechtelijke relatie of van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij komt dat verweerder zowel in het primaire besluit als in het bestreden besluit komt tot een afwijzing van de aanvraag. Er is daarom geen sprake van een verslechtering in de rechtspositie van eiser doordat verweerder in het bestreden besluit een ander standpunt inneemt over het bestaan van de feitelijke gezinsband dan wel het bestaan van een familierechtelijke relatie, dan in het primaire besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn ouders
14. Verweerder heeft in paragraaf B7/3.8.1. van de Vc [8] neergelegd onder welke voorwaarden bij een meerderjarig kind zonder bijkomende elementen van afhankelijkheid wordt aangenomen dat sprake is van beschermenswaardig gezinsleven met zijn ouders in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, het zogenoemde jongvolwassenenbeleid. Op grond van het jongvolwassenenbeleid wordt gezinsleven aangenomen indien het meerderjarige kind volwassen is, met zijn ouders in gezinsband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Indien niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan, beoordeelt verweerder of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op grond waarvan gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM moet worden aangenomen. Daarbij wordt, zoals ook volgt uit WI 2020/16, een feitelijke beoordeling gemaakt waarbij onder meer samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van betrokkenen worden betrokken.
15. De rechtbank is niet gebleken dat eiser onder het jongvolwassenenbeleid valt. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser sinds 2020 niet meer met zijn ouders in gezinsverband samenwoont, maar in Oman verblijft. Verder heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser in Oman werkt, in zijn eigen onderhoud voorziet en geen structurele financiële ondersteuning van zijn ouders ontvangt. Dat eiser wat zijn leeftijd betreft als jongvolwassene kan worden aangemerkt en geen zelfstandig gezin heeft gevormd, heeft verweerder niet doorslaggevend hoeven achten, nu niet is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid.
16. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat zijn vertrek uit Eritrea en zijn verblijf in Oman voortkomen uit een vluchtsituatie en dat de daaruit voortvloeiende zelfstandigheid hem daarom niet mag worden tegengeworpen, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het jongvolwassenenbeleid van verweerder volgt dat de redenen van de scheiding tussen een jongvolwassene en zijn ouders, waaronder een gedwongen vertrek wegens vlucht, een relevante omstandigheid vormt bij de beoordeling of nog sprake is van samenleving in gezinsverband. Een dergelijke omstandigheid kan ertoe leiden dat een jongvolwassene, ondanks feitelijke scheiding, nog tot het ouderlijk gezin wordt gerekend.
17. Dit neemt echter niet weg dat verweerder betekenis mag toekennen aan de duur en feitelijke invulling van de scheiding. Zoals reeds overwogen, is niet in geschil dat eiser sinds 2020 buiten het ouderlijk gezin verblijf en werkt om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet langer feitelijk in gezinsverband met zijn ouders leeft in de zin van het jongvolwassenenbeleid. Dat eiser zijn vertrek mede heeft ingegeven door een vluchtsituatie, heeft verweerder onder deze omstandigheden niet doorslaggevend hoeven achten.
18. Nu niet is gebleken dat eiser onder het jongvolwassenenbeleid valt, heeft verweerder terecht beoordeeld of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat niet is gebleken van samenwoning, financiële afhankelijkheid, medische afhankelijkheid of praktische verzorging. Uit de verklaringen van referent volgt bovendien dat eisers ouders financieel worden ondersteund door een in Zweden verblijvende broer. Dat eiser en zijn ouders regelmatig contact hebben en een emotionele band onderhouden, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie die de gebruikelijke banden tussen ouders en hun meerderjarige kind overstijgt. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven tussen eiser en zijn ouders in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
19. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat niet referent maar hijzelf had moeten worden gehoord over zijn relatie met zijn ouders, blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder zijn oordeel heeft gebaseerd op eisers gehele dossier en de verklaringen van referent, waarin de feitelijke leefsituatie van eiser uitvoerig is toegelicht. Eiser heeft niet nader toegelicht welke aanvullende informatie hij in een gehoor naar voren had kunnen brengen die tot een ander oordeel hadden kunnen leiden. Onder deze omstandigheden heeft verweerder in redelijkheid kunnen afzien van het horen van eiser.
20. Verweerder heeft dan ook terecht bepaald dat het bezwaar ongegrond is.
Conclusie
21. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de mvv-aanvraag van eiser terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.
22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 februari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
5.Volgt onder meer uit het arrest Azerkane van het EHRM van 2 september 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze lijn nader uitgelegd in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
6.Werkinstructie.
8.Vreemdelingencirculaire 2000.