ECLI:NL:RBDHA:2026:3707

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
09/260612-22
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 6 EVRMArt. 36f SrArt. 245 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meermalig seksueel misbruik van minderjarige stiefdochter

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het meermalig plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige stiefdochter, die destijds tussen twaalf en zestien jaar oud was. Het misbruik vond plaats tussen december 2021 en juli 2022 en bestond uit diverse seksuele handelingen, waaronder oraal, vaginaal en anaal binnendringen.

De bewijsvoering bestond uit de gedetailleerde en consistente verklaringen van het slachtoffer, DNA-onderzoek dat het contact tussen verdachte en slachtoffer bevestigde, en een chatgesprek op de telefoon van verdachte waarin het seksueel contact werd besproken. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer voldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal, waardoor het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kon worden verklaard.

Hoewel er sprake was van een vormverzuim bij het onderzoek aan de telefoon van verdachte zonder toestemming van de rechter-commissaris, leidde dit niet tot strafvermindering omdat geen daadwerkelijk nadeel voor verdachte was vastgesteld. De redelijke termijn was met ruim 16 maanden overschreden, wat resulteerde in een strafvermindering van 10%.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 65 maanden op, rekening houdend met de ernst van het misbruik, de afhankelijkheidsrelatie, het ontbreken van verantwoordelijkheid door verdachte en de impact op het slachtoffer. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €20.000 aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 december 2021, en werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte ten behoeve van de Staat.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 65 maanden gevangenisstraf en betaling van €20.000 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/260612-22
Datum uitspraak: 25 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1968 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 2 maart 2023 (regiezitting) en
11 februari 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Kampen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.P. Friperson naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2021 tot en met 28 juli 2022 te Leiderdorp en/of Almelo, althans in Nederland, met zijn minderjarig stiefkind [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten het een of meermalen:
- slaan op de (al dan niet ontblote) billen van die [aangeefster] , en/of
- ( over en/of onder de kleding) met zijn, verdachtes, handen aanraken/betasten, aaien en/of knijpen van de (al dan niet ontblote) borsten, vagina, billen en/of bovenbenen van die [aangeefster] , en/of
- kussen van de lippen, borsten, hals, rug, buik en/of vagina van die [aangeefster] , en/of
- bijten in de tepels van die [aangeefster] , en/of
- brengen/duwen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [aangeefster] , en/of
- brengen/duwen van zijn, verdachtes, tong in de mond, tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [aangeefster] , en/of
- brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond, tussen de schaamlippen en/of billen van die [aangeefster] , en/of
- brengen/duwen en/of (vervolgens) houden van en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in/tegen/over de vagina en/of anus van die [aangeefster] , en/of
- leggen van de hand van die [aangeefster] op zijn, verdachtes, penis, en/of
- zich laten pijpen door die [aangeefster] .

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde, met uitzondering van het onderdeel ‘zijn minderjarig stiefkind’ waarvoor zij een partiële vrijspraak heeft gevorderd.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet wettig en
overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3.
Partiële vrijspraak
De rechtbank zal, in navolging van de standpunten van de officier van justitie en de raadsvrouw, de verdachte partieel vrijspreken van het onderdeel ‘zijn minderjarig stiefkind’ in de tenlastelegging.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit (tenzij anders vermeld) de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2022223666, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 339).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 31 juli 2022, voor zover inhoudende (p. 65-72):
Aangever
Achternaam: [aangeefster]
Voornamen: [aangeefster]
Geboren: [geboortedatum 2] 2006
V: Sinds wanneer ben jij naar Nederland gekomen?
A: Dat was 13 juli 2021.
V: Waar ben je toen gaan wonen?
A: Op de [adres 1] .
V: Wie woont er nog meer op dit adres?
A: [verdachte] . Dit is de vriend van mijn moeder.
In december (
de rechtbank begrijpt: 2021) waren we thuis en was ik een film gaan kijken beneden. [verdachte] was ook beneden. [verdachte] kwam met zijn hoofd op mijn schoot liggen. [verdachte] ging met zijn hand naar mijn buik en begon me te kussen op mijn rug.
We gingen een keer naar de stad, met zijn vieren. [verdachte] kwam steeds achter me aan en hij sloeg me steeds op mijn kont.
Ik ging op een dag met [verdachte] naar de KFC, in de auto. Hij aaide en kneep in mijn bovenbeen. Hij verplaatste zijn hand naar mijn vagina. Hij ging daar ook aaien en knijpen.
Op een andere avond kwam [verdachte] naast me zitten. Hij begon me te kussen op mijn lip, bij mijn nek en mijn wangen. Vervolgens stopte hij zijn hand in mijn broek. Hij trok mijn broek en ondergoed naar beneden, hij begon me te kussen op mijn buik en borsten en daarna bij mijn vagina.
V: Op wat voor manier kuste [verdachte] je bij je vagina?
A: Een tongkus.
V: Wat deed [verdachte] met die tongkus bij je vagina?
A: Hij gaf me een tongkus bij mijn clitoris.
Op een middag, ik was vroeg uit. [verdachte] was ook vroeg thuis. Ik lag op mijn matras. [verdachte] kwam bij mij liggen. [verdachte] zei tegen mij dat hij me wilde neuken. [verdachte] stond op. [verdachte] had een condoom gepakt. Hij kneep weer aan mijn borsten. [verdachte] ging mij vervolgens helemaal uitkleden. [verdachte] stopte zijn vinger in mijn vagina. Hij ging mij een tijdje vingeren.
Op een dag was ik ongesteld en hij kwam naar mij toe en hij zei dat hij me wilde neuken. Ik zei tegen hem: "Dat kan niet" “Ik ben ongesteld". Hij zei tegen mij “Dat vind ik niet erg" Ik zei tegen hem: " Maar dat vind ik vies" Ik weet niet of ik hem goed heb begrepen maar hij zei: "Dan gaan we lekker soppen". Hij begon me weer te neuken en toen kwam hij vervolgens weer klaar in mij.
Op de 23 (
de rechtbank begrijpt: juli 2022) voelde ik een knobbel aan de binnenkant van mijn schaamlippen, daar maakte ik mij zorgen over.
2. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever [aangeefster] , opgemaakt op 12 november 2022 (p. 258-264):
Ik lag op de bank en toen kwam [verdachte] naast mij zitten op de bank. [verdachte] vroeg aan mij of ik seks wilde. Ik zei tegen hem dat ik dat niet wilde, ik was ongesteld. Toen zei [verdachte] tegen mij: ''Dan doen we het in het andere gaatje''. Hij zei tegen mij: "Keer je om." En ik wilde dat niet. Toen ik op stond trok [verdachte] aan mijn hand. Hierdoor viel ik op de bank, niet op mijn rug maar op mijn buik. Toen trok hij zijn broek uit. Daarna trok [verdachte] mijn broek uit. Toen deed hij weer hetzelfde wat hij eerder had gedaan. Hij kwam ook nog klaar, in mij. Ik had veel pijn toen het gebeurde en ik kon niet lopen.
V: Jij zei dat hij toen weer deed wat hij eerder had gedaan. Wat bedoel jij daarmee?
A: Dat hij forceerde zijn penis in mijn kont gat te doen. Hij probeerde zijn penis erin te duwen.
V: Is het [verdachte] gelukt om zijn penis in jouw kont gat te duwen?
A: Ja.
Mijn moeder kreeg een eigen appartement. Wij waren naar dat appartement gegaan. [verdachte] kwam naar mij toe en gaf mij een knuffel van achter. Vervolgens keerde hij mij om naar hem toe. Toen vroeg [verdachte] mij: "Wil jij mij pijpen." Toen hield hij mijn hand vast, zeg maar, hij zette mijn hand bij zijn penis. Toen zei ik tegen hem dat ik niet in the mood was voor dit, dus ik liep weg. Na een tijdje kwam [verdachte] weer naar mij toe. Toen fluisterde hij in mijn oor: "Alsjeblieft, pijp me." En toen stond ik op. [verdachte] duwde mij met zijn handen tegen de muur aan. Hij deed toen zijn broek uit en zei tegen mij: "ga op je knieën." Dus ik ging uiteindelijk op mijn knieën en [verdachte] stopte zijn penis in mijn mond. Toen wilde hij dat ik hem zou pijpen. Dus ik deed dat ook. Na een tijdje kwam hij klaar in mijn mond. Ik heb geen ervaring met dit
soort dingen, dat hij ook klaarkwam in mijn mond. Ik vond dat gewoon vies.
V: Waar waren jullie toen dit gebeurde?
A: Dat was in [plaats] . [adres 2] .
V: Je zei dat het twee keer is gebeurd dat [verdachte] zijn piemel in jouw mond deed. Hoe
ging die tweede keer?
A: Precies op dezelfde manier, ook tegen de muur. In hetzelfde appartement. Ook toen heeft [verdachte] mij vastgepakt bij mijn hoofd.
3. Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, opgemaakt op 29 juli 2022, voor zover inhoudende (p. 9-12):
Op 28 juli 2022 lag ik boven op zolder te slapen en [verdachte] kwam naar zolder. Ik droeg een slaapjurk en [verdachte] kwam naast mij liggen en begon mijn lichaam aan te raken. Hij ging hierbij met zijn handen ook naar mijn borsten en heeft daar in geknepen. Hij maakte ronde bewegingen met zijn vinger boven de opening van mijn vagina. Hij is niet met zijn vingers in mijn vagina gegaan. Hij heeft ook nog in mijn tepels gebeten en dit voelde ik ook. [verdachte] zei dat hij een condoom ging halen en deed deze om zijn penis. Ik lag op mijn rug op het matras en hij kwam op mij liggen en deed zijn penis in mijn vagina. Dit duurde ongeveer 3 minuten en toen kwam hij klaar in het condoom.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 augustus 2022, voor zover inhoudende (p. 278-279):
Proces-verbaal forensisch medisch onderzoek (FMO)
Ik, verbalisant, [verbalisant 1] , brigadier van politie, werkzaam als senior forensische opsporing van Dienst Regionale Recherche, Afdeling Specialistische Ondersteuning, Team Forensische Opsporing van Politie Eenheid Den Haag, verklaar het volgende:
Op 29 juli 2022 uur kwam ik, naar aanleiding van een seksueel misbruik, voor forensisch onderzoek aan op de locatie.
Betrokkene
Slachtoffer
Achternaam: [aangeefster]
Voornamen: [aangeefster]
Geboortedatum: [geboortedatum 2] 2006
Het FMO werd uitgevoerd door M.M. Mulders, arts bij de Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond (FARR). Door Mulders werden, middels een zedenkit, vanaf het slachtoffer diverse bemonsteringen afgenomen.
Biologisch spoor
Spoornummer: PL1500-2022223666-134336
SIN: ZAAE2266NL
Wijze veiligstellen: Zedenkit
Plaats veiligstellen: Zedenkit slachtoffer
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 januari 2023, voor zover inhoudende (308-310):
Wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , verklaren het volgende:
Op 25 september 2022 hebben wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , beiden werkzaam als forensisch onderzoeker bij Team Forensische Opsporing (TFO) van politie eenheid Den Haag, onderzoek verricht aan twee onderlakens in verband met seksueel misbruik van een minderjarige.
Op vrijdag 29 juli 2022 is er bij de afdeling Zeden van politie eenheid Den Haag een melding gedaan door een 15 jarig meisje / slachtoffer. Vanaf februari 2022 is er meerdere malen seks geweest, tegen de zin van het slachtoffer, met haar stiefvader. Het slachtoffer sliep op de zolder in de woning van haar stiefvader. Na melding heeft het slachtoffer met haar moeder de woning verlaten. Bij het verlaten van de woning heeft de moeder de onderlakens welke op het matras lagen meegenomen. Deze heeft zij op een later tijdstip overhandigd aan de behandelend rechercheur.
Bevindingen
Onderzoek laken 2:
Wij hebben:
* het laken onderzocht met een forensische lichtbron;
* 3 fluorescerende vlekken waargenomen in het midden en aan de rechterzijde van het laken (bovenzijde van het laken);
* de vlekken, mogelijke spermavlekken, bemonsterd;
* twee van de bemonsteringen testte positief;
* de geteste bemonsteringen gewaarmerkt en voorzien van een SIN AANC4985NL
en AANC4986NL.
Biologische sporen
Spoornummer: PL1500-2022223666-136046
SIN: AANC4986NL
Spooromschrijving: Sperma
Plaats veiligstellen: Uitgeknipt deel van onderlaken met regenbogen / midden rechts
6. Een geschrift, te weten het deskundigenrapport van het TMFI, opgemaakt op 10 juli 2024, voor zover inhoudende (ongenummerd):
Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van celmateriaal
Buitenste
schaamlippen
ZAAE2266NL#01FOC
Enkelvoudig Y-chromosomaal DNA-profiel
verdachte [verdachte]
Hypothese 1: de bemonstering bevat DNA van verdachte [verdachte] of een andere man in de mannelijke lijn van de verdachte.
Hypothese 2: de bemonstering bevat DNA van een willekeurige niet verwante man.
De resultaten van het onderzoek zijn ongeveer 8.359.019 keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.
7. Een geschrift, te weten het deskundigenrapport van het TMFI, opgemaakt op 24 mei 2023, voor zover inhoudende (ongenummerd):
Bemonstering
DNA-profiel
Mogelijke donor van celmateriaal
Deel hoeslaken
AANC4986NL#01SF
spermafractie
DNA-profiel van een man.
De frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.
verdachte [verdachte]
8. Een geschrift, te weten een NFI rapport, opgemaakt op 16 september 2025, voor zover inhoudende (ongenummerd):
ZAAE2266NL#04
linkerborst aangeefster
nat en droog
autosomaal DNA kan afkomstig zijn van:
minimaal drie personen:
een relatief grote hoeveelheid DNA:
- slachtoffer [aangeefster]
een relatief kleine hoeveelheid DNA:
- verdachte [verdachte]
- minimaal één andere persoon
Y-chromosomaal DNA kan afkomstig
zijn van:
minimaal één man (zie Toelichting 4):
- verdachte [verdachte]
Bewijskracht:
- niet berekend
-ten minste 110 duizend
- niet van toepassing
- zeer veel waarschijnlijker. Hiermee
bevestigt het Y-chromosomaal DNA-onderzoek de
uitkomsten van het autosomaal DNA-onderzoek
ten aanzien van verdachte [verdachte] .
ZAAE2266NL#05
rechterborst aangeefster
nat en droog
autosomaal DNA kan afkomstig zijn van:
minimaal drie personen:
een relatief grote hoeveelheid DNA:
- slachtoffer [aangeefster]
een relatief kleine hoeveelheid DNA:
- verdachte [verdachte]
- minimaal één andere persoon
Bewijskracht:
- niet berekend
- ten minste 11 duizend
- niet van toepassing
Hypothese 1: Het (of een deel van het) mannelijke DNA in bemonstering ZAAE2266NL#04 is afkomstig van verdachte [verdachte] of van een in de mannelijke lijn aan verdachte [verdachte] verwante man.
Hypothese 2: Het (of een deel van het) mannelijke DNA in bemonsteringe ZAAE2266NL#04 is afkomstig van een willekeurig gekozen man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan verdachte [verdachte] .
Het (afgeleide) Y-chromosomale DNA-profielen van de bemonstering ZAAE2266NL#04 is zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
DNA-mengprofiel ZAAE2266NL#05 is ten minste 11 duizend keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [aangeefster] , verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [aangeefster] en twee willekeurige onbekende personen.
9. Een geschrift, te weten een NFI rapport, opgemaakt op 18 december 2025, voor zover inhoudende (ongenummerd):
Hypothese 1: Verdachte heeft seksuele handelingen uitgevoerd bij aangeefster.
Hypothese 2: Verdachte en aangeefster hebben nooit seksuele interactie gehad.
Op basis van de overwegingen acht ik de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek in deze zaak, gegeven de overige gedane aannamen en verkregen contextinformatie, circa 6 keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
Dit betekent dat de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek iets waarschijnlijker zijn wanneer verdachte de seksuele handelingen heeft uitgevoerd bij aangeefster (hypothese 1) dan wanneer hij die handelingen niet heeft uitgevoerd (hypothese 2).
10. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 augustus 2022, voor zover inhoudende (p. 135-136):
Ik, verbalisant, [verbalisant 3] verklaar het volgende:
In de telefoon data van de Samsung S20 zag ik een Snapchat chatgesprek tussen [bedrijf] (owner) en een account met de gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] met keyuserid [nummer] .
In dit chatgesprek las ik het volgende
[Opmerking rechtbank: uit de schermafbeeldingen bij dit proces-verbaal volgt dat dit chatgesprek op 23 juli 2022 plaatsvond]:
[gebruikersnaam 1] - Het is al 2/3 dagen dat ik n knobbeltje voel .. like aan me schaamlippen. Aan de binnen kant. En ik weet niet what the f het is, is gewoon iets of is et kanker of is het soa. Ik heb het gedaan met jou maar niet dat ik jou de schuld geeft hiervoor
[bedrijf] - Zins je ongesteld ben geweest hebben we niks gedaan dus soa is het niet.
[gebruikersnaam 1] - We hebben 1 keer gedaan toen ik ongesteld was dat weet jij nog toch.
[bedrijf] - Oh ja met condoom.
[bedrijf] - Dus geen soa.
[gebruikersnaam 1] - NEE.
[gebruikersnaam 1] - We deden het 1 keer zonder condoom en ik was ongesteld die avond.
[gebruikersnaam 1] - Oke.
[bedrijf] - Oke.
Na het lezen van dit Snapchat gesprek heb ik in de Data van de telefoon van de aangeefster [aangeefster] gekeken om te kijken naar haar Snapchat User account. In de Data zag ik dat zij als Snapchat account de username [gebruikersnaam 2] gebruikt. Ik zag ook dat het Snapchat account met username [gebruikersnaam 2] geregistreerd staat met de keyuserid [nummer] . Deze keyuserid komt overeen met die van [gebruikersnaam 1] , waarmee [bedrijf] het hierboven omschreven Snapchat gesprek voerde.
11. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 11 februari 2026, voor zover inhoudende:
[verdachte] is mijn roepnaam. Ik gebruik het Snapchataccount met de naam “ [bedrijf] ”.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank het volgende voorop. Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken en kenmerken zich doorgaans doordat doorgaans slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (gestelde) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Veelal is het ook zo dat de (belastende) verklaring van het vermeende slachtoffer lijnrecht tegenover de (ontkennende) verklaring van de verdachte staat. Getuigen van de gebeurtenissen zijn er vaak niet. Ook in deze zaak is dit het geval.
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (zie in dit verband ook de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, o.a. ECLI:NL:HR:2020:637).
Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring ‘niet op zichzelf staat’, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. Tussen de verklaringen van het vermeende slachtoffer en het overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
De rechtbank zal eerst toetsen of de verklaring van [aangeefster] op zichzelf beschouwd betrouwbaar kan worden geacht. De rechtbank zal – indien zij tot de conclusie zou komen dat die verklaring betrouwbaar is – vervolgens beoordelen of de verklaring van [aangeefster] in voldoende mate wordt gesteund door ander bewijs.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster]
De rechtbank overweegt dat de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] dient plaats te vinden aan de hand van onder meer de authenticiteit, concreetheid en gedetailleerdheid daarvan. Daarbij is ook van belang of de verklaringen consistent zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [aangeefster] authentiek, gedetailleerd en consistent zijn. Zij neemt daarbij het volgende in aanmerking. Na het laatste incident op 28 juli 2022 heeft [aangeefster] haar moeder die middag verteld wat er gebeurd was. Op 29 juli 2022 heeft de tante van [aangeefster] , [naam] , melding gedaan bij de Zedenpolitie van misbruik van [aangeefster] door haar stiefvader, [verdachte] , Op vrijdag 29 juli 2022 werd met [aangeefster] een informatief gesprek gehouden. [aangeefster] is daarna meermaals door de politie en éénmaal bij de rechter-commissaris gehoord. Zij heeft hierbij consistent verklaard dat de verdachte sinds december 2021, nadat zij in juli dat jaar bij haar moeder en de verdachte is komen wonen, seksuele toespelingen begon te maken. Hij begon haar aan te raken op haar billen, buik, borsten en uiteindelijk vagina en kuste haar (daarbij) ook. In maart 2022 gingen deze aanrakingen over in vaginale seks, wat sindsdien meermalen heeft plaatsgevonden. Later heeft ook orale en anale seks plaatsgevonden. [aangeefster] heeft verschillende concrete incidenten beschreven en heeft hierbij zeer gedetailleerd verklaard ten aanzien van de door de verdachte verrichte handelingen en de omstandigheden waaronder deze handelingen door hem werden verricht. Voorts verklaart zij plaatsen waaraan zij de incidenten kan koppelen, zoals de woning van haar moeder of in de auto bij de KFC. Bovendien heeft [aangeefster] een verklaring afgelegd over hoe zij het misbruik heeft ervaren. Zij heeft beschreven dat zij pijn heeft ervaren bij verschillende incidenten, zelfs zodanig dat zij niet meer kon lopen van de pijn, en dat zij bepaalde gebeurtenissen vies vond, zoals het klaarkomen van de verdachte in haar mond. Ook uitspraken van de verdachte die [aangeefster] heeft benoemd, zoals ‘lekker soppen’ om seks tijdens ongesteldheid te beschrijven, dragen bij aan het oordeel van de rechtbank dat de verklaringen van [aangeefster] niet alleen gedetailleerd en consistent zijn, maar ook authentiek.
De rechtbank constateert dat [aangeefster] over bepaalde gebeurtenissen of omstandigheden ten aanzien van het misbruik soms wisselend heeft verklaard, bijvoorbeeld over de eerste keer vaginale seks, maar ook het aantal keren anale seks. Anders dan de verdediging heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat in verklaringen op sommige punten verschillen voorkomen, deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar maken. Deze verschillen kunnen goed hun oorzaak vinden in de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht door emoties als gevolg van het delict, tijdsverloop of de persoon van het slachtoffer. De rechtbank vindt de hiervoor genoemde – geringe – verschillen in de verklaringen van [aangeefster] , mede gelet op haar jonge leeftijd ten tijde van het misbruik, de duur van het misbruik en de frequentie van het misbruik niet afdoen aan de betrouwbaarheid. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verklaringen van [aangeefster] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Steunbewijs
De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de betrouwbaar geachte verklaringen van [aangeefster] in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijsmateriaal afkomstig van een andere bron. De rechtbank beantwoordt ook die vraag bevestigend en neemt daarbij de volgende bewijsmiddelen in aanmerking.
De deskundigenrapportages forensisch DNA-onderzoek
Het TMFI heeft onder meer onderzoek gedaan naar een Y-chromosomaal DNA-profiel dat op de buitenste schaamlippen van de aangeefster is aangetroffen. Het TMFI heeft geconcludeerd dat het 8.359.019 keer waarschijnlijker is dat de bemonstering DNA bevat van de verdachte of een andere man in de mannelijke lijn van de verdachte, dan dat deze cellen van een willekeurige, niet aan de verdachte verwante man zijn. Dit geldt eveneens voor het Y-chromosomaal DNA-profiel op de linkerborst van de aangeefster en het autosomaal DNA-mengprofiel op de rechterborst van de aangeefster. Het NFI concludeerde namelijk dat het Y-chromosomale DNA profiel op de linkerborst van de aangeefster zeer veel waarschijnlijker is als het DNA afkomstig is van de verdachte of een andere man in de mannelijke lijn van de verdachte, dan dat deze cellen van een willekeurige, niet aan de verdachte verwante man zijn. Ten aanzien van autosomaal DNA-mengprofiel op de rechterborst van de aangeefster ten minste 11 duizend keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van de aangeefster, de verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van de aangeefster en twee willekeurige onbekende personen.
Voorts heeft het TMFI onderzoek gedaan naar sperma dat is aangetroffen op het hoeslaken dat op het bed van de aangeefster lag tijdens het laatste seksuele contact. Hierover concludeerde het TMFI dat de frequentie van het DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard, wat betekent dat het DNA-profiel een miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van de verdachte dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige niet-verwante persoon.
Bovendien heeft het NFI geconcludeerd dat de resultaten van het onderzoek naar alle biologische sporen en DNA-onderzoek iets waarschijnlijker zijn wanneer de verdachte de seksuele handelingen heeft uitgevoerd bij aangeefster dan wanneer hij die handelingen niet heeft uitgevoerd.
De DNA-rapportages in samenhang bezien weerspreken naar het oordeel van de rechtbank de verklaringen van de verdachte dat hij geen seksueel contact heeft gehad met de aangeefster en bevestigen de verklaring van de aangeefster.
Het Snapchatgesprek tussen de verdachte en [aangeefster]
De verklaringen van de [aangeefster] vinden eveneens steun in het Snapchatgesprek dat op de telefoon van de verdachte is aangetroffen. Dit is voldoende redengevend om als steunbewijs te dienen voor de aangifte. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat uit het chatgesprek op 23 juli 2022 tussen de verdachte en [aangeefster] blijkt dat zij schrijft al een aantal dagen een knobbel te voelen tussen haar schaamlippen. Dit komt overeen met de daarover bij de politie afgelegde verklaring van [aangeefster] . [aangeefster] schrijft in de chat dat ze bang is dat het kanker is of een soa en zegt dan: “ik heb het gedaan met jou maar niet dat ik jou de schuld geeft hiervoor.” Als ze vervolgens schrijft dat ze bang is dat haar moeder er nu achter zal komen dat zij geen maagd meer is, antwoordt de verdachte: “Je heb je vinger erin gestopt moet je zeggen als ze verder vraagt.” De verdachte ontkent in dit chatgesprek niet dat hij seks heeft gehad met [aangeefster] . Hij schrijft “sinds je ongesteld ben geweest hebben we niks gedaan dus soa is het niet”. Wanneer [aangeefster] hem eraan herinnert dat zij het één keer hebben gedaan toen zij ongesteld was, schrijft hij: “Oh ja met condoom.”
De rechtbank is van oordeel dat deze Snapchatberichten de verklaring van [aangeefster] bevestigen dat de verdachte seks met haar heeft gehad.
Voor zover de verdachte de mogelijkheid heeft geopperd dat iemand anders gebruik heeft gemaakt van zijn telefoon, is dit verweer niet geconcretiseerd. De rechtbank zal hier verder niet op in gaan.
Conclusie
Concluderend acht de rechtbank, gelet op de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op
meerderetijdstippen in de periode van 1 december 2021 tot en met 28 juli 2022 in Nederland, met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
meerdereontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten het een of meermalen:
- slaan op de billen van die [aangeefster] , en
- over en/of onder de kleding met zijn, verdachtes, handen aanraken/betasten, aaien en/of knijpen van de (al dan niet ontblote) borsten, vagina, billen en bovenbenen van die [aangeefster] , en
- kussen van de lippen, borsten, hals, rug, buik en vagina van die [aangeefster] , en
- bijten in de tepels van die [aangeefster] , en
- brengen/duwen van zijn, verdachtes, vingers tussen de schaamlippen en/of in de vagina van die [aangeefster] , en
- brengen/duwen van zijn, verdachtes, tong tussen de schaamlippen, en
- brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond, tussen de schaamlippen en/of billen van die [aangeefster] , en
- brengen/duwen en/of (vervolgens) houden van en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en anus van die [aangeefster] , en
- leggen van de hand van die [aangeefster] op zijn, verdachtes, penis, en
- zich laten pijpen door die [aangeefster] .
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 65 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot een
bewezenverklaring komt, de straf gematigd zou moeten worden, omdat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu zonder toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is verricht aan de telefoon van de verdachte. Voorts heeft zij gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van [aangeefster] , gedurende ruim een halfjaar. Het misbruik begon toen zij pas vijftien jaar oud was. Op meerdere momenten hebben er ontuchtige handelingen plaatsgevonden en is de verdachte zowel oraal, vaginaal als anaal bij het slachtoffer binnengedrongen. Daarbij was er sprake van onbeschermde seks, met alle risico’s op ziektes of zwangerschap. Dit alles vond plaats in het huis waar de verdachte en het slachtoffer woonden. Dit had juist een veilige plek voor haar moeten zijn. Met zijn handelen heeft de verdachte een buitengewoon ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [aangeefster] . De verdachte heeft [aangeefster] de mogelijkheid ontnomen om zich op een normale, leeftijdsadequate manier seksueel te ontwikkelen. De verdachte heeft daarbij op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat [aangeefster] in hem had als stiefvader en van haar kwetsbaarheid. [aangeefster] zag in de verdachte een persoon die haar steun kon bieden, nu zij pas kort in Nederland woonde en haar moeder destijds ernstig ziek was. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik een grote impact heeft op jonge slachtoffers daarvan en dat dit ook op latere leeftijd nog kan leiden tot psychische en relationele problemen. Uit de slachtofferverklaring van [aangeefster] blijkt dat zij door het misbruik haar vertrouwen in mannen en veiligheidsgevoel is verloren en dat dit tot op de dag van vandaag veel invloed heeft op haar dagelijks leven, relaties, haar zelfbeeld en toekomst.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport over de verdachte van 22 februari 2023, waaruit volgt dat er geen duidelijke aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat er ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een stoornis, maar dat dit ook niet kan worden uitgesloten. Tevens is er geen zicht gekregen op mogelijke problematiek op het gebied van seksualiteit en daarmee ook niet op een eventueel verband tussen problematiek en delict. Specifieke aanbevelingen met het oog op beperking van het recidivegevaar kunnen daarmee ook niet gegeven worden, alhoewel begeleiding mogelijk wel van meerwaarde zou kunnen zijn.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 23 februari 2023, waaruit volgt dat er geen inschatting kan worden gemaakt van het recidiverisico. Desondanks ziet de reclassering aanknopingspunten voor de inzet van interventies gericht op controle en behandeling. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met een meldplicht, ambulante behandeling en contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarden.
Strafvermindering in verband met vormverzuim?
De raadsvrouw heeft betoogd dat er sprake is van een vormverzuim nu zonder toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is verricht aan de telefoon van verdachte. Dit heeft een schending opgeleverd van de persoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in artikel 8 EVRM Pro en zou derhalve moeten leiden tot strafvermindering. De raadsvrouw heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409).
De rechtbank stelt voorop dat uit het door de raadsvrouw aangehaalde arrest van de Hoge Raad volgt dat bij elke vorm van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt, een voorafgaande toetsing van de rechter-commissaris is vereist (naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830, in de zaak ‘Landeck’). Hierbij geldt verder dat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer al geen sprake meer is als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of een andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie en gevoelige gegevens).
Overeenkomstig het standpunt van de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een vormverzuim. Bij het onderzoek aan de telefoon viel een meer dan beperkte inbreuk te voorzien op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Hoewel het Landeck-arrest en de daarop volgende uitspraak van de Hoge Raad nog niet waren gewezen ten tijde van het onderzoek aan deze telefoon, gaat het niet om nieuw recht, maar om uitleg van reeds bestaand recht. De rechter-commissaris had toestemming moeten geven, voordat dit onderzoek mocht worden uitgevoerd.
Om te bepalen of deze schending moet leiden tot strafvermindering, heeft de rechtbank beoordeeld of het aannemelijk is dat de verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending heeft ondervonden, dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.
In het kader van de beoordeling van de vraag of de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, overweegt de rechtbank dat ook een schending van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als zodanig onder omstandigheden een voldoende concreet nadeel kan opleveren.
In beginsel is hiervan in het onderhavige geval sprake. De rechtbank neemt echter in aanmerking dat er sprake was van een onderzoek naar een ernstig strafbaar feit en dat de aard van het feit een onderzoek aan de telefoon rechtvaardigde. Indien de machtiging van de rechter-commissaris (op de juiste wijze) zou zijn aangevraagd, zou deze naar alle waarschijnlijkheid zijn verkregen. De verdachte is derhalve door het vormverzuim niet in een nadeliger positie geraakt ten opzichte van de situatie dat dit verzuim niet zou zijn begaan.
Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat vanwege het ontbreken van enig daadwerkelijk nadeel strafvermindering geen gerechtvaardigd rechtsgevolg van het vormverzuim is, zodat de rechtbank volstaat met de constatering van het vormverzuim.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. De verdachte is 11 oktober 2022 in verzekering gesteld. De rechtbank zal op 25 februari 2026 vonnis wijzen. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met ruim 16 maanden, overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben en dat met een korting van 10% voldoende recht wordt gedaan aan voornoemde overschrijding.
De op te leggen straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor een ontuchtige handeling bij een minderjarige waarbij er sprake is van oraal, vaginaal of anaal binnendringen met een geslachtsdeel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 tot 54 maanden (tweeëneenhalf tot viereneenhalf jaar).
In strafverzwarende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende omstandigheden.
  • De verdachte heeft in de periode van ruim een half jaar meermalen seksuele handelingen heeft verricht bij [aangeefster] die onder meer, zeker 12 keer, bestonden uit het vaginaal, oraal en zelfs anaal seksueel binnendringen.
  • Andere seksuele handelingen hebben vaker plaatsgevonden, waarbij sprake was van een opbouw in de ernst van de handelingen.
  • Daarnaast vond het misbruik voornamelijk plaats bij de verdachte en [aangeefster] thuis en dit is juist de plek waar het [aangeefster] zich veilig had moeten kunnen voelen.
  • In het verlengde daarvan neemt de rechtbank het de verdachte kwalijk dat sprake was van een afhankelijkheidsrelatie en dat hij een positie van gezag, verzorging en veiligheid innam. Hij heeft ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat [aangeefster] in hem had moeten kunnen hebben.
  • Verder heeft de verdachte geen condoom gebruikt, waardoor [aangeefster] risico liep op zwangerschap en besmetting met ziektes.
  • De rechtbank weegt ook mee dat de verdachte [aangeefster] heeft ontmaagd en dat hij haar hierna een morning-afterpil heeft laten innemen.
  • Bovendien heeft de verdachte het slachtoffer laten beloven het misbruik geheim te houden.
Tot slot rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij tot dusver geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen.
De rechtbank is, gelet op de zojuist genoemde omstandigheden, van oordeel dat het voornoemde uitgangspunt in het nadeel van de verdachte moet worden verhoogd tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 72 maanden (zes jaar). Hierop zal de rechtbank zeven maanden in mindering brengen, in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 65 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. Deze straf komt overeen met de eis van de officier van justitie.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen, nu de grond(en) als bedoeld in artikel 67a van het Wetboek van Strafvordering niet langer bestaan.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering te matigen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Uit de gegeven onderbouwing blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van dit feit psychische klachten heeft opgelopen. Uit de toelichting op de vordering volgt dat de benadeelde partij sinds het tenlastegelegde feit kampt met ernstige psychische klachten, waaronder angst, spanning, schaamte, slaapproblemen, herbelevingen en terugtrekking uit sociale situaties. Er is bij haar sprake geweest van stressklachten passend bij een PTSS-beeld. Door de intensieve traumagerichte behandelingen die zij heeft gevolgd, heeft zij forse emotionele ontregeling ervaren. Overigens brengen de aard, frequentie en de ernst van het door de verdachte gepleegde feit mee dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing voor de benadeelde partij kan worden aangenomen dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Dit kan aan de verdachte worden toegerekend.
Voor de begroting van de schade die hieruit voortvloeit heeft de rechtbank de Rotterdamse
schaal als hulpmiddel gebruikt. In deze schaal is een categorisering gemaakt per
normschending. De rechtbank neemt conform de uitgangspunten bij het werken met de Rotterdamse schaal bij de begroting van de schade het structureel seksueel binnendringen door een gezagsdrager binnen een afhankelijkheidsrelatie als uitgangspunt waarvoor een indicatieve bandbreedte geldt van € 12.500,- tot € 26.000,-.
De immateriële schade wordt naar billijkheid begroot op € 20.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard, frequentie en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de jonge leeftijd van de benadeelde partij en de afhankelijkheidsrelatie. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 20.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 december 2021, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenvergoeding
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangeefster] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
65 (vijfenzestig) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 20.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2021 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 december 2021 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangeefster] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.L. Harmsen, voorzitter,
mr. C.W. de Wit, rechter,
mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Molenaar, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2026.