ECLI:NL:RBDHA:2026:3827

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
AWB 25/8226 en AWB 25/21277
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:84 AwbArt. 3.71a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf als gezinslid wegens niet voldoen aan inburgeringsplicht

Eiser, een Iraakse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij zijn Nederlandse echtgenote. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de inburgeringsplicht en zijn aanvraag niet vanuit het buitenland had ingediend. Eiser voerde in beroep aan dat vanwege de medische situatie van zijn echtgenote, die niertransplantaties heeft ondergaan, hij onmisbaar is en niet naar het buitenland kon reizen voor inburgering en aanvraag.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat de zorg voor de referent specifiek door hem moest worden verleend en dat de medische situatie geen belemmering vormde voor terugkeer naar Irak. Tevens was vastgesteld dat eiser niet had voldaan aan het inburgeringsvereiste en geen ontheffing had gekregen. De belangenafweging tussen het gezinsleven en het Nederlandse toelatingsbeleid werd door de rechtbank als zorgvuldig en evenwichtig beoordeeld.

De rechtbank concludeerde dat de minister de hoorplicht niet had geschonden, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren ingebracht in bezwaar. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, waarmee het bestreden besluit in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/8226 en AWB 24/21277
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’ Ook beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 op het bezwaar van eiser, is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, referente en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Iraakse nationaliteit. Eiser wenst verblijf bij zijn echtgenote, mw. [referente] (referente), die de Nederlandse nationaliteit heeft. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht en ook niet heeft aangetoond dat hij in aanmerking komt voor ontheffing daarvan. Daarnaast heeft eiser zijn aanvraag niet in zijn land van herkomst of bestendig verblijf afgewacht. Eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij eerder rechtmatig in Duitsland verbleef en daarnaast is uit zijn verklaringen gebleken dat hij al geruime tijd in Nederland verblijft. Ook de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [2] is in het nadeel van eiser en referente uitgevallen.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met de medische situatie van referente. Zij heeft namelijk een nieraandoening en heeft om die reden niertransplantaties gehad die tot complicaties hebben geleid. Verweerder heeft miskend dat de aanwezigheid van eiser onmisbaar is voor referente omdat hij zorgtaken verricht en steun biedt. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM omdat vanwege de medische situatie van referente niet van eiser verwacht mag worden dat hij naar het buitenland gaat om in te burgeren en een mvv aan te vragen. Om dezelfde reden moest eiser ontheven worden van het mvv-vereiste en het inburgeringsexamen buiten Nederland. De gemaakte belangenafweging is onevenredig omdat eisers belangen zwaarder moeten wegen dan de algemene en abstracte belangen van de Nederlandse Staat. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
5. Niet in geschil tussen partijen is dat eiser zonder verblijfsvergunning in Nederland verblijft. Wel is in geschil of verweerder van hem mocht verwachten dat hij terug zou reizen naar Irak om daar zijn mvv aan te vragen en de inburgering te doorlopen. In de verschillende gronden heeft eiser steeds gewezen op de gezondheidstoestand van referente en betoogd dat van hem daarom niet mag worden verwacht dat hij haar in Nederland achterlaat om naar Irak te reizen.
6. De rechtbank begrijpt dat het voor referente belangrijk is dat haar partner bij haar is en haar kan bijstaan. Het is echter niet gebleken dat referente de zorg die zij nodig heeft, specifiek van eiser moet krijgen. De rechtbank vindt hierbij van belang dat eiser en referente geen stukken naar voren hebben gebracht waaruit blijkt dat referente specifiek door eiser moet worden verzorgd. Dit volgt niet uit de verklaring van de huisarts dat mantelzorg referente op termijn kan helpen, omdat daarin niet wordt gespecificeerd van wie referente mantelzorg zou moeten krijgen. Verweerder heeft er daarom op mogen wijzen dat de nodige zorg ook (tijdelijk) door anderen kan worden verleend.
7. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de medische situatie van referente er niet aan in de weg staat dat eiser (tijdelijk) terugkeert naar Irak. De rechtbank zal hierna ingaan op de gevolgen van die conclusie voor de verschillende gronden van eiser.
Inburgeringsvereiste
8. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat hij niet heeft voldaan aan het inburgeringsvereiste. Niet in geschil is dat eiser de inburgeringsexamens niet heeft afgelegd. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd dat hij pogingen heeft gedaan om in te burgeren of zich voor te bereiden op de examens. Eisers beroep op artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) slaagt niet, nu in het geval van eiser geen sprake is van een belemmering om het recht op gezinshereniging uit te oefenen.
Mvv-aanvraag vanuit het buitenland
9. Ook mocht verweerder van eiser verwachten dat hij zijn mvv-aanvraag vanuit Irak indient. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven dat eiser geen bestendig verblijf heeft gehad in Duitsland. Verweerder hoefde ook geen reden te zien om eiser toe te staan zijn aanvraag in Nederland af te wachten. Ook hier is van belang dat referente niet in zo een mate van eiser afhankelijk is, dat zij niet van elkaar gescheiden kunnen worden. Om diezelfde reden slaagt het betoog van eiser dat hij vanwege lange wachttijden onredelijk lang in Irak zou moeten wachten, niet.
Artikel 8 van Pro het EVRM
10. Nu gezinsleven is aangenomen tussen eiser en referente, moest verweerder de belangen van eiser afwegen tegen de belangen van de Nederlandse staat. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij deze belangenafweging een “fair balance” moet vinden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [3] De rechtbank moet de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend toetsen en beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. [4]
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging en zich op het standpunt mocht stellen dat het afwijzen van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Zo heeft verweerder in het nadeel van eiser kunnen betrekken dat hij niet eerder een verblijfsvergunning heeft gehad en dat hij het gezinsleven met referente is aangegaan terwijl hij zonder verblijfsvergunning in Nederland verbleef. In het voordeel van eiser heeft verweerder hierbij betrokken dat hij langdurig en intensief gezinsleven heeft met referente. Ook mocht verweerder de economische belangen van Nederland in het nadeel van verweerder betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hierbij voldoende meegenomen dat referente een eigen inkomen heeft door dit element slechts licht in het nadeel van eiser te betrekken. Verweerder heeft er verder op mogen wijzen dat eiser tot op heden niet is ingeburgerd en dat hij sterke banden heeft met Irak, maar niet met Nederland. Verweerder heeft in deze belangenafweging ook de medische situatie van referente voldoende meegenomen en mocht concluderen dat ondanks de belemmering om het gezinsleven in Irak uit te oefenen, van eiser mag worden verwacht dat hij zich inspant om aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning te voldoen.
Moest verweerder afwijken van zijn beleid?
12. Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 4:84 van Pro de Awb heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen overwegen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan van de beleidsregels moet worden afgeweken. Hoewel ook in de beleidsregel verdisconteerde omstandigheden onder ‘bijzondere omstandigheden’ in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb kunnen vallen, is het de rechtbank niet gebleken dat sprake is van onevenredige gevolgen op grond waarvan verweerder had moeten afwijken van zijn beleid.
Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de hoorplicht in bezwaar niet heeft geschonden. Verweerder heeft op grond van wat in bezwaar naar voren is gebracht redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden dan afwijzing van de aanvraag. Hierbij is van belang dat eiser, naast zijn nieuwe paspoort, in bezwaar geen aanvullende stukken of informatie heeft overgelegd ten opzichte van de aanvraagfase. Ook heeft eiser in bezwaar geen gewijzigde omstandigheden in het kader van de medische situatie of artikel 8 van Pro het EVRM naar voren gebracht. Verweerder was dan ook niet gehouden om met een hoorzitting de medische situatie van referente uit te vragen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
15. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [5]
16. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Onder meer uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73 en 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.