ECLI:NL:RBDHA:2026:3948

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
NL25.40960
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbRichtlijn 2008/115/EGRichtlijn tijdelijke beschermingArt. 4 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit voor derdelander Oekraïne na beëindiging tijdelijke bescherming

Eiser, een Algerijnse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. Na beëindiging van de bevriezingsmaatregel van de tijdelijke bescherming per 4 september 2025, werd een terugkeerbesluit genomen dat eiser binnen vier weken terug moet keren naar Algerije.

Eiser betoogde dat het terugkeerbesluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel omdat verweerder zou zijn teruggekomen op een eerdere bevriezingsmaatregel, en met het gelijkheidsbeginsel omdat Oekraïners niet worden teruggestuurd. Ook stelde eiser dat hij niet is gehoord voorafgaand aan het besluit.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit voldoet aan de richtlijn tijdelijke bescherming en de Terugkeerrichtlijn, dat er geen sprake is van gelijke gevallen tussen Oekraïners en derdelanders, en dat de bevriezingsmaatregel slechts een feitelijke opschorting was. Tevens was er een voornemen tot besluit genomen waarbij eiser gelegenheid had om zich uit te spreken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40960

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

In het besluit van 1 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Partijen hebben niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [datum] 1994 en heeft de Algerijnse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. Omdat er onduidelijkheid ontstond over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit, heeft verweerder de gevolgen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op de bevriezingsmaatregel. Onder verwijzing naar de brief van 30 maart 2022 van de toenmalige staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelt eiser dat verweerder impliciet heeft toegezegd dat de ‘derdelanders Oekraïne’ onder de werking van de verlenging valt. Ook handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Eiser voert tot slot aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord voorafgaand aan het uitvaardigen van het bestreden besluit.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836 en ECLI:NL:RBAMS:2025:4843) is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het bestreden besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet is gebleken dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het bestreden besluit vermeldt dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 moet terugkeren naar Algerije. Daarmee voldoet het bestreden besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
5. Eiser kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het aangevulde besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zijn tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en hij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen.
6. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
7. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat het bestreden besluit is genomen slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het bestreden besluit werd genomen. Daarbij heeft hij in beroep niet toegelicht welke feiten en omstandigheden hij niet eerder naar voren heeft kunnen brengen. Er is dan ook niet gebleken van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
9. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand.
10. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.