ECLI:NL:RBDHA:2026:4112

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL25.16384
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken afhankelijkheidsrelatie

Eiser, een Syrische jongvolwassene, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel, nadat zijn vader een verblijfsvergunning had gekregen. De aanvraag werd afgewezen omdat verweerder vaststelde dat er tegenstrijdige verklaringen waren over de werksituatie van eiser, waardoor niet kon worden vastgesteld dat eiser financieel afhankelijk was van zijn vader. Tevens werd het jongvolwassenenbeleid niet toegepast vanwege deze tegenstrijdigheden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het jongvolwassenenbeleid buiten toepassing heeft gelaten, omdat de verklaringen over het werk van eiser onduidelijk en tegenstrijdig waren. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat deze tegenstrijdigheden het gevolg waren van een verkeerde vertaling. Ook het beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 2019 bood geen grond om het besluit te vernietigen.

Verder stelde de rechtbank vast dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid, zoals financiële, emotionele of medische afhankelijkheid. De enkele financiële steun via twee overboekingen was onvoldoende om een beschermenswaardige afhankelijkheidsrelatie aan te nemen. Ook was er geen bewijs dat eiser praktisch afhankelijk was van zijn ouders of dat er sprake was van een familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de afwijzing van de mvv-aanvraag. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens ontbreken van een beschermenswaardige afhankelijkheidsrelatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.16384
[V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Zeven),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor eiser, in het kader van nareis asiel. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag voor een mvv eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag 1] 2000 en heeft de Syrische nationaliteit. Rond 2012 is eiser met zijn gezin gevlucht uit Syrië en in Turkije gaan wonen.
2.2.
Eisers vader, [referent] (referent), heeft op 2 december 2021 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Met een besluit van 24 juni 2022 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Referent heeft daarna op 2 augustus 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis asiel, voor zijn echtgenote en zijn zoons [persoon] en eiser. [persoon] is geboren op [geboortedag 2] 2002. De aanvragen voor de echtgenote van referent echtgenote en [persoon] zijn toegewezen.
2.3.
Met het primaire besluit van 3 januari 2024 is de aanvraag voor een mvv voor eiser afgewezen. Verweerder heeft vastgesteld dat referent en eiser tegenstrijdig hebben verklaard over de werksituatie van eiser. Verweerder kan daardoor niet vaststellen of eiser in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien en daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat eiser nog afhankelijk is van referent. Verweerder acht de feitelijke gezinsband niet aannemelijk.
2.4.
Met het bestreden besluit van 14 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft het jongvolwassenenbeleid niet toegepast op eiser, vanwege de tegenstrijdige verklaringen, conform Werkinstructie 2024/4. Volgens verweerder zijn de tegenstrijdige verklaringen niet opgehelderd. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dat geen sprake is van familieleven tussen eiser, referent en referents echtgenote en tussen eiser en zijn broer [persoon] .
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, D.A.H. Ahmed als tolk in de Koerdische taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Toetsingskader

3.1.
Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten:
1. het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;
2. met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;
3. niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en
4. geen zelfstandig gezin hebben gevormd.
3.2.
Uit Werkinstructie 2024/4 [1] volgt dat het jongvolwassenenbeleid niet wordt toegepast als verklaringen summier zijn, niet aannemelijk zijn (bijvoorbeeld tegenstrijdig) of duiden op onafhankelijkheid.
3.3.
Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder of er tussen dat kind en zijn ouder(s) sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan namelijk worden gesproken van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen ouders en meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. [2] Bij de vraag of daar sprake van is, moet worden gekeken of er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. [3] Uit de rechtspraak volgt dat de vraag of sprake is van beschermenswaardig familieleven van feitelijke aard is en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kan bijvoorbeeld van belang zijn het hebben samengewoond door de familieleden [4] , de mate van emotionele afhankelijkheid [5] , de mate van financiële afhankelijkheid [6] , de medische omstandigheden [7] en de banden met het land van herkomst [8] .

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt allereerst of verweerder terecht het jongvolwassenenbeleid buiten toepassing heeft gelaten. De rechtbank beoordeelt daarna of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en of verweerder terecht heeft gesteld dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [9]
Jongvolwassenenbeleid
4.1.
Eiser voert aan verweerder het jongvolwassenenbeleid op hem van toepassing had moeten verklaren. Volgens eiser zijn de tegenstrijdigheden in de verklaringen aan de zijde van eiser over de door eiser verrichte werkzaamheden voldoende opgehelderd. De tegenstrijdigheden zijn namelijk ontstaan door een incorrecte vertaling van de tolk bij Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) en eiser heeft daarna voldoende duidelijk gemaakt dat hij nooit gewerkt heeft.
4.2.
De gemachtigde van eiser heeft op de zitting gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 september 2019. [10] Uit deze uitspraak volgt dat tegenstrijdigheden in verklaringen van een aanvrager niet in alle gevallen direct tot een afwijzing hoeven te leiden. Tegenstrijdigheden kunnen pas leiden tot afwijzing van een aanvraag, zonder aanvullend onderzoek, als sprake is van zeer zwaarwegende redenen, als duidelijk is dat de samenwerkingsplicht niet is nageleefd of als duidelijk is dat sprake is van fraude. Eiser voert aan dat, als verweerder de tegenstrijdigheden hem wil blijven tegenwerpen, verweerder dat nader moet motiveren en moet motiveren waarom de samenwerkingsplicht niet is nagekomen.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser jongvolwassen is, dat hij met zijn ouders in gezinsverband heeft samengeleefd en dat hij geen eigen gezin heeft gevormd. In geschil is of eiser in zijn eigen onderhoud heeft voorzien. Voor de beoordeling van de vraag of verweerder het jongvolwassenenbeleid buiten toepassing heeft mogen laten stelt de rechtbank eerst vast welke verklaringen van de zijde van eiser zijn gedaan over het al dan niet in zijn eigen onderhoud voorzien:
  • Bij het aanmeldgehoor tijdens de asielprocedure op 23 december 2021 heeft referent verklaard dat eiser niet werkt.
  • Bij de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor eiser, die is ingediend op
  • In de herstelverzuimbrief van 25 mei 2023 heeft referent in antwoord op concrete vragen over het werk van eiser verklaard dat eiser niet altijd werkt, maar af en toe, dat eiser al zeven jaar werkt en dat hij rond de twintig tot vierentwintig uur per week werkt. Hij heeft verklaard dat eiser werkt als een soort smid, dat hij ramen repareert van metaal en dat hij tweehonderd Turkse lira verdiende.
  • Bij een gehoor op 13 september 2023 heeft eiser verklaard dat hij niet werkt en nog nooit heeft gewerkt. Dit zou hij niet kunnen, vanwege allergieën.
  • Bij een gehoor op 26 oktober 2023 heeft referent verklaard dat eiser niet werkt, dat hij allergisch is en daarom niet kan werken. Wanneer hem wordt gevraagd waarom hij in de herstelverzuimbrief heeft aangegeven dat eiser wel werkt, heeft referent aangegeven dat hij het aan de medewerker van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) zo heeft verteld omdat hij er iets van moest maken. Referent heeft ook verklaard dat eiser niet de waarheid heeft verteld. Eiser heeft in het verleden wel gewerkt, maar werkt sinds twee jaar niet meer. Hij heeft acht of negen maanden gewerkt en hij heeft ramen gerepareerd.
  • Bij het gehoor in de bezwaarfase van 27 februari 2025 heeft referent verklaard dat eiser eigenlijk nooit gewerkt heeft, maar dat referent hem af en toe meenam naar zijn werk en dat eiser lichte schoonmaakwerkzaamheden deed, zoals ramen schoonmaken. Referent heeft ook verklaard dat eiser juist wel de waarheid sprak in het gehoor van
4.4.
De rechtbank stelt vast dat referent en eiser bij de aanvraag en in antwoord op aanvullende vragen in de aanvraagfase hebben aangegeven dat eiser gewerkt heeft. Op aanvullende vragen is vrij specifiek verklaard over het soort werkzaamheden, het aantal uren en wat hij verdiende. Eiser heeft in zijn gehoor aangegeven dat hij niet werkt en referent heeft in zijn gehoor daarover verklaard dat eiser niet de waarheid heeft verteld en dat eiser wel heeft gewerkt. Later is het standpunt van eiser veranderd en heeft referent verklaard dat eiser niet heeft gewerkt en dat het eerdere standpunt van eiser toch juist was. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de tegenstrijdigheden voldoende zijn opgehelderd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten dat de tegenstrijdigheden zijn ontstaan door een verkeerde vertaling van een tolk. Gelet op het feit dat referent daarnaast heeft verklaard dat hij ‘er iets van moest maken’ acht de rechtbank dit ook niet aannemelijk.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat, nu van de zijde van eiser tegenstrijdig is verklaard over de centrale vraag in deze procedure, verweerder hierin aanleiding heeft mogen zien om het jongvolwassenenbeleid niet toe te passen. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat deze tegenstrijdige verklaringen over de werksituatie van eiser dusdanig onduidelijk zijn dat het voor verweerder haast ondoenlijk is om de afhankelijkheidsrelatie tussen referent en eiser goed te beoordelen.
4.6.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat verweerder, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019, moet motiveren waarom de verklaringen zodanig tegenstrijdig zijn dat de samenwerkingsplicht niet is nagekomen. De rechtbank is van oordeel dat de situatie in de genoemde uitspraak van de Afdeling niet vergelijkbaar is met situatie in de huidige zaak. Uit die uitspraak volgt dat de gedragslijn bij de beoordeling van gezinsherenigingsaanvragen inhoudt dat onofficiële documenten in gezinsherenigingsaanvragen meegewogen mogen worden en dat daarbij aanvullend onderzoek gedaan kan worden, tenzij sprake is van contra-indicaties, zoals frauduleuze verklaringen. In de huidige zaak gaat het niet om verklaringen als bewijsaanvulling op onofficiële documenten, maar om tegenstrijdige verklaringen over een centrale vraag in de beoordeling. Verweerder heeft daarom doorslaggevend belang mogen hechten aan de tegenstrijdige verklaringen.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
5.1.
Eiser voert aan dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens eiser heeft de financiële steun van referent aan eiser altijd voortgeduurd, ook op afstand. Daarbij heeft de moeder van eiser verklaard dat zij verwacht dat haar klachten zullen verbeteren als zij samen zou zijn met eiser. Eiser voert verder aan dat verweerder het standpunt dat hij banden heeft met Turkije en Syrië onvoldoende heeft gemotiveerd.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen referent en eiser sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder heeft daarin mogen meenemen dat de financiële afhankelijkheid van eiser in Turkije onduidelijk is, gelet op de wisselende verklaringen van referent en eiser daarover. De gestelde financiële afhankelijkheid is daarbij naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Referent heeft twee overschrijvingen van de Western Union overgelegd, waaruit blijkt dat referent in mei 2025 en juni 2025 geld heeft gestuurd naar eiser. Die enkele twee overschrijvingen zijn niet voldoende om financiële afhankelijkheid aan te nemen. Daar komt bij dat de enkele omstandigheid dat sprake is van enige financiële afhankelijkheid op zichzelf niet voldoende is om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Verweerder heeft ook in aanmerking mogen nemen dat de financiële steun ook vanuit Nederland zou kunnen plaatsvinden.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van medische omstandigheden die maken dat eiser afhankelijk is van zijn ouders. Het feit dat de moeder van eiser diabetes heeft, is niet met stukken onderbouwd. De verwachte verbetering in de medische situatie van de moeder is ook niet onderbouwd met medische stukken. De enkele stelling dat de moeder denkt dat haar klachten zullen verbeteren als eiser naar Nederland komt, is onvoldoende voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
5.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook terecht heeft gesteld dat niet is gebleken dat eiser in praktische zin afhankelijk is van zijn ouders, nu nergens uit blijkt dat hij niet zelfredzaam is zonder de aanwezigheid van zijn ouders. Op de zitting heeft referent hierover toegelicht dat eiser vrienden heeft in Turkije. Verweerder heeft daaruit terecht mogen opmaken dat eiser banden heeft met dat land, ook nu hij daar al sinds 2012 woont.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder terecht gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn broer [persoon] . Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser verteld dat [persoon] een vinger heeft verloren en dat eiser voor hem zorgde. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser dit niet heeft onderbouwd en ook niet heeft onderbouwd dat eiser zodanig van belang is voor de zorg van [persoon] dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Eiser heeft verder ook niets ingebracht ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van de bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en [persoon] .
5.6.
Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder terecht heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, heeft verweerder terecht geen familieleven aangenomen in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en referent en eiser en [persoon] .

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag om een mvv in het kader van nareis asiel voor eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt geen gelijk. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.WI 2024/4 Instructies behandeling nareisaanvragen (asiel).
2.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, nr. 47486/06.
3.WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
5.EHRM 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:1994:1010DEC002321894.
6.EHRM 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0920JUD000800008.
7.EHRM 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0628DEC002577794.
8.EHRM 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2000:1107DEC003151996.
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.