Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL26.1584
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 2 maart 2026 het beroep van eiser behandeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag en het verzoek tot terugname door Duitsland is aanvaard.

Eiser stelde dat het Dublingehoor onvoldoende zorgvuldig was, onder meer vanwege de korte duur van tien minuten, het ontbreken van doorvragen en zijn analfabetisme waardoor hij de verstrekte brochures niet kon lezen. De rechtbank oordeelde echter dat het gehoor voldoende zorgvuldig was, dat eiser de gelegenheid had gehad zijn bezwaren te uiten en dat het analfabetisme niet afdoet aan de zorgvuldigheid.

Daarnaast betoogde eiser dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mocht worden vanwege systematische tekortkomingen in Duitsland, zoals beschreven in het AIDA-rapport 2024. De rechtbank volgde dit niet en bevestigde dat de minister terecht uitgaat van het vertrouwensbeginsel, gesteund door recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1584

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C. Huy),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.1585), op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Is het Dublingehoor voldoende zorgvuldig geweest?
5. Eiser betoogt dat het Dublingehoor onvoldoende zorgvuldig is afgenomen. Dit gehoor heeft namelijk slechts tien minuten geduurd en is volgens een gewijzigde, ingekorte wijze afgenomen. Hierbij is volstaan met enkele algemene vragen waarbij de minister niet heeft doorgevraagd naar ervaringen met opvang, rechtsbijstand of medische zorg. Hiermee is volgens eiser niet voldaan aan de onderzoeksplicht van de minister. Eiser heeft deze vragen als formele vragen opgevat en niet als een inhoudelijke vraag om te verklaren over zijn verblijf in Duitsland. Ook daarom had doorgevraagd moeten worden. Verder is gelet op de beperkte duur van het gehoor niet aannemelijk dat het volledige rapport, van vijf pagina’s, zorgvuldig met eiser is doorgenomen. Dit roept vragen op over de betrouwbaarheid van de vastgelegde verklaringen. Daarnaast is eiser analfabeet en kon hij de brochures niet zelfstandig lezen. Hierdoor is hij onvoldoende geïnformeerd over wat van hem verwacht kon worden tijdens het gehoor.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het gehoor voldoende zorgvuldig is afgenomen. Eiser is namelijk in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen overdracht naar Duitsland naar voren te brengen. Dat het gehoor vijf pagina’s behelst en binnen tien minuten is afgerond, maakt dat niet anders. Verder heeft de rechtbank geen vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de vastgelegde verklaringen vanwege de korte duur van het gehoor. Anders dan eiser stelt, bevat het verslag van het gehoor inhoudelijk slechts drie pagina’s, waarmee niet onaannemelijk is dat het gehoor tien minuten heeft geduurd. Het is van belang dat eiser voldoende de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen overdracht aan Duitsland naar voren te brengen en dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Dat de minister had moeten doorvragen, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk in het gehoor verklaard dat hij geen problemen heeft ondervonden in Duitsland en aangegeven verder geen bezwaren te hebben tegen een overdracht. Ook in de zienswijze en in beroep heeft eiser geen persoonlijke problemen en/of bezwaren naar voren gebracht. Met betrekking tot het betoog van eiser dat hij analfabeet is en daarom de brochures niet zelfstandig kon lezen, heeft de minister tijdens de zitting uitgelegd dat niet enkel de brochures aan eiser zijn gegeven, maar dat ook is uitgelegd wat van hem verwacht wordt tijdens het gehoor. Dat eiser analfabeet is, doet daarom niet af aan de zorgvuldigheid van het gehoor.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat de minister niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. Daarbij is onvoldoende dat de minister in zijn algemeenheid wijst op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Eiser wijst op het AIDA-rapport update 2024, [2] waaruit blijkt dat sprake is van systematische tekortkomingen. Verder heeft eiser tijdens de zitting toegelicht dat, hoewel de Afdeling uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland, dit vermoeden weerlegbaar is met objectieve bronnen en verklaringen. Doordat eiser onvoldoende zorgvuldig gehoord is, heeft hij onvoldoende de gelegenheid gehad om dit vermoeden met zijn verklaringen te weerleggen.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 [3] geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024 [4] en 14 februari 2025. [5] De situatie in Duitsland zoals die in het AIDA-rapport update 2024 naar voren komt, geeft geen ander beeld van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven en die is beoordeeld door de Afdeling. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister niet enkel in het algemeen gewezen op de Afdelingsjurisprudentie, maar is de minister ook ingegaan op dat wat eiser naar voren heeft gebracht in de zienswijze. De minister heeft hierover terecht het standpunt ingenomen dat eiser zich bij eventuele problemen kan wenden tot de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kan klagen of dat klagen op voorhand zinloos is. Met betrekking tot het betoog van eiser dat hij door de onzorgvuldigheid van het gehoor onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om te betwisten dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, verwijst de rechtbank naar dat wat zij heeft geoordeeld onder 5.1.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.AIDA Country Report: Germany (update 2024).
3.ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
4.ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
5.ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.