ECLI:NL:RBDHA:2026:4198

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL24.15807
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens informatieve brief geen besluit in zin Awb

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een brief van de minister van Asiel en Migratie waarin werd meegedeeld dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming per 4 maart 2024 eindigt. De rechtbank heeft vastgesteld dat deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar een louter informatieve mededeling over een rechtsgevolg dat rechtstreeks uit het toepasselijke recht voortvloeit.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 16 april 2024 waarin werd geoordeeld dat een dergelijke brief niet als besluit kan worden aangemerkt. Omdat de brief geen besluit is, staat er geen beroep open tegen deze brief. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.15807
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.A.W.A. Vissers),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij brief van 20 februari 2024 (de bestreden brief) heeft verweerder eiser geïnformeerd over de gevolgen van de uitspraak van de Afdeling [1] van 17 januari 2024 [2] voor zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [3]
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De gemachtigde van eiser is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder met de brief van 20 februari 2024 eiser heeft geïnformeerd dat zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming per 4 maart 2024 van rechtswege eindigt, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024. De bestreden brief is niet gericht op het doen ontstaan, wijzigen of beëindigen van rechtsgevolgen, maar bevat uitsluitend een mededeling over een rechtsgevolg dat rechtstreeks uit het toepasselijk recht voortvloeit.
2. Reeds op 16 april 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak geoordeeld dat een dergelijke brief een informatief karakter heeft en niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. [4] De bestreden brief is dan ook geen besluit waartegen beroep openstaat.
3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt doormiddel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Richtlijn 2001/55/EG.