ECLI:NL:RBDHA:2026:4380

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL25.995
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Besluit 1/80Art. 13 Besluit 1/80Art. 10 lid 2 Vreemdelingenwet 1965Art. 12 Vreemdelingenwet 1965Art. 47 Vreemdelingenbesluit 1966
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning Turkse werknemer wegens verbroken relatie en onvoldoende arbeidsduur

Eiser, een Turkse werknemer, kreeg een verblijfsvergunning als gezinslid bij een partner, die per november 2023 werd verbroken. De minister trok de vergunning met terugwerkende kracht tot 30 november 2023 in, omdat eiser niet langer aan de voorwaarden voldeed.

Eiser voerde aan dat hij op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 rechten had opgebouwd door een jaar legale arbeid, en dat intrekking met terugwerkende kracht niet toegestaan was. De rechtbank oordeelde dat eiser pas sinds 13 augustus 2023 in loondienst was en dus nog geen jaar legale arbeid had verricht op het moment van intrekking.

Subsidiair stelde eiser dat intrekking in strijd was met artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 en dat hij aanspraak kon maken op de artikel 10(2)-status. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat de relatie feitelijk was verbroken en dat het beleid omtrent intrekking met terugwerkende kracht al lang bestond.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.995

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen recht heeft op voortgezet verblijf op grond van artikel 6 en Pro artikel 13 van Pro het Besluit 1/80. [1] Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 8 augustus 2024 heeft de minister de aan eiser verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 30 november 2023 ingetrokken. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 18 december 2024 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen zijn betoog nader te onderbouwen. De minister is ook in de gelegenheid gesteld om een nader standpunt in te nemen over het standpunt van eiser met betrekking tot artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 1965. De rechtbank heeft na ontvangst van de standpunten van partijen het onderzoek gesloten op 26 januari 2026.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Aan hem is met ingang van 11 oktober 2021 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A]’ verleend met een geldigheidsduur tot 11 oktober 2026. Bij besluit van 8 augustus 2024 is deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht per 30 november 2023. Dit omdat de relatie met mevrouw [persoon A] per november 2023 wordt geacht te zijn verbroken. Daarom voldoet eiser sinds 30 november 2023 niet meer aan de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning.
4. Het is niet in geschil dat de relatie tussen eiser en [persoon A] is verbroken en dat tot intrekking van de verleende verblijfsvergunning kan worden overgegaan omdat eiser niet langer voldoet aan de beperking waaronder deze aan hem is verleend.
Artikel 6 van Pro het Besluit 1/80
5. Eiser betoogt primair dat zijn verblijfsrecht niet met terugwerkende kracht ingetrokken mag worden omdat hij rechten heeft opgebouwd in het kader van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80. Volgens het Hof van Justitie [2] moet artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 zo worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de bevoegde nationale autoriteiten de verblijfsvergunning van een Turkse werknemer met terugwerkende kracht intrekken. Als er wel grond bestaat om een verblijfsvergunning in te trekken moet deze intrekking plaatsvinden na afloop van het tijdvak van een jaar legale arbeid als voorzien in genoemd artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80.
5.1.
Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en eerste streepje van het Besluit 1/80, heeft een Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft. Verder volg uit de Werkinstructie (WI) 2023/1 dat de minister een verblijfsvergunning kan intrekken met terugwerkende kracht tot de datum waarop niet meer werd voldaan aan de voorwaarden of beperking van de verleende vergunning, mits er nog geen sprake is van een inmiddels opgebouwd verblijfsrecht als werknemer op grond van artikel 6, eerste lid, eerste streepje van Besluit 1/80. In de WI staat onder meer dat een Turkse werknemer één jaar lang legale arbeid moet hebben verricht.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser vanaf 30 november 2023 niet meer voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning aan hem is verleend. Dit omdat de relatie met mevrouw [persoon A] al per november 2023 wordt geacht te zijn verbroken. Dit wordt niet betwist door eiser. Verder is van belang dat eiser niet één jaar lang legale arbeid heeft verricht in het kader van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser per 13 augustus 2023 werkzaam is in loondienst, namelijk in de functie van algemeen directeur bij een bedrijf genaamd [naam bedrijf]. Ook uit het Suwinet blijkt dat eiser pas sinds 13 augustus 2023 werkzaam is in loondienst bij dit bedrijf. Op het moment dat de verblijfsvergunning werd ingetrokken op 8 augustus 2024 had eiser nog niet een jaar legale arbeid verricht. Daarom had eiser op het moment dat zijn verblijfsvergunning werd ingetrokken nog geen rechten opgebouwd op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80. Als een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ingetrokken tot de datum waarop niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan (in dit geval 30 november 2023), is er vanaf de datum van de intrekking geen onomstreden verblijf meer en is de daarna verrichte arbeid niet meer aan te merken als legale arbeid in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80. Eiser is volgens Suwinet nog steeds werkzaam in loondienst bij [naam bedrijf], maar omdat zijn verblijfsvergunning op 8 augustus 2024 is ingetrokken, is per die datum geen sprake meer van een onomstreden verblijfsrecht en ook geen sprake meer van legale arbeid. Eiser kan daarom geen verblijfsrechtelijke rechten ontlenen aan het feit dat hij ook na 8 augustus 2024 bij [naam bedrijf] is blijven werken. Aangezien eiser niet één jaar legale arbeid in loondienst heeft verricht, is de door eiser aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie niet van toepassing. Die rechtspraak ziet namelijk op situaties waarin een persoon ten minste één jaar legale arbeid in loondienst heeft verricht. De grond slaagt niet.
Artikel 13 van Pro het Besluit 1/80
6. Subsidiair voert eiser aan dat zijn verblijfsrecht ook niet (met terugwerkende kracht) ingetrokken mag worden in het geval eiser nog geen rechten van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 had verkregen. [3] Op grond van artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 mogen lidstaten namelijk geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van Turkse werknemers. [4] Hierdoor zijn beperkende regels die na 1 december 1980 tot stand zijn gekomen niet van toepassing en moet het meest gunstige beleid worden toegepast. Eiser verduidelijkt op de zitting dat op enig moment na 1980 in verband met artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 1965 (artikel 10(2)-status) beleid is geformuleerd waaruit volgt dat als een Turkse onderdaan na één jaar huwelijk hieraan een verblijfsrecht kon ontlenen. Dit verblijfsrecht eindigde weliswaar bij verbreking van het huwelijk of de feitelijke gezinsband, maar in dat geval werd beoordeeld of de Turkse onderdaan op andere gronden een zelfstandig verblijfsrecht had. Intrekking van het verblijfsrecht is door dit gunstige beleid in strijd met artikel 13 van Pro het Besluit 1/80. Verder is er geen sprake van een situatie waarin een Turkse burger gunstiger wordt behandeld dan een Europees staatsburger, aldus eiser.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank valt eiser onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Pro het 1/80. In artikel 13 van Pro Besluit nr. 1/80, de standstill-bepaling, staat dat er geen nieuwe beperkingen mogen worden ingevoerd met betrekking tot de toegang tot werkgelegenheid van Turkse werknemers en hun gezinsleden. [5] Uit het WI 2023/1 volgt namelijk dat artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 van toepassing is op, de Turkse werknemer die nog niet de rechten van artikel 6, eerste lid, derde streepje van het Besluit 1/80 bezit. Zoals onder 5.2 van deze uitspraak uiteen is gezet ontleent eiser geen rechten aan artikel 6 van Pro het Besluit 1/80.
6.2.
De artikel 10(2)-status was een recht op verblijf voor onbepaalde tijd die al na één jaar werd verleend aan echtgenoten van een in Nederland wonende Nederlander of van een houder van een vergunning tot vestiging. Deze verblijfsstatus ging van rechtswege verloren bij verbreking van de gezinsband. Verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring wegens een inbreuk op de openbare orde was niet mogelijk. De artikel 10(2)-status werd in 1993 afgeschaft met de schrapping van artikel 47 van Pro het Vreemdelingenbesluit 1966. [6]
6.3.
De rechtbank volgt de minister niet in zijn stelling dat eiser zich niet op de artikel 10(2)-status kan beroepen omdat aan die status een eind is gekomen. Dit standpunt is niet verenigbaar met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, dat “de in artikel 13 van Pro het Besluit nr. 1/80 vervatte standstillbepaling in algemene zin de invoering verbiedt van alle nieuwe nationale maatregelen die tot doel of tot gevolg zouden hebben dat aan de gebruikmaking door een Turks staatsburger van het vrij verkeer van werknemers op het nationale grondgebied, strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van Besluit nr. 1/80 voor de betrokken lidstaat.” [7] Hieruit volgt eenduidig dat de standstillbepaling niet is gekoppeld aan de individuele situatie van een Turks staatsburger en het moment waarop deze onder het toepassingsbereik van die standstillbepaling komt, maar dat deze in beginsel ziet op alle voor een Turks staatsburger nadelige wijzigingen in wet- en regelgeving sinds de inwerkingtreding van het Besluit 1/80. Eiser kan dus in beginsel een beroep doen op de artikel 10(2)-status.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat het beroep op artikel 10, tweede lid, van de Vw 1965 niet slaagt. De minister stelt namelijk terecht dat verbreking van het huwelijk voor het vollopen van de drie jaar, destijds evenzeer leidde tot verlies van de artikel 10(2)-status. Dit volgt uit de parlementaire geschiedenis. [8] Eisers verblijfsstatus zou daardoor van rechtswege komen te vervallen op het moment dat de relatie van eiser feitelijk was ontwricht, [9] in dit geval op 30 november 2023. Eiser heeft niet aangetoond dat het bij een dergelijke status het niet gaat om verbreking van de feitelijke gezinsband, maar om verbreking van de juridische gezinsband. Anders dan eiser betoogt volgt dit niet uit het rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum Toelatings- en verblijfsvoorwaarden onderdanen Turkije (het WODC-rapport). Het WODC-rapport vermeld enkel dat de gezinsband niet werd verbroken door “verbreking van de samenwoning als feitelijk begrip”. [10] In onderhavig geval is sprake van het verbreken van de feitelijke relatie. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunt voor de stelling dat de gezinsband pas verbroken moet worden geacht wanneer het huwelijk ook juridisch is ontbonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.5.
Verder stelt de minister ook terecht dat geen sprake is van een aanscherping van het beleid voor wat betreft het intrekken met terugwerkende kracht. Het is aan eiser om te verduidelijken waarom sprake is van aanscherping van het beleid. Dat heeft eiser niet gedaan. Sinds de door eiser aangehaalde uitspraak van 8 januari 2024 heeft de minister nader onderzoek gedaan. Hieruit volgt dat de bestuursrechtelijke bevoegdheid om met terugwerkende kracht in te trekken al was opgenomen in artikel 12 van Pro de Vw 1965 en heeft dus al die tijd bestaan. Op grond van die bepaling kon een verblijfsvergunning worden ingetrokken indien onder meer onjuiste gegevens waren verstrekt, niet langer over voldoende middelen werd beschikt, inbreuk werd gemaakt op de openbare orde of niet werd voldaan aan de beperking waaronder de vergunning was verleend. [11] Verder wijst de minister terecht op dat van deze bevoegdheid ook daadwerkelijk gebruik werd gemaakt. In de toelichting bij Wijzigingsbesluit vreemdelingencirculaire (WBV) 2005/39 [12] is vermeld dat naar verwachting “vaker zal worden ingetrokken, al dan niet met terugwerkende kracht”. Het woord “vaker” duidt erop dat intrekking met terugwerkende kracht ook voor die tijd voorkwam. Ter onderbouwing verwijst de minister naar een uitspraak van de Afdeling van 22 juli 1985. [13] Dat de vergunning wordt ingetrokken met ingang van het moment dat niet langer aan de voorwaarden voor die vergunning wordt voldaan, en derhalve met terugwerkende kracht, ligt naar het oordeel van de rechtbank bovendien in de rede. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Besluit Nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije.
2.HvJEU 29 september 2012, Baris Unal, ECLI:EU:C:2011:623.
3.Rb. Den Haag (zp. ’s-Hertogenbosch) 15 september 2022, zaaknummer: AWB 21/143 en Rb. Den Haag (zp Arnhem) 8 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:207.
4.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 8 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:207.
5.Zie onder meer HvJ EU 7 november 2013, Demir, ECLI:EU:C:2013:725, overweging 33.
6.Artikel 47 van Pro het Vreemdelingenbesluit 1966 is vervallen bij artikel III van het Besluit van 30 december 1993, Stb. 1994, 8.
7.HvJEU 17 september 2009, ECLI:EU:C:2009:554 (Sahin), punt 63.
8.Tweede Kamer 1978- 79, nummer 15/49.
9.ABRvS 3 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2991.
10.WODC-rapport Toelatings- en verblijfsvoorwaarden onderdanen Turkije 2009, p. 45-46.
11.Stb 1965 nummer 40.
12.Wijziging B1 - Voortgezet verblijf (intrekking verblijfsvergunningen en mvv-vereiste)