Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarbij eiser, vertegenwoordigd door mr. M.B. van den Toorn-Volkers, beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft vastgesteld dat de uiterste termijn van 21 maanden, zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, is overschreden. Dit leidde tot de conclusie dat er bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat verweerder, de minister van Asiel en Migratie, zo snel mogelijk op de asielaanvraag moet beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de verzending van de uitspraak. Indien verweerder deze termijn overschrijdt, verbeurt hij een dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd. Tevens zijn de proceskosten van eiser vastgesteld op een bedrag van € 467. De rechtbank heeft de uitspraak zonder zitting gedaan en deze is openbaar gemaakt. Eiser is geïnformeerd over de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit, en de voorwaarden waaronder dit kan gebeuren. De rechtbank heeft ook de wettelijke kaders en relevante artikelen uit de Algemene wet bestuursrecht en de Vreemdelingenwet 2000 genoemd, die van toepassing zijn op deze zaak.