ECLI:NL:RBDHA:2026:4402

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL25.55130
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30b VwArt. 31 lid 6 onder b VwArt. 31 lid 6 onder c VwArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid asielmotief toegedicht Gülenisme

Eiser, van Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat de minister terecht mocht afgaan op het onderzoek van Bureau Documenten, dat het aangeleverde aanhoudingsbevel waarschijnlijk niet bevoegd was opgemaakt.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende objectieve documenten overlegde ter onderbouwing van zijn asielmotief, dat betrekking had op vermeende problemen vanwege het toegedicht Gülenisme. De verklaringen van eiser werden als vaag, summier en niet samenhangend beoordeeld. Ook het ontbreken van originele documenten en het feit dat eiser legaal Turkije kon verlaten, ondermijnden de geloofwaardigheid.

De rechtbank vond dat de minister zijn vergewisplicht had vervuld en dat er geen aanleiding was om inzage te vragen in de onderliggende stukken van het documentenonderzoek. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55130

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister mocht bij het nemen van het besluit afgaan op het onderzoek van Bureau Documenten. Verder heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij de problemen door het toegedicht Gülenisme niet geloofwaardig heeft geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening [2] , op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart dat hij in Turkije wordt gezocht. Eiser is in september 2023 naar Nederland gekomen om vakantie te vieren, maar kreeg na aankomst in Nederland bericht van zijn moeder dat de Turkse politie bij haar thuis langs was geweest en naar eiser op zoek was. De Turkse politie heeft verder geen informatie verstrekt waarom ze naar eiser op zoek zijn en is vervolgens weer weggegaan. Eiser heeft vervolgens met zijn oom gebeld en die gaf aan dat de politie misschien vanwege zijn vader langs was geweest. Eisers oom zei tegen eiser dat hij niet moest terugkeren. Eiser heeft verklaard dat de situatie in Turkije bekend is, dat er geen rechtvaardigheid is en dat hij zich nergens bij heeft aangesloten. Eiser verklaart dat hij wel eens met zijn vader mee ging naar bijeenkomsten, maar dat hij niet wist van wat voor groepering de bijeenkomsten waren. Hij denkt dat het de Gülenbeweging was. Eiser heeft verklaard dat uit het aanhoudingsbevel volgt dat hij wordt beschuldigd van betrokkenheid bij gewapende terreurorganisaties. Eiser kan daarom niet terugkeren naar Turkije.
Het bestreden besluit
4. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:
De identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege toegedicht Gülenisme.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister vindt de problemen vanwege het toegedicht Gülenisme niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die zijn asielmotieven volledig onderbouwen en heeft daarvoor geen goede verklaring. [3] De minister vindt verder dat eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [4] De minister werpt eiser tegen dat hij geen origineel aanhoudingsbevel heeft overgelegd en het Whatsapp-gesprek met zijn moeder ook niet heeft overgelegd, dat het aanhoudingsbevel onbevoegd is opgemaakt, dat hij vaag en summier verklaart over het aanhoudingsbevel, dat de vervolging van hemzelf en zijn vader is gebaseerd op vermoedens, dat eiser geen relatie heeft met de Gülenbeweging, dat zijn verklaringen over zijn vader en het Gülenisme vaag en summier zijn en dat hij legaal is uitgereisd. Er is volgens de minister geen sprake van een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Turkije of een reëel risico op ernstige schade.
Herhaling zienswijze
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Het onderzoek van Bureau Documenten
6. De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van het verzoek van eiser om inzage in de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [5] is een advies van Bureau Documenten een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van de uitvoering van zijn bevoegdheden, waarop de minister in beginsel mag afgaan. De minister moet wel nagaan of het advies van Bureau Documenten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen (zorgvuldigheid), de redenering daarin begrijpelijk is (inzichtelijkheid) en de getrokken conclusies daarop aansluiten (concludentie). [6] Er kunnen zich situaties voordoen waarin de vergewisplicht van de minister meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. [7] Zo’n situatie doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek in relatie tot de bevindingen naar aanleiding van dat onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als die bevindingen niet logischerwijs tot de daaraan verbonden conclusies leiden. Ook als een vreemdeling gemotiveerd heeft betwist dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, moet de minister nader invulling geven aan zijn vergewisplicht. [8] Als de minister heeft voldaan aan de vergewisplicht, is het aan eiser om de conclusies uit het deskundigenonderzoek gemotiveerd te betwisten, bijvoorbeeld door een contra-expertise.
6.1.
De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval de minister een verklaring van Bureau Documenten heeft overgelegd gedateerd op 28 april 2025. Uit de verklaring van onderzoek volgt dat het door eiser overgelegde aanhoudingsbevel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Ook heeft de minister in beroep een vergewisbrief overgelegd, gedateerd op 2 mei 2025, waaruit volgt dat TOELT [9] inzage heeft verkregen in de onderliggende stukken van de verklaring en dat daaruit wordt geconcludeerd dat de verklaring van onderzoek inhoudelijk inzichtelijk is.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser geen contra-expertise heeft laten verrichten. Eiser heeft ook geen andere aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid of concludentie van het onderzoek van Bureau Documenten. TOELT concludeert in de vergewisbrief dat de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten inzichtelijk is. Gelet hierop heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vergewisplicht en mocht hij afgaan op het onderzoek van Bureau Documenten.
6.3.
De rechtbank overweegt verder dat de minister in het geval van eiser geen vertrouwelijke informatie over de onderzoeksmethoden en de conclusies van Bureau Documenten hoefde te delen met eiser. De minister kon daartoe wijzen op de zwaarwegende belangen uit het oogpunt van het onderzoeksbelang die geheimhouding rechtvaardigen. Eisers stelling dat de minister niet kenbaar heeft gemaakt waaruit de onbevoegde opmaak en afgifte blijkt en dat hij niet inhoudelijk kan reageren op de conclusies van Bureau Documenten, is geen gemotiveerde betwisting van de verklaring van Bureau Documenten. Ook eisers stelling dat de foto heimelijk is gemaakt, dat kans op verkrijging van het origineel waarschijnlijk gering is en dat hij het al het mogelijke heeft gedaan om het originele document te verkrijgen, maken het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geen aanleiding gezien om, op grond van artikel 8:45 of Pro 8:29 van de Awb [10] , inzage te vragen in de onderliggende stukken van het documentenonderzoek.
Heeft de minister asielmotief 2 ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
7. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit onder andere verwijst naar de motivering in het voornemen. In het voornemen heeft de minister overwogen dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen en dat hij niet voldoet aan artikel 31, zesde lid onder b en onder c, van de Vw. De minister heeft eiser ook tegengeworpen dat hij in het nader gehoor heeft verklaard dat het originele aanhoudingsbevel in Turkije ligt en dat hij een poging zou wagen om het document te overleggen, maar dat eiser dit niet heeft gedaan en ook geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor het niet overleggen van het originele aanhoudingsbevel. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen. Eisers stelling dat hij niet meer kan inloggen in e-devlet en UYAP [11] omdat hij daarvoor in persoon naar Turkije moet reizen leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiser heeft deze stelling namelijk onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij de Whatsapp-gesprekken met zijn moeder niet heeft overgelegd. Eisers stelling dat hij en zijn moeder een nieuwe telefoon hebben gekocht en dat ze beiden de gespreksgeschiedenis niet hebben bewaard, is onvoldoende onderbouwd. Ook eisers stelling dat zijn telefoon met de gespreksgeschiedenis is uitgelezen bij zijn gehoor in Budel is onvoldoende onderbouwd en bovendien is het in de eerste plaats aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Gelet op het voorgaande heeft de minister niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij geen oprechte inspanning heeft verricht om zijn aanvraag te staven.
7.1.
Verder heeft de minister aan eiser kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over het asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit onder verwijzing naar het voornemen heeft gesteld dat eiser summier en vaag heeft verklaard over het aanhoudingsbevel. De minister heeft daarbij naar het oordeel van de rechtbank ook kunnen betrekken dat aan het aanhoudingsbevel geen waarde kan worden gehecht gelet op de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de stelling dat de opmaak niet af doet aan de kerninhoud. De rechtbank betrekt hierbij ook dat de minister niet ten onrechte aan eiser tegenwerpt dat het ongerijmd is dat eiser meer dan 2,5 jaar zonder problemen in Turkije heeft kunnen leven, terwijl er een aanhoudingsbevel tegen hem was uitgevaardigd. De rechtbank is van oordeel dat de minister een zeer beperkte waarde heeft kunnen toekennen aan de verklaringen van eisers moeder over het bezoek van de politie kort na zijn vertrek naar Nederland en op 26 november 2025, nu zij geen objectief verifieerbare bron is. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de stelling dat er sprake is van een objectieve aanwijzing dat hij in het vizier van de autoriteiten staat.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn vader en het Gülenisme vaag en summier zijn. De rechtbank overweegt dat eiser zelf heeft verklaard dat hij de betrokkenheid van zijn vader bij de Gülenbeweging heeft gebaseerd op de verklaringen van zijn oom. [12] Eiser kan niet verklaren op welke wijze zijn vader betrokken was bij de groepering en waarom hij niks over de inhoud van de bijeenkomsten weet. [13] Eisers stelling dat hij een kind was toen hij samen met zijn vader naar de bijeenkomsten ging, is geen verklaring voor de vage verklaringen ten aanzien van de betrokkenheid bij de Gülenbeweging van eisers vader. Eisers stelling dat de Turkse autoriteiten hem betrokkenheid bij de Gülenbeweging toedichten, volgt de rechtbank dan ook niet.
7.3.
De rechtbank overweegt dat eisers verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag [14] , niet slaagt. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn familie geen problemen heeft ondervonden in Turkije. [15] Daarnaast betreft het door eiser overgelegde document niet zichzelf, maar zijn vader, is het document niet vertaald en volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat uit het document een sterke aanwijzing blijkt dat het dienstverband van eisers vader is beëindigd wegens betrokkenheid bij de Gülenbeweging. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser niet heeft gesteld, noch is gebleken dat eisers vader een hooggeplaatste Gülenist was. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 volgt dat met name familieleden van hooggeplaatste Gülenisten konden rekenen op negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten. [16]
7.4.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat het ongerijmd is dat hij legaal is uitgereisd en tijdens de uitreis geen problemen heeft ondervonden. Ondanks dat eisers stelling, dat het feit dat hij legaal kon uitreizen niets zegt over de vraag of hij daadwerkelijk gezocht of vervolgd wordt, juist is [17] , volgt de rechtbank de minister in het standpunt dat het ongerijmd is dat eiser het land zonder problemen heeft verlaten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat zijn paspoort en identiteitskaart tijdens zijn uitreis zijn gecontroleerd door de Turkse autoriteiten [18] en dat het in de door eiser overgelegde kopie van het arrestatiebevel gaat om ernstige feiten (betrokkenheid bij een terroristische organisatie). Eisers stelling dat hij actief wordt gezocht door de autoriteiten vanwege het bezoek van de politie aan zijn ouderlijk huis, enkele dagen na zijn uitreis volgt de rechtbank gelet op het hiervoor en onder 7.1. overwogene niet.
7.5.
De beroepsgrond slaagt gelet op het voorgaande niet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister asielmotief 2 niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
Heeft de minister eisers asielaanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond?
8. De minister heeft met de in het besluit opgenomen motivering, zoals hiervoor ook is overwogen, zijn standpunt deugdelijk gemotiveerd. Nu eiser kennelijk inconsequent en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn problemen in verband met toegedicht Gülenisme en in aanmerking genomen dat het door eiser overgelegde document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de verklaringen van de vreemdeling alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij voor vergunningverlening in aanmerking komt. Daarom heeft de minister de aanvraag van eiser niet ten onrechte krachtens artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw als kennelijk ongegrond afgewezen.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaak NL25.55131.
3.Artikel 31, zesde lid, onder b van de Vw.
4.Artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1764, r.o. 4.2.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2765.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:636.
9.Team Onderzoek en Expertise Land en Taal.
10.Algemene wet bestuursrecht.
11.Een juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid (zie ambtsbericht februari 2025).
12.P. 17 van het nader gehoor.
13.P. 13 van het nader gehoor.
15.P. 14 van het nader gehoor.
16.P. 52 van het AAB Turkije.
17.P. 20 van het AAB Turkije van februari 2025.
18.P. 8 van het aanmeldgehoor.