Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4406

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL25.52782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens onvoldoende motivering TBS-maatregel

Eiser, met Turkse nationaliteit en lijdend aan een aan schizofrenie verwante stoornis, vroeg op 18 september 2025 asiel aan in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

Eiser betoogde dat hij in Zwitserland mensonterend behandeld zou worden en dat de minister de onderzoeksplicht uit artikel 3 EVRM Pro had geschonden. Tevens wees hij op zijn opgelegde TBS-maatregel, die van onbepaalde duur is, terwijl de overdrachtstermijn maximaal één jaar kan worden verlengd. De minister stelde dat medische zorg ook in Zwitserland mogelijk is en dat de Dublinverordening geen uitzondering maakt voor de TBS-situatie.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de TBS-maatregel geen bijzondere, individuele omstandigheden vormde die een uitzondering op het interstatelijk vertrouwensbeginsel rechtvaardigen. De minister had niet onderzocht wat de tijdelijke aard van het verblijf en de gevolgen daarvan voor de uitvoering van de TBS-maatregel betekenen. Hierdoor was het besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd, in strijd met de Awb.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werden proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent de TBS-maatregel en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52782

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1 De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Aydin als tolk en de gemachtigde van verweerder. Eiser verblijft in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) te [plaats] .

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. Eiser heeft op 18 september 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft met het besluit van 21 oktober 2025 de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. [1]

Wat vindt eiser in beroep?

3.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser verklaart in Zwitserland mensonterend te zijn behandeld en vreest bij overdracht op dezelfde manier te zullen worden behandeld. Volgens eiser hebben zowel de Zwitserse autoriteiten als verweerder de onderzoeksplicht voortvloeiend uit artikel 3 van Pro het EVRM [2] geschonden en eiser stelt dat verweerders verwijzing naar het Jawo-arrest [3] hierbij niet van toepassing is. Volgens eiser had nader onderzoek op de weg van verweerder gelegen, omdat de Zwitserse autoriteiten in strijd handelde met het Changu-arrest [4] door eiser op straat te zetten en omdat verweerder op de hoogte is van de medische situatie van eiser. Eiser lijdt aan een aan schizofrenie verwante stoornis en verblijft mede om die reden in een psychiatrisch centrum. Daarnaast is overdracht aan Zwitserland niet mogelijk, nu de strafrechter bij vonnis van 30 september 2025 [5] de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: de tbs-maatregel) aan eiser heeft opgelegd. Deze maatregel is van onbepaalde duur terwijl de overdrachtstermijn maximaal met één jaar kan worden verlengd. Tot slot is eiser ten onrechte niet gehoord.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder heeft in de aan eiser opgelegde tbs-maatregel geen aanleiding gezien om af te zien van het genomen overdrachtsbesluit en stelt zich op het standpunt dat dit besluit rechtmatig is. Eventuele noodzakelijke medische behandelingen kunnen ook in Zwitserland plaatsvinden. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser te behandelen en hij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de overdracht een verslechtering of een onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie teweeg zal brengen. Weliswaar is verweerder afhankelijk van het Openbaar Ministerie (OM) en de strafrechter om de tbs-maatregel te zijner tijd op te heffen ten behoeve van de overdracht en is onduidelijk of en onder welke voorwaarden dit zal kunnen gebeuren, maar dat laat onverlet dat de Dublinverordening niet voorziet in het maken van een uitzondering in deze situatie en dat dit uiteindelijk hooguit kan leiden tot een feitelijk overdrachtsbeletsel. Een soortgelijke redenering geldt voor de omstandigheid dat de Zwitserse autoriteiten hun medewerking moeten verlenen aan een eventuele overdracht en nu nog niet op de hoogte zijn van de tbs-maatregel en de medische situatie van eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het overdrachtsbesluit op goede gronden heeft genomen en dat hij de kans moet krijgen dit te effectueren binnen de geldende overdrachtstermijn, ook al is met name vanwege de opgelegde tbs-maatregel nog niet met zekerheid te zeggen of dit daadwerkelijk zal lukken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het besluit van verweerder tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. Vaststaat dat de Nederlandse strafrechter heeft bepaald dat ter beveiliging van de maatschappij een tbs-maatregel aan eiser wordt opgelegd. De Dublin-verordening (hierna: de Verordening) regelt de onderlinge verantwoordelijkheid van de lidstaten van de Europese Unie voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. In de Verordening is niet uitdrukkelijk voorzien in de overdracht van iemand die een strafrechtelijke maatregel zoals de tbs-maatregel ondergaat.
7. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er in beginsel op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Op grond van dit beginsel mag verweerder er daarnaast vanuit gaan dat de medische zorg in andere lidstaten gelijkwaardig is aan die in Nederland. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [6] Het Jawo-arrest is voor deze beoordeling van belang, omdat hieruit volgt dat een schending van voormelde bepalingen wordt aangenomen indien de tekortkomingen in het Zwitserse asiel- en opvangsysteem structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt hebben.
8. Verweerder mag ten aanzien van Zwitserland in het algemeen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Dit heeft de hoogste bestuursrechter bij uitspraak van 4 november 2020 [7] bevestigd. Niet in geschil is dat sindsdien geen relevante wijzigingen hebben plaatsgehad in Zwitserland die in dit verband tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
9. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van de medische aandoening van eiser aannemelijk is dat het overdrachtsbesluit strijd op zal leveren met artikel 3 van Pro het EVRM. Hierbij is van belang dat niet in geschil is dat eiser weliswaar lijdt aan een ernstige psychische aandoening, maar dat deze op dit moment effectief met medicijnen wordt bestreden. Er zijn door eiser geen medische stukken in geding gebracht waaruit blijkt dat een overdracht mogelijk een verslechtering van de medische situatie van eiser zal opleveren dan wel dat de medische behandeling die eiser behoeft niet voorhanden is in Zwitserland. Het is niet zo dat het enkele feit dat eiser een tbs-maatregel ondergaat dit al anders maakt. In het hier toepasselijke kader gaat het immers met name om de vraag of er medische omstandigheden aan de orde zijn die bij of als gevolg van de overdracht een risico meebrengen op een onmenselijke behandeling. Het strenge strafrechtelijk kader waarbinnen eiser op dit moment zijn medische behandeling volgt, is voor die beoordeling niet relevant.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening10. Artikel 17 van Pro de Verordening geeft verweerder de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen, ook als de Verordening hier anderszins niet toe verplicht. Hierbij dient verweerder rekening te houden met alle relevante omstandigheden van het geval. Op grond van het eerste lid van dit artikel in combinatie met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in deze zaak geen sprake is van dergelijke bijzondere, individuele omstandigheden. Vaststaat dat het voor de wijze waarop de tbs-maatregel ten uitvoer wordt gelegd van belang is of de betrokkene al dan niet rechtmatig verblijf heeft. [8] Kort gezegd geldt dat voor iemand met rechtmatig verblijf het doel van de maatregel resocialisatie is ofwel veilige terugkeer in de maatschappij, terwijl dit doel voor iemand zonder rechtmatig verblijf neerkomt op veilige repatriëring naar het land van herkomst. Dit verschil in doel werkt door in de inhoudelijke uitvoering van de maatregel [9] en in de verlofmogelijkheden die de betrokkene heeft. Iemand die onder de Verordening valt, zoals eiser, heeft weliswaar rechtmatig verblijf, maar dit is tijdelijk van aard en niet gericht op bestendig verblijf omdat het de bedoeling is dat diegene wordt overgedragen aan het land dat verantwoordelijk is voor de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming, te weten Zwitserland in het geval van eiser. Hiermee ontstaat de situatie dat eiser op dit moment niet onder één van de tbs-doelen valt. Veilige terugkeer in de Nederlandse samenleving is immers niet aan de orde zolang eiser geen bestendig rechtmatig verblijf heeft en veilige repatriëring naar het land van herkomst is niet mogelijk zolang nog niet inhoudelijk op zijn asielaanvraag is beslist.
12. Nu verweerder niet onderzocht heeft wat dit betekent voor de invulling van de tbs-maatregel van eiser, kan niet uitgesloten worden dat het feit dat verweerder ervoor heeft gekozen niet inhoudelijk op eisers asielaanvraag te beslissen in de weg staat aan het zo snel als mogelijk aanvangen met een zinvolle uitvoering van de tbs-maatregel van eiser. Daarmee zijn de relevante belangen niet zorgvuldig in kaart gebracht en kan bij gebrek aan inzicht in die belangen en een deugdelijke motivering daarover evenmin uitgesloten worden dat sprake is van onevenredige hardheid door het asielverzoek niet onverplicht in behandeling te nemen. Dit klemt temeer nu het zeer onzeker is en buiten de directe invloed van verweerder ligt of de tbs-maatregel te zijner tijd zal worden opgeheven om de overdracht naar Zwitserland mogelijk te maken. Dit nog daargelaten dat verweerder ook geen duidelijkheid kan verschaffen over hoe de Zwitserse autoriteiten tegenover een overdracht onder deze omstandigheden staan.
13. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd en daarmee in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op de aanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak.
15. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU) met nummer ECLI:EU:C:2019:218.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de EU met nummer ECLI:EU:C:2024:748.
5.Vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank met nummer ECLI:NL:RBDHA:2025:18267.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met nummer ECLI:NL:RVS:2020:2592.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1483, r.o. 2 en 2.1.
9.Met het doel kan ook de aard en omvang van de medische behandeling verschillen.