ECLI:NL:RBDHA:2026:4509
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag EU/EER verblijfsdocument wegens ontbreken familierechtelijke relatie en afhankelijkheid
Eiser, een meerderjarige Nigeriaanse derdelander, verzocht om een EU/EER verblijfsdocument om in Nederland te verblijven bij zijn moeder en halfbroertje. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiser meerderjarig was en de familierechtelijke relatie met zijn moeder niet was aangetoond. Tevens ontbrak bewijs van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie zoals vereist onder het arrest K.A.
Eiser voerde aan dat de afwijzing onterecht was, onder meer omdat de afhankelijkheidsrelatie volgens het arrest E.K. langdurig kan zijn en de geboorteakte voldoende bewijs zou zijn. Ook stelde hij dat artikel 8 EVRM Pro een belangenafweging vereist, waarbij het belang van het kind voorop zou moeten staan.
De rechtbank oordeelde dat het arrest betreffende minderjarigen niet op eiser van toepassing is omdat hij meerderjarig was bij de aanvraag. De geboorteakte voldeed niet aan de vereisten vanwege het ontbreken van legalisatie en tardieve opmaak. Er was geen objectief bewijs van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie. Ook was geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, zodat geen belangenafweging hoefde plaats te vinden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter B.F.Th. de Roos op 5 maart 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU/EER verblijfsdocument is ongegrond verklaard wegens ontbreken van familierechtelijke relatie en uitzonderlijke afhankelijkheid.