In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen een terugkeerbesluit dat aan eiser, een Nigeriaanse man die tijdelijk in Oekraïne verbleef, was opgelegd. Eiser had een asielaanvraag ingediend, die eerder was afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit niet voldoende was gemotiveerd, met name omdat verweerder niet had aangetoond dat er geen reëel risico op ernstige schade bestond bij terugkeer naar Nigeria. De rechtbank stelde vast dat de refoulementbeoordeling niet voldeed aan de vereisten van zorgvuldigheid en motivering, en vernietigde het bestreden besluit. Eiser had aangevoerd dat hij als christen in Nigeria vreest voor vervolging en dat zijn privéleven in Nederland onvoldoende was meegewogen. De rechtbank concludeerde dat het beroep gegrond was en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868. De uitspraak benadrukt de verplichtingen van de nationale autoriteiten onder de Terugkeerrichtlijn en het beginsel van non-refoulement.