De zaak betreft een beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan hem heeft opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist onder meer de juiste grondslag van zijn ophouding en bewaring, alsmede de motivering van het significant risico op onderduiken.
De rechtbank stelt vast dat eiser terecht is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, Vw 2000, omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. De eerdere mededeling over een andere grondslag (M122) doet hieraan niet af. Ook is de bewaring op grond van artikel 59a Vw 2000 rechtmatig, ondanks onduidelijkheid over de rechtsgeldige bekendmaking van het overdrachtsbesluit, omdat een concreet aanknopingspunt voor toepassing van de Dublinverordening bestond.
Verder is het significant risico op onderduiken voldoende gemotiveerd door de minister, waarbij ook feiten uit het verleden relevant zijn. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd welke feiten ten onrechte zijn meegewogen. De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en de proceskosten niet vergoed. De maatregel van bewaring blijft daarmee in stand.