8.4De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de planregeling niet evident in strijd is met het vrij verkeer van werknemers. Er is dus evenmin reden om op deze grond de artikelen 5.3, 5.4, 5.9 en 5.10.2 van het paraplubestemmingsplan onverbindend te achten of buiten toepassing te laten. Ook deze grond slaagt daarom niet.
Is sprake van een overtreding?
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat het huisvesten van arbeidsmigranten in de vorm van kamerbewoning, zonder te beschikken over een omgevingsvergunning voor het afwijken van de specifieke gebruiksregels van het omgevingsplan een overtreding oplevert van artikel 5.1, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a, van de Omgevingswet in samenhang gelezen met artikel 22.26 van het Omgevingsplan. Het college was op grond van artikel 18.2, tweede lid, van de Omgevingswet bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaving
10. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Concreet zicht op legalisatie?
11. Van concreet zicht op legalisatie is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake, alleen al omdat eiseres ten tijde van het bestreden besluit geen aanvraag om een legaliserende omgevingsvergunning heeft ingediend. Dat het, naar eiseres stelt, zinloos is om een omgevingsvergunning aan te vragen, omdat vast staat dat die aanvraag wordt afgewezen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Het ligt op de weg van eiseres om een aanvraag te doen en om vervolgens in een bezwaar- en beroepsprocedure op te komen tegen de (verwachte) weigering. Een dergelijke procedure is – anders dan deze handhavingsprocedure – de aangewezen procedure om de rechtmatigheid van een weigering van een omgevingsvergunning te beoordelen. In dat kader kan eiseres ook een beroep doen op de in deze zaak door aangehaalde landelijke beleidsdocumenten over het belang van huisvesting en te stellen eisen aan huisvesting van arbeidsmigranten.
Is handhavend optreden onevenredig?
12. Eiseres heeft een beroep gedaan op de uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 oktober 2013 (
“Case of Winterstein and others v. France”, zaaknr. 27013/07), waaruit volgt dat juist bij kwetsbare groepen rekening moet worden gehouden met hun speciale behoeftes, zoals in het geval van arbeidsmigranten, groepshuisvesting. In het kader van die evenredigheidstoets is volgens het EHRM van belang dat alternatieve huisvestingsmogelijkheden serieus worden onderzocht, zodat daarmee de nodige aandacht wordt besteed aan de gevolgen van handhaving. Eiseres stelt dat in bezwaar en de zienswijze onder verwijzing naar diverse onderzoeken is onderbouwd dat arbeidsmigranten juist groepshuisvesting nodig hebben zoals verkamering van woningen.