ECLI:NL:RBDHA:2026:4554

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25.10685
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
artikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid

Eiser, een volwassen Russische staatsburger, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn moeder en stiefvader in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees dit verzoek af omdat er geen sprake zou zijn van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, aangezien de vereiste bijkomende elementen van afhankelijkheid ontbreken.

Eiser stelde dat zijn gezondheid ernstig is verslechterd door bronchiale astma en corona, waardoor hij niet zelfstandig kan functioneren zonder de zorg van zijn moeder. Hij benadrukte ook zijn langdurige samenwoning met zijn moeder en vreesde terugkeer naar Rusland vanwege militaire dienstplicht en vervolging wegens zijn geloofsovertuiging. De rechtbank oordeelde echter dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor medische en financiële afhankelijkheid en dat de minister terecht oordeelde dat de zorg in Rusland beschikbaar is en dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele band.

De rechtbank bevestigde dat tussen een volwassen kind en ouders in beginsel geen familie- of gezinsleven bestaat onder artikel 8 EVRM Pro, tenzij bijkomende afhankelijkheid wordt aangetoond. De afwijzing van de aanvraag werd daarom gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

De uitspraak benadrukt de strikte toetsing van afhankelijkheid bij aanvragen voor verblijf op grond van familie- en gezinsleven en bevestigt dat asielgerelateerde gronden in deze procedure niet beoordeeld kunnen worden.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25.10685

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: A.F. van Kesteren),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij
[referente] (moeder van eiser en echtgenote van gemachtigde, hierna: referente).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (zijn stiefvader) en de gemachtigde van verweerder. Referente heeft deelgenomen via een videoverbinding.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Russische nationaliteit. Hij is daar opgegroeid en heeft daar gewerkt en zelfstandig gewoond. Zijn moeder (referente) woont sinds 2015 in Nederland. Eiser geeft aan dat zijn gezondheid ernstig is verslechterd toen hij eind 2022 corona kreeg. Werken was volgens hem uiteindelijk niet meer mogelijk en hij kon zich naar eigen zeggen ook niet meer alleen redden. Hij is daarom korte tijd bij zijn ouders in Nederland geweest en hij verblijft nu al enige tijd met zijn moeder in Georgië. Eiser geeft aan dat hij zich niet kan handhaven zonder zijn moeder. Hij wil daarom bij zijn moeder en stiefvader in Nederland verblijven.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen eiser en referente. Tussen eiseres en referente is namelijk geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid, volgens verweerder.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij benadrukt dat hij ernstige bronchiale astma heeft en dat zijn gezondheidssituatie erg is verslechterd doordat hij corona heeft gehad. Referente is bij eiser in Georgië omdat hij niet alleen kan blijven. Zijn ouders zijn daardoor langdurig gescheiden van elkaar. Dit zouden zij niet doen wanneer dat medisch niet noodzakelijk was. Verweerder heeft volgens eiser dan ook ten onrechte gevonden dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser enerzijds en zijn moeder en vader anderzijds. Verweerder heeft de bewijsstukken en verwijzingen naar rechtspraak genegeerd. Hij kan ook om andere redenen niet terug naar Rusland: bij terugkeer heeft hij een grote kans om opgeroepen te worden voor militaire dienstplicht en hij loopt daarnaast gevaar omdat hij en zijn moeder Jehova’s getuigen zijn. Eiser stelt verder dat het in Georgië niet goed met hem gaat. Hij heeft geen toegang tot de noodzakelijke medische zorg en met zijn moeder gaat het daar ook niet goed. Alleen zijn ouders kunnen hem ondersteunen en hulp van derden is niet beschikbaar. Eiser wijst erop dat hij het grootste deel van zijn leven met referente heeft samengewoond en dat zij sinds
1 januari 2023 nauwelijks gescheiden zijn geweest. Het bestreden besluit van verweerder is volgens eiser in strijd met verschillende bepalingen uit het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is, dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Eiser wil verblijf op grond van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Eiser is 35 jaar oud. Tussen een volwassen kind en zijn ouders is in beginsel geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Volgens vaste rechtspraak moeten daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen bestaan, die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. [2] Verweerder moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Elementen zoals samenwoning, de financiële en materiële (praktische) afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de mate van emotionele afhankelijkheid en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. [3] Daarbij hoeft verweerder niet zonder meer uit te gaan van wat eiser over zijn situatie (bijvoorbeeld over zijn gezondheid en afhankelijkheid) heeft verteld. Eiser moet zijn stellingen met bewijzen onderbouwen. De rechtbank moet de uitkomst van verweerders beoordeling met enige terughoudendheid toetsen, omdat die uitkomst volgt uit een weging van omstandigheden. [4]
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referente en dus ook dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van
artikel 8 EVRM Pro.
Daarbij heeft verweerder allereerst van belang mogen vinden dat eiser sinds 2015 alleen in Rusland heeft gewoond en niet is gebleken dat hij zich in die periode niet zelfstandig in Rusland heeft kunnen handhaven. Eisers stelling dat hij en referente sinds
1 januari 2023 vrijwel nooit gescheiden zijn geweest, wat de betekenis daarvan verder ook zou zijn, is onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd.
Niet in geschil is dat eiser bronchiale astma heeft. Verweerder heeft zich echter op het standpunt mogen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij hierdoor afhankelijk is van medische zorg. Voor zover er medische zorg nodig zou zijn, mocht verweerder vinden dat niet is aangetoond dat deze zorg in Rusland niet is te verkrijgen en dat hij zonder de zorg van referente niet zelfstandig kan functioneren.
Ten aanzien van de financiële afhankelijkheid heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat met de overgelegde stukken niet is bewezen dat referente eiser financieel ondersteunt. Verweerder heeft er daarbij om mogen wijzen dat in de overgelegde uittreksels van de bankrekening weliswaar is te zien dat er grote bedragen worden gepind, maar niet dat deze bedragen bij eiser terecht zijn gekomen. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eventuele financiële ondersteuning van eiser door referente ook vanuit Nederland kan plaatsvinden.
Dat eiser vreest voor vervolging in Rusland vanwege zijn geloofsovertuiging is een asiel gerelateerde grond. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat dit in deze reguliere procedure niet beoordeeld kan worden. Datzelfde geldt ten aanzien van eisers gestelde vrees voor de militaire dienstplicht in Rusland.
Het is de rechtbank duidelijk dat referente en haar echtgenoot zeer bezorgd zijn over eiser en dat zij daarom graag willen dat hij bij hun in huis komt wonen. Verweerder heeft op grond van de geldende regels – waaraan verweerder zich moet houden en waaraan de rechtbank moet toetsen – echter mogen oordelen dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een mvv is voldaan. Van strijd met de Nederlandse regelgeving of met bepalingen uit het EVRM is dan ook geen sprake.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
10. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024: 1187, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189.
3.Zie de uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188, onder 4 tot en met 5.4.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.