ECLI:NL:RBDHA:2026:4556

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.28699 en NL25.15962
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 VwArt. 3.51 VbArt. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning na overlijden referent

Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar echtgenoot, die kort na de aanvraag overleed. Verweerder wees de aanvraag af omdat na het overlijden van de referent niet meer aan de voorwaarden voor verblijf als gezinslid kon worden voldaan. Ook de aanvraag voor voortzetting van verblijf op humanitaire gronden werd afgewezen.

Eiseres voerde aan dat verweerder ten onrechte niet had getoetst of zij op enig moment aan de voorwaarden voldeed en dat zij voldoende feitelijke invulling had gegeven aan het gezinsleven. De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende belang had bij een inhoudelijke beoordeling en dat verweerder de motivering onvoldoende had onderbouwd, met name door niet in te gaan op de door eiseres verstrekte informatie over haar huwelijk en gezinsleven.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens ondeugdelijke motivering en veroordeelde verweerder tot het nemen van een nieuw besluit. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres kreeg een proceskostenvergoeding toegekend van € 2.802,-.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.28699 en NL25.15962
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar zoon, de gemachtigde van eiseres en A.S. Choukti als tolk. Verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1960 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 28 april 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar echtgenoot (referent). Referent is op 7 mei 2024, 9 dagen na het indienen van de aanvraag, overleden. Op 9 juli 2024 heeft eiseres een tweede aanvraag ingediend, namelijk voor een verblijfsvergunning voor niet-tijdelijke humanitaire gronden, om haar verblijf voort te zetten. [1]
4. Verweerder heeft de eerste aanvraag van eiseres afgewezen. Primair heeft verweerder dit gedaan omdat er met het overlijden van referent geen verblijfsgever meer is en er dus op grond daarvan al niet meer kan worden voldaan aan de voorwaarden voor verblijf als familie- of gezinslid. Doordat referent is overleden kan het belang van eiseres bij deze aanvraag niet meer worden verwezenlijkt. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat niet aan de vereisten voor verlening is voldaan, omdat niet is komen vast te staan dat eiseres feitelijk invulling heeft gegeven aan haar huwelijk met referent. Zij heeft haar aanvraag op dit punt volgens verweerder, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet onderbouwd.
Aangezien eiseres geen verblijfsvergunning heeft gehad als familie- of gezinslid, heeft verweerder in het verlengde daarvan ook de aanvraag tot voortzetting van haar verblijf afgewezen. [2] De besluiten zijn daarnaast, volgens verweerder, niet in strijd met het recht op familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat er door het overlijden van referent geen sprake is van gezinsleven. Ook kan eiseres geen rechten ontlenen aan haar privéleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat eiseres nog maar kort in Nederland verblijft. Verweerder heeft eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres betoogt in haar beroepsgronden allereerst dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of er aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij referent werd voldaan. Eiseres heeft namelijk bij het indienen van de aanvraag aangetoond dat zij aan alle vereisten heeft voldaan. Dat er door het overlijden van referent niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan, ontslaat verweerder niet van de verplichting om te toetsen of op enig moment na het indienen van de aanvraag aan alle voorwaarden werd voldaan. De verblijfsvergunning kan immers worden verleend vanaf de datum van de aanvraag tot de datum van overlijden. Verweerder had vervolgens moeten toetsen of er aansluitend een verblijf humanitair niet tijdelijk kon worden verleend wegens het overlijden van referent.
Subsidiair betoogt eiseres dat zij voldoende feitelijke invulling heeft gegeven aan het gezinsleven met referent en dat zij dit voldoende heeft onderbouwd. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat zij niet heeft gereageerd op de informatieverzoeken van verweerder.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. Tussen partijen is allereerst in geschil of eiseres belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar aanvraag dan wel de bezwaarprocedure. Volgens vaste jurisprudentie is sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor die indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. [3] Daarbij geldt dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken periode of een inmiddels ingetrokken of vervallen besluit, tenzij sprake is van een onderbouwd verzoek om schadevergoeding dan wel indien een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn bij toekomstige besluiten. [4]
8. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling van haar aanvraag. Als eiseres wordt geacht houder te zijn (geweest) van deze verblijfsvergunning, zou dit immers van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de vraag of zij in aanmerking kan komen voor voortgezet verblijf op grond van een verblijfsvergunning onder de beperking niet-tijdelijke humanitaire gronden. Het primaire standpunt van verweerder houdt daarom geen stand.
9. Het subsidiaire standpunt van verweerder, dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij feitelijk familieleven heeft uitgeoefend met referent en dus niet heeft voldaan aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning voor verblijf bij referent, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd. Verweerder volstaat in zijn motivering in het bestreden besluit met de vaststelling dat eiseres niet heeft gereageerd op de brieven van 4 september en 9 oktober 2024, waarin verweerder om een nadere onderbouwing verzoekt. Verweerder miskent daarmee dat eiseres in haar brieven van 18 september, 23 oktober en 6 november 2024 wel degelijk inhoudelijk op (een deel van) de informatieverzoeken is ingegaan. Zij heeft voorts in de gronden van haar beroep aangegeven dat de feitelijke invulling blijkt uit het 47 -jarige huwelijk tussen eiseres en referent en de 8 kinderen die uit dit huwelijk zijn geboren. Ook heeft zij erop gewezen dat referent een of twee keer per jaar voor langere tijd naar Marokko ging om eiseres te bezoeken en dat zij zelf bij hem in Nederland is geweest toen hij te ziek was om te reizen. Hierop is in het besluit niet ingegaan en aangezien verweerder niet op zitting is verschenen en geen verweerschrift heeft ingediend, is niet duidelijk wat de reactie van verweerder op deze stukken en stellingen is. Het ligt niet op de weg van de rechtbank om in zoverre – zonder bekend te zijn met het standpunt van verweerder – tot een inhoudelijke beoordeling te komen.
10. Het besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens een ondeugdelijke motivering. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van het voorgaande.
11. De overige beroepsgronden worden daarom niet verder besproken.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] .
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten.
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.De voorwaarden staan in artikel 16 van Pro de vreemdelingenwet (Vw), in artikel 3.51 onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en in paragraaf B9/8.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
2.Dat staat in artikel 3.51 Vb, eerste lid onder c.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6811, r.o. 5.1, en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:4290, r.o. 2.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 24 mei 2022,
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.