ECLI:NL:RBDHA:2026:4558

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.57214
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens vertrek zonder procesbelang

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Nederland heeft Spanje op 28 oktober 2025 verzocht de asielaanvraag over te nemen, wat Spanje op 3 november 2025 heeft aanvaard.

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of eiser nog procesbelang heeft, mede naar aanleiding van een brief van de minister waarin werd gemeld dat eiser op 22 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan geen contact meer te hebben en niet te weten waar eiser verblijft.

Volgens vaste rechtspraak geldt dat een vreemdeling die zonder mededeling van verblijfplaats vertrekt, in principe geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland en dus geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De rechtbank concludeert dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft en verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 6 maart 2026. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen met een verzoek om een zitting.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen procesbelang meer heeft vanwege vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57214

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 september 2025 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Het verzoek om een voorlopige voorziening staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.57215. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Spanje op 28 oktober 2025 een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek op 3 november 2025 aanvaard.
Procesbelang
4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Dit is ingegeven door de aan de rechtbank gestuurde brief van de minister van 3 februari 2026, waarin wordt verwezen naar een bijlage met daarin een melding van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Uit deze melding blijkt dat eiser op 22 januari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
4.1.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 3 februari 2026 verzocht om aan te geven of hij nog contact onderhoudt met eiser en om aan te geven of er nog procesbelang bestaat. De gemachtigde van eiser heeft op 10 februari 2026 aangegeven geen contact meer te hebben met eiser en niet te weten waar hij verblijft.
4.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [3] volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in principe van moet worden uitgegaan dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
4.3.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579 of van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).