ECLI:NL:RBDHA:2026:4603

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
C/09/694960 / FA RK 25-8799
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 RvArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen inzake zorgregeling, vakanties en alimentatie na echtscheiding

De vrouw en man zijn gehuwd sinds 2003 en hebben twee minderjarige kinderen en een jong-meerderjarige zoon. Na hun scheiding verzochten zij de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen omtrent de zorgregeling, vakantieverdeling en alimentatie.

De rechtbank stelde een voorlopige zorgregeling vast waarbij de kinderen volgens een 2-2-5-5 schema bij beide ouders verblijven, met duidelijke wisselmomenten en vakantieverdeling. De man stemde in met de zorgregeling. De vakantieverdeling houdt rekening met het belang dat de kinderen niet langer dan twee weken achtereen bij één ouder verblijven.

De rechtbank wees het verzoek van de man tot voorlopige bijdrage in levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige af wegens niet-ontvankelijkheid, omdat geen bodemprocedure was gestart. De voorlopige kinderalimentatie werd vastgesteld op €177 per kind per maand, te betalen door de man aan de vrouw. De voorlopige partneralimentatie werd vastgesteld op €1.753 per maand, eveneens te betalen door de man.

De rechtbank baseerde haar beslissingen op de draagkrachtberekeningen, de behoefte van partijen en het belang van de kinderen, en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling, vakantieverdeling en alimentatie vast en verklaart het verzoek tot bijdrage levensonderhoud jong-meerderjarige niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8799
Zaaknummer: C/09/694960
Datum beschikking: 4 februari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 21 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.H.G. van Riel in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. van den Bout-Kuhlmann in Voorburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift met bijlagen;
  • het bericht van 8 januari 2026 van de vrouw met bijlagen;
  • het op 14 januari 2026 ingekomen verweerschrift met zelfstandige verzoeken en bijlagen;
  • het bericht van 16 januari 2026 van de vrouw met bijlage.
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich in een gesprek met de kinderrechter uitgelaten over de verzoeken.
Op 19 januari 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

Feiten

  • De vrouw en de man zijn met elkaar op [datum] 2003 in [plaats] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.
  • Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] (hierna: de kinderen).
  • de vrouw en de man oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
  • de kinderen zijn op het adres van de vrouw ingeschreven in het BRP.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt hoe dat na wijziging nu luidt, bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een voorlopige zorgregeling en verdeling van (school)vakanties en feestdagen voor dit schooljaar vast te stellen inhoudende dat:
  • [de minderjarige 1] om de week bij elke ouder verblijft. Het wisselmoment is zondagavond rond 20.30 uur. Gezien zijn leeftijd staat het hem vrij, in overleg met zijn ouders, anders te beslissen. Wanneer [de minderjarige 1] 18 jaar wordt zal hij zelf beslissen wanneer hij bij welke ouder verblijft;
  • [de minderjarige 2] bij de ouders volgens het schema 2-2-5-5 verblijft. Dit houdt in dat [de minderjarige 2] :
  • van maandag (wisselmoment na school) tot en met woensdag (wisselmoment na school) bij de man zal zijn. Tot het wisselmoment op woensdag ligt de verantwoordelijkheid voor [de minderjarige 2] bij de man;
  • vanaf woensdag (wisselmoment na school) tot en met vrijdag (wisselmoment na school) verblijft [de minderjarige 2] bij de vrouw. Tot het wisselmoment op vrijdag ligt de
verantwoordelijkheid voor [de minderjarige 2] bij de vrouw;
- vanaf vrijdag (wisselmoment na school) tot en met woensdag (wisselmoment
na school) verblijft [de minderjarige 2] bij de man. Tot het wisselmoment op woensdag ligt de
verantwoordelijkheid voor [de minderjarige 2] bij de man;
  • vanaf woensdag (wisselmoment na school) tot en met maandag (wisselmoment na school) verblijft [de minderjarige 2] bij de vrouw. Tot het wisselmoment op maandag ligt de verantwoordelijkheid voor [de minderjarige 2] bij de vrouw;
  • hierna begint de cyclus opnieuw;
  • de krokusvakantie 2026 brengen de kinderen bij de man door. Vanaf vrijdag 13 februari na school/werk tot en met zondag 22 februari 2026 20.30 uur;
  • de eerste week van de meivakantie 2026 brengen de kinderen aaneengesloten bij de man door van vrijdag 24 april na school/werk tot en met zaterdag 2 mei om 16.00 uur. De tweede week brengen de kinderen aaneengesloten bij de vrouw door, van zaterdag 2 mei 16.00 uur tot en met zondag 10 mei 20.30 uur, dan wel maandag 11 mei na school voor wat betreft [de minderjarige 2] ;
  • de eerste week van de zomervakantie 2026 (start vrijdag17 juli na schooltijd/werktijd en eindigt een week later op zaterdagmiddag om 16.00 uur) verblijven de kinderen bij de man. De 2e en 3e week (start zaterdagmiddag om 16.00 uur en eindigt twee weken later op zaterdagmiddag om 16.00 uur) verblijven de kinderen bij de vrouw. De 4e en 5e week (start zaterdagmiddag om 16.00 uur en eindigt twee weken later op zaterdagmiddag om 16.00 uur) verblijven de kinderen bij de man. De 6e week (start zaterdagmiddag om 16.00 uur en eindigt een weken later op zondagmiddag om 16.00 uur) verblijven de kinderen bij de vrouw;
  • tijdens Erev Pesach verblijven de kinderen bij de man;
- te bepalen dat de man de verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum van indiening van dit verzoekschrift dient te voldoen, dan wel, subsidiair
te bepalen dat de man per datum van indiening van dit verzoekschrift een voorlopige onderhoudsbijdrage voor de minderjarige [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dient te voldoen van € 191,- per kind, per maand, dan wel een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag en ingangsdatum;
- te bepalen dat de man per datum van indiening van dit verzoekschrift een voorlopige
bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 2.562,-
bruto per maand, dan wel een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen
bedrag en ingangsdatum.
De man voert verweer– welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de man, zelfstandig voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
  • een voorlopige verdeling van de (school)vakanties en feestdagen wordt vastgesteld, zoals weergegeven in productie 1 van zijn verweerschrift met zelfstandige verzoeken;
  • te bepalen dat de vrouw aan de man voor [de jong-meerderjarige] een voorlopige bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie is verschuldigd van € 242,- per maand, ingaande vanaf de datum van de door de rechtbank te wijze beschikking, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen vóór de eerste dag van iedere kalendermaand, welke alimentatie jaarlijks wordt geïndexeerd, dan wel te bepalen dat de vrouw een zodanig bedrag aan voorlopige alimentatie ingaande een zodanige datum verschuldigd is, zoals uw rechtbank juist acht.

Beoordeling

Voorlopige zorgregeling
De man heeft ingestemd met de door de vrouw verzochte voorlopige zorgregeling voor de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom als niet weersproken, op de wet gegrond en in het belang van de kinderen toewijzen.
Voorlopige vakantie- en feestdagenregeling
De vrouw heeft een verzoek ingediend tot vaststellen van een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling waarbij volgens de vrouw de vakantie- en feestdagen evenredig tussen partijen verdeeld zijn. In het verzoek van de vrouw zijn de vakanties een uitzondering op de reguliere zorgregeling waardoor, conform de wens van partijen en de kinderen, de kinderen niet langer dan twee weken achtereenvolgend bij één ouder zijn. Verder stelt de vrouw dat het verzoek van de man te verwarrend is en daarom niet in het belang van de kinderen. Voor zover de man heeft gesteld dat het van belang is dat naast de zomervakantie de tweeweekse vakanties (mei- en kerstvakantie) aan één ouder worden toebedeeld, zodat de man met de kinderen buiten de zomervakantie om naar familie in het buitenland kan reizen, stelt de vrouw dat dit ook mogelijk is in de één weekse vakanties. De scholen van de kinderen hebben vaak studiedagen voor of na de vakantie waardoor een langere reis mogelijk is en partijen zijn in het verleden vaak niet langer dan tien dagen bij de familie van de man in het buitenland verbleven.
De man stelt dat bij het verzoek van de vrouw er constant een correctie moet plaatsvinden ten aanzien van de reguliere zorgregeling (het omwisselen van de even en oneven weken) om te zorgen dat de kinderen niet twee weken achtereenvolgend bij één ouder zijn. De man vindt dit te onrustig en niet in het belang van de kinderen. De man heeft daarom verzocht om de zomervakantie op te delen in een 1-2-2-1 schema zodat er vóór en na de zomervakantie geen aanpassingen gedaan hoeven te worden aan de reguliere zorgregeling. Voor de andere vakanties wenst de man een duidelijke verdeling die ieder jaar hetzelfde is, waarbij de kinderen tijdens de mei- en herfstvakantie altijd bij de man zijn en tijdens de kerst- en voorjaarsvakantie bij de vrouw. De man staat er open voor dat dit wordt afgewisseld in de even en oneven jaren. Naast het feit dat deze regeling volgens de man meer duidelijkheid biedt voor partijen en de kinderen, kan de man op deze wijze vaker met de kinderen naar familie in het buitenland te reizen. Een week is gelet op de aard van het bezoek en de reis ernaar toe te kort. Het familiebezoek is voor de man en de kinderen erg belangrijk, mede gelet op de leeftijd van de ouders van de man.
De rechtbank is met partijen van oordeel dat het voor partijen en de kinderen van belang is dat er duidelijkheid komt over de aankomende vakanties. Gelet op het belang van de kinderen en de wens van partijen dat de kinderen niet langer dan twee weken achtereenvolgend bij één ouder zijn, is de rechtbank tot de volgende
voorlopigevakantie- en feestdagenregeling gekomen, waarbij de kinderen:
  • in week 1, 4 en 5 van de zomervakantie bij de man zullen zijn en in week 2,3 en 6 bij de vrouw;
  • in de meivakantie in de even jaren de eerste week bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
  • in de kerstvakantie de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
  • tijdens Erev Pesach bij de man;
  • tijdens de éénweekse vakanties zal de reguliere zorgregeling doorlopen.
De rechtbank ziet in de wens van de man om vaker naar familie in het buitenland te gaan geen reden om de tweeweekse vakanties te verdelen op de door hem voorgestelde wijze, tegen de achtergrond dat de kinderen ook een deel van de mei- en kerstvakantie bij de vrouw moeten kunnen doorbrengen. In het voorkomende geval dat de man met de kinderen een reis wil maken die langer is dan een week zullen partijen dat in onderling overleg moeten kunnen regelen.
Voorlopige alimentatie jong-meerderjarige
De man verzoekt om een maandelijkse voorlopige bijdrage van € 242,- per maand van de vrouw in de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige zoon ( [de jong-meerderjarige] ) van partijen. De man is daartoe gevolmachtigd door [de jong-meerderjarige] .
De rechtbank overweegt dat de limitatieve opsomming van voorlopige voorzieningen die hangende de echtscheidingsprocedure tussen de echtgenoten getroffen kunnen worden op grond van artikel 822, eerste lid, onderdeel d, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen ruimte biedt om een voorlopige kinderalimentatie voor een
jong-meerderjarige vast te stellen. Uit de prejudiciële beslissing van 9 mei 2025 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:724) volgt dat het verzoek is aan te merken als een verzoek op de voet van artikel 223 Rv Pro. De rechter kan dit verzoek gelijktijdig behandelen met de verzoeken van partijen om voorlopige voorzieningen, maar dat kan alleen als ook een bodemprocedure door of namens [de jong-meerderjarige] is gestart. De rechtbank constateert dat dat niet het geval is. Daarom zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat partijen overeenstemming hebben over de behoefte van [de jong-meerderjarige] en dat de niet-ontvankelijk verklaring onverlet laat dat partijen in onderling overleg afspraken zullen moeten over de bijdrage in het levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige] en hoe die kosten aan [de jong-meerderjarige] , die nog thuis woont, zullen worden voldaan.
Voorlopige kinderalimentatie
De vrouw verzoekt primair dat de man de verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum van indiening van dit verzoekschrift dient te voldoen. De rechtbank wijst dit af. Voor een dergelijke afspraak is het nodig dat partijen in goed onderling overleg afspraken kunnen maken en dat lukt hen niet. Daarom zal de rechtbank de voorlopige kinderalimentatie vaststellen. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de verblijfsoverstijgende kosten voldoet. De kinderen staan bij de vrouw ingeschreven en zal de dus de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen moeten voldoen.
Ingangsdatum
Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv Pro, de datum van deze beschikking als ingangsdatum te hanteren.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de jong-meerderjarige] € 654,- per maand bedraagt en de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 643,- per kind per maand (totaal € 1.940) in 2026.
Draagkracht vrouw
Partijen zijn het eens dat voor de draagkracht van de vrouw ten aanzien van de kinderalimentatie haar meest recente loonstrook als uitgangspunt genomen moet worden voor de berekening van haar draagkracht.
De rechtbank zal dan ook de loonstrook van december 2025 van de vrouw als uitgangspunt nemen en rekening houden met:
  • salaris: € 6.241,- bruto per maand;
  • IKB: € 1.030,- bruto per maand;
  • premie ABP pensioen/NP: € 499,24 bruto per maand;
  • premie ABP AP: € 9,90 bruto per maand.
Verder houdt de rechtbank met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
De rechtbank zal daarnaast rekening houden met een kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 5.257,- per maand en de draagkracht van de vrouw voor de voorlopige kinderalimentatie op € 1.620,- per maand in 2026.
Draagkracht man
Hoewel de vrouw vraagtekens zet bij het inkomen van de man gelet, sluit zij in het kader van deze voorlopige voorzieningen aan bij de door de man gestelde salarisgegevens zoals blijkt uit zijn loonstrook van januari 2026.
De rechtbank zal dan ook rekening houden met:
  • salaris: € 12.000,- bruto per maand;
  • eindejaarsuitkering: € 960,- bruto per maand;
  • 8% vakantietoeslag;
  • premie AOP: € 41,20 bruto per maand;
  • pensioen/NP: € 803,52,- bruto per maand.
Verder houdt de rechtbank met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
De rechtbank berekent het NBI van de man op € 7.442,- per maand en de draagkracht van de man voor de voorlopige kinderalimentatie op € 2.691,- per maand in 2026.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat er rekening gehouden moet worden met een zorgkorting van 35%. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt € 643,- per kind per maand in 2026, zodat de zorgkorting voor hen (0,35 x 643) € 225,- per kind per maand is.
Draagkrachtvergelijking
De rechtbank stelt de gezamenlijke forfaitaire draagkracht van partijen vast op (€ 1.620 + € 2.691=) € 4.311,- per maand. Omdat de totale draagkracht van partijen de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (€ 643 x 2 =) € 1.286,- overstijgt wordt ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Dit betekent:
het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.691/ 4.311 x 1.286 = € 803,-
het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.620/ 4.311 x 1.286 = € 483,-
samen € 1.286,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt dus een gedeelte van afgerond € 803,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van afgerond € 483,- per maand voor rekening van de vrouw.
Na aftrek van de zorgkorting van (€ 225 x 2 =) € 450,- per maand moet de man aan de vrouw een voorlopige kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] betalen van (€ 803 - € 450 =) € 353,- per maand (ofwel afgerond € 177,- per kind, per maand).
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van heden een voorlopige kinderalimentatie van € 177,- per kind, per maand zal betalen.
Aanhechten berekening
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Voorlopige partneralimentatie
Behoefte vrouw
De vrouw heeft gesteld dat voor de berekening van de behoefte van de vrouw de Hofnorm als uitgangspunt dient te geleden.
De man betwist dat voor de behoefte van de vrouw de Hofnorm als uitgangspunt genomen dient te worden. De man stelt dat de werkelijke welstand van partijen en het uitgavenpatroon aanzienlijk lager was gelet op extra hypotheekaflossingen en stortingen op de spaarrekening(en) van partijen. De man stelt dat het op de weg van de vrouw lag om aan de hand van een behoeftelijst aan te tonen wat haar behoefte is, iets wat zij niet heeft gedaan.
De rechtbank neemt de Hofnorm tot uitgangspunt omdat het hier een voorlopige voorzieningenprocedure betreft. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw dus berekenen aan de hand van de Hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2025 op € 11.505,- per maand. Hiervan moeten de kosten van de (drie) kinderen in 2025 worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 9.660,- per maand (€ 11.505 - € 1.845 ) beschikbaar is voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de Hofnorm afgerond € 5.796- netto per maand in 2025 (60% van € 9.660,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 is dit € 6.063,- per maand.
Behoeftigheid
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven. De man betwist dat de vrouw behoeftig is. Hij voert ter onderbouwing daarvan aan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft om in de hiervoor berekende (aanvullende) behoefte te voorzien.
Echter, wordt in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw bij het berekenen van een voorlopige partneralimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de man op dit punt. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de partneralimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de vrouw één van de verschillende factoren is waarmee rekening kan worden gehouden.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 6.063,- per maand in 2026 moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. De rechtbank zal hier bovenop enkel haar aandeel in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] optellen zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget wordt gedekt. De kosten van [de jong-meerderjarige] worden hierin niet meegenomen omdat de vrouw nu geen bijdrage levert aan de kosten van levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige] . Indien partijen in de loop van de bodemprocedure hier onderling afspraken over maken vertrouwt de rechtbank erop dat (de advocaten van) partijen een nieuwe berekening zullen maken rekening houdend met het aandeel van de vrouw in deze bijdrage. Het voorgaande leidt tot een aanvullende behoefte van de vrouw van € 821,- netto per maand. Dat is € 1.916,- bruto per maand.
Draagkracht man
De rechtbank berekent de draagkracht van de man voor voorlopige partneralimentatie aan de hand van dezelfde gegevens als voor zijn draagkracht voor voorlopige kinderalimentatie. Voor kinderalimentatie heeft de man een NBI van € 7.442,-. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de expertgroep de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] toepassen
.Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 2.306,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)]). Hierop wordt het aandeel van de man voor alle drie de kinderen in mindering gebracht nu [de jong-meerderjarige] bij de man verblijft en de man tot dusver in de kosten van levensonderhoud en studie voorziet. Dit is totaal € 1.211,- per maand (te weten twee maal de zorgkorting en de kosten van [de jong-meerderjarige] ). De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 1.095,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 1.753,- per maand. De rechtbank zal dit vaststellen eveneens per datum beschikking vastleggen
.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de door de man, met ingang van heden, te betalen voorlopige partneralimentatie zal vaststellen op € 1.753,- per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Aanhechten berekening
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1]
voorlopig:
- om de week bij elke ouder zal verblijven, waarbij het wisselmoment op zondagavond rond 20.30 uur is. Gezien zijn leeftijd staat het [de minderjarige 1] vrij, in overleg met zijn ouders, anders te beslissen. Wanneer [de minderjarige 1] 18 jaar wordt zal hij zelf beslissen wanneer hij bij welke ouder verblijft;
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 2]
voorlopig:
- in een 2-2-5-5 schema bij iedere ouder verblijft, inhoudende dat [de minderjarige 2] :
  • van maandag na school tot en met woensdag naar school bij de man zal verblijven;
  • vanaf woensdag na school tot en met vrijdag naar school zal [de minderjarige 2] bij de vrouw verblijven;
  • vanaf vrijdag na school tot en met woensdag naar school bij de man zal verblijven;
  • vanaf woensdag na school tot en met maandag naar school verblijft [de minderjarige 2] bij de vrouw;
  • hierna begint de cyclus opnieuw;
  • de ouder bij [de minderjarige 2] volgens de regeling verblijft draagt de verantwoordelijkheid over [de minderjarige 2] gedurende die periode;
*
stelt de volgende
voorlopigevakantie- en feestdagenregeling vast waarbij de kinderen:
  • in week 1, 4 en 5 van de zomervakantie bij de man zullen zijn en in week 2,3 en 6 bij de vrouw;
  • in de meivakantie in de even jaren de eerste week bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
  • in de kerstvakantie de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
  • tijdens Erev Pesach bij de man;
  • tijdens de één weekse vakanties zal de reguliere zorgregeling doorlopen.;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 2 februari 2026
voorlopigeen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 177,- per kind, per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 2 februari 2026
voorlopigeen partneralimentatie van € 1.753,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, (kinder)rechter, bijgestaan door T.D. Somer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 februari 2026.