ECLI:NL:RBDHA:2026:475

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL24.27963
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag en onvoldoende motivering van verweerder met betrekking tot economische en sociale binding van eiseres met Iran

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 6 januari 2026, wordt de afwijzing van een visumaanvraag door de minister van Buitenlandse Zaken beoordeeld. Eiseres, een Iraanse vrouw, had op 31 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een kort verblijf visum om haar zoon, schoondochter en kleinzoon in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd op 19 oktober 2023 afgewezen, omdat verweerder twijfels had over de economische en sociale binding van eiseres met Iran en de mogelijkheid van tijdige terugkeer. Eiseres voerde aan dat zij voldoende economische binding had aangetoond door middel van bankafschriften en eigendom van onroerend goed. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiseres niet over voldoende middelen beschikte en dat de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond niet terecht was. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op om een hoorzitting te houden en een nieuw besluit te nemen binnen twaalf weken. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27963

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een geringe economische en sociale binding van eiseres met Iran. Verweerder mocht niet als zelfstandige grond tegenwerpen dat het doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf van eiseres onvoldoende zijn aangetoond. Ook heeft verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres niet beschikt over voldoende middelen voor haar bezoek aan Nederland. Verweerder moet alsnog een hoorzitting laten plaatsvinden, want het bezwaar kon niet als kennelijk ongegrond worden afgedaan. Het bestreden besluit kan geen stand houden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gebruikt heeft gemaakt van het algoritme IOB bij de besluitvorming. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 31 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft op 11 juli 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op 11 juli 2025 gereageerd met een verweerschrift. Op de aanvullende gronden van eiseres van 3 oktober 2025, heeft verweerder gereageerd met een aanvullend verweerschrift van 13 november 2025.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent [naam 1] , kleinzoon [naam 2] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiseres heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1954. Eiseres heeft op 31 augustus 2023 een aanvraag visum kort verblijf ingediend voor een familie/privébezoek zodat zij haar zoon, schoondochter en kleinzoon in Nederland kan bezoeken in de periode van 16 september 2023 tot 15 oktober 2023.
Bestreden besluit
4. Verweerder heeft de visumaanvraag met het bestreden besluit van 19 oktober 2023 als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder wijst de aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, eiseres niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst en er bestaat voor verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiseres het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. Deze redelijke twijfel bestaat bij verweerder omdat hij de economische en sociale binding van eiseres met Iran onvoldoende dan wel gering heeft bevonden.
Afwijzingsgrond tijdige terugkeer
5. Verweerder komt een ruime beoordelingsvrijheid toe bij het beoordelen van een visumaanvraag. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode [1] volgt dat verweerder bij redelijke twijfel over tijdig vertrek, de visumaanvraag moet weigeren. Hiervoor toetst verweerder onder andere de economische en sociale binding die eiseres met Iran heeft.
Economische binding
6. Eiseres voert aan dat zij haar economische binding met Iran voldoende aangetoond heeft. Aan de overgelegde bankschriften is te zien dat eiseres beschikt over voldoende middelen. Eiseres kan met deze middelen een goed leven leiden in Iran, waardoor er geen vrees is dat zij niet tijdig terug zal keren naar Iran. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juli 2018 [2] waarin is overwogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gegeven dat de vreemdeling beschikt over een bankrekening met een positief saldo onvoldoende is om aan te nemen dat een economische binding met Iran bestaat. Daarnaast staat in de Visumcode dat het eigendom van onroerende goederen zoals hier het geval is, bijdraagt aan het vaststellen van economische binding. Door deze rechtbank en zittingsplaats is op 8 mei 2017 [3] geoordeeld dat eigendomsbewijzen van onroerende goederen op grond van bijlage II bij artikel 14, eerste lid, van de Visumcode als documenten dienen aan de hand waarvan het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten getoetst dient te worden. Verweerder heeft dit onvoldoende betrokken in zijn besluitvorming.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres onvoldoende economische binding heeft met Iran. Bij de beoordeling van de economische binding van eiseres aan Iran is niet alleen haar inkomen van belang, maar dient verweerder meer aspecten te betrekken zoals de woonlasten van eiseres, de kosten van levensonderhoud en de levensstandaard. Verweerder gaat hier in het bestreden besluit ten onrechte aan voorbij. Zoals eiseres ook heeft gesteld, is het aan verweerder om duidelijk te maken welke informatie aangeleverd mag/moet worden ter onderbouwing van de economische binding. Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat eiseres misschien kan leven van haar inkomsten in Iran, maar dat dit in het midden gelaten kan worden. Dit kan de rechtbank niet volgen, omdat dit antwoord een relevant onderdeel is bij de beoordeling en conclusie van verweerder dat sprake is van onvoldoende economische binding van eiseres aan Iran. Bovendien heeft verweerder verscheidene vragen opgeworpen, zoals of eiseres inderdaad pensioen ontvangt, hoe hoog dit pensioen is, hoe frequent eiseres het pensioen ontvangt, wat de kosten zijn van eiseres voor haar levensonderhoud en wat de normale lasten zijn voor levensonderhoud in de woonplaats van eiseres. In plaats van hier navraag over te doen bij eiseres heeft verweerder op basis van een aantal fictieve aannames een berekening gemaakt hoeveel geld eiseres nodig heeft om van te kunnen leven in Iran. Dat is niet zorgvuldig en draagkrachtig gemotiveerd te noemen. De rechtbank acht hierbij ook relevant dat eiseres het ontvangen en de hoogte van het pensioen heeft onderbouwd met een vertaalde pensioenakte, rekeningafschriften en maandelijkse stortingen waarvan de hoogten overeen lijken te komen met het bedrag dat is genoemd in de pensioenakte. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aldus onvoldoende gemotiveerd dat eiseres hiermee niet voldoende heeft onderbouwd dat ze het door haar gestelde pensioen daadwerkelijk maandelijks ontvangt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd dat in het midden kan blijven of eiseres kan leven van haar inkomsten in Iran.
7.1.
Reeds hierom heeft verweerder het bezwaar niet als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen. Uit de fictieve aannames in het verweerschrift over het inkomen en de uitgaven van eiseres in Iran, blijkt dat er aanleiding was om over te gaan tot het houden van een hoorzitting om de benodigde informatie te verzamelen. De uitzondering dat aanstonds duidelijk was dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had, deed zich niet voor. Verweerder heeft daarom ten onrechte geen hoorzitting laten plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het beroep is daarom gegrond. Ter volledigheid van de beoordeling van het beroep van eiseres, zal de rechtbank ook beoordelen wat verder is aangevoerd.
Sociale binding
8. Eiseres voert aan dat dat verweerder ten onrechte spreekt over een zeer geringe sociale binding tussen eiseres en Iran. Eiseres is 70 jaar oud en heeft haar hele leven in Iran gewoond. Eén van haar meerderjarige kinderen in Iran woont sinds zijn echtscheiding bij eiseres. De broer en zus van eiseres wonen ook in Iran. Met hen allen heeft eiseres een hechte band. Hierbij verwijst eiseres wederom naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juli 2018 waarin is overwogen dat niet in geschil is dat iemand die in een land geboren en getogen is, een sterke band heeft met dat land, des te meer als daar familieleden wonen met wie de vreemdeling een hechte en goede band heeft. Voor eiseres is dit ook het geval. Ook kan sprake zijn van sociale binding zonder dat sprake is van zorgtaken, zoals bij eiseres het geval is. Hierbij verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2019 [4] . Daarnaast voert eiseres aan dat haar referent een betrouwbare garantsteller is. Hij heeft eerder garant gestaan voor zijn schoonouders, die tijdig zijn teruggekeerd. Hierbij verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 december 2020 [5] , waarin is overwogen dat vaststaat dat verweerder in bepaalde gevallen een betrouwbare garantsteller wel een rol laat spelen in de beoordeling omtrent twijfel over een tijdige terugkeer. In onderhavige zaak heeft verweerder dat ten onrechte niet gedaan.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres een geringe sociale binding heeft met Iran. Eiseres heeft aangevoerd dat zij een hechte band heeft met haar broer en zus in Iran en dat één van haar meerderjarige kinderen bij haar in huis woont sinds zijn scheiding. Hier is verweerder onvoldoende op ingegaan in het bestreden besluit. Het volgende acht de rechtbank ook van belang in het kader van de sociale binding. Ter zitting is door de kleinzoon van eiseres verteld dat zijn ook in Iran woonachtige grootouders aan zijn moeders kant wel tweemaal een visum kort verblijf hebben verkregen voor een familiebezoek. De eerste aanvraag is eerst afgewezen, maar na het bezwaar van de kleinzoon en de toen nader ingebrachte stukken is de aanvraag alsnog ingewilligd. De tweede aanvraag is direct ingewilligd. De kleinzoon heeft aangegeven dat hij niet begrijpt wat voor verweerder de verschillen zijn in de zaken en waardoor de aanvraag van eiseres wél is afgewezen. Zijn grootouders en eiseres zijn allen personen op leeftijd die gepensioneerd zijn en een huis bezitten in Iran. De grootouders die eerder visa hebben verkregen, hebben drie kinderen in Nederland en één meerderjarige dochter in Iran die getrouwd is en haar eigen gezin heeft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op de nog te houden hoorzitting aandacht dient te besteden aan deze omstandigheden. Daarbij dient verweerder ook in te gaan op de stelling van eiseres dat het onmogelijk lijkt om een visum te verkrijgen als het gaat om een alleenstaande die al de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, dus niet meer werkt en geen minderjarige kinderen of ouders heeft om te verzorgen. Pensioeninkomen kan immers ook vanuit het buitenland worden genoten en onroerend goed waarover de gepensioneerde beschikt kan inderdaad in theorie worden verkocht, zoals verweerder hier tegenwerpt. Omdat het om een ex nunc beoordeling gaat in bezwaar, dient verweerder ook te betrekken dat de kleinzoon van eiseres heeft verklaard dat hij inmiddels ook vast inkomen uit werkzaamheden heeft en naast zijn vader garant wil en kan staan en dat hij zijn garantstelling heeft onderbouwd met verschillende stukken.
De rechtbank is aldus van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij redelijke twijfel heeft aan de tijdige terugkeer van eiseres. Verweerder dient dit opnieuw te beoordelen, mede aan de hand van een hoorzitting, waarbij de aangevoerde argumenten ook in onderlinge samenhang dienen te worden beschouwd. Deze beroepsgrond slaagt.
Voorgenomen doel als afwijzingsgrond
10. Eiseres voert aan dat verweerder niet heeft laten blijken dat hij twijfelt aan de familierelatie tussen referent en eiseres. Ook motiveert verweerder verder niet waarom hij het niet volgt dat het voorgenomen doel van eiseres een familiebezoek is. Hierbij verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 juni 2019 [6] , waarin is geoordeeld dat verweerder niet aan heeft kunnen geven dan wel motiveren dat de Visumcode een verdere verplichting tot specificatie van de reden van het bezoek of bijzondere familiegebeurtenis vereist. Daarnaast komen de data die verweerder aanhaalt als data van het bezoek, niet overeen met de data van de overgelegde vliegtickets en de garantstelling.
De rechtbank stelt vast dat ter zitting is bevestigd door verweerder dat hij niet twijfelt aan het feitelijke doel van eiseres om haar zoon, schoondochter en kleinzoon te bezoeken. Verweerder twijfelt enkel aan de voorgenomen duur van het verblijf van eiseres. Dit ligt in het verlengde van de afwijzingsgrond ‘tijdig vertrek’. Het voorgenomen doel fungeert dan niet als zelfstandige afwijzingsgrond. Uit het bovenstaande volgt dat verweerder de afwijzingsgrond ‘tijdige terugkeer’ eveneens onvoldoende heeft gemotiveerd en opnieuw dient te beoordelen, mede middels een hoorzitting. De beroepsgrond slaagt.
Voldoende middelen
11. Eiseres voert aan dat zij voor haar voorgenomen verblijf dient te beschikken over € 1.650,- (30 dagen met een bedrag van € 55,- per dag). Op haar bankrekeningafschrift van augustus 2023 is een saldo te zien van € 2.671,20, wat voldoende is. De referent van eiseres heeft zijn arbeidsovereenkomst en loonstroken overlegd. De kleinzoon van eiseres werkt inmiddels ook en wil ook garant staan. Ook zijn arbeidsovereenkomst is overgelegd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet zou beschikken over voldoende middelen.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres niet beschikt over voldoende middelen. Ter zitting is gebleken dat verweerder een rekenfout heeft gemaakt bij het omrekenen van het banksaldo van eiseres en bij zijn tegenwerping dat er zeer hoge stortingen zijn gedaan op de bankrekening van eiseres vlak voor haar visumaanvraag. Verweerder is uitgegaan van een saldo van € 26.535,03, in plaats van € 2.671,20. Het correcte bedrag is dus aanzienlijk lager en dat moet verweerder gebruiken bij zijn nieuwe beoordeling. Voor de rechtbank is niet inzichtelijk geworden op basis waarvan eiseres wordt tegengeworpen dat ze onvoldoende middelen van bestaan heeft, nu het saldo op haar bankrekening toereikend lijkt te zijn. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder dient zich ook hiervan rekenschap te geven in zijn nieuw te nemen beslissing.
Algoritme IOB
13. Eiseres voert aan dat verweerder gebruik heeft gemaakt van het algoritme Informatie Ondersteunend Beslissen (IOB). Hierbij verwijst eiseres naar een tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 5 augustus 2025 [7] . Verweerder dient open te zijn over het gebruik van het algoritme IOB. Ook dient verweerder onderzoek te doen naar het algoritme IOB en de vraag of sprake is van mensenrechtenschendingen bij het gebruik van algoritme IOB.
14. De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat verweerder gebruik heeft gemaakt van het algoritme IOB in de besluitvorming in onderhavige procedure. Met de verwijzing naar de tussenuitspraak van 5 augustus 2025 onderbouwt eiseres niet dat in haar procedure verweerder in de aanvraagfase dan wel de bezwaarfase gebruik heeft gemaakt van het algoritme IOB. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb en het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder heeft de visumaanvraag van eiseres niet kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Verweerder moet een hoorzitting laten plaatsvinden, waarbij verweerder acht slaat op hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
15.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op de al lange duur van de procedure, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder hiervoor een termijn te stellen. Omdat een hoorzitting moet worden belegd, wordt een termijn van twaalf weken gegeven.
15.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding van de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. De vergoeding van het griffierecht bedraagt € 187,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 2 juli 2024;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening 810/2009.
2.Rechtbank, zaaknummer: AWB 18/1147 (niet gepubliceerd).
3.Rechtbank, zaaknummer: AWB 16/28381 (niet gepubliceerd).
5.Rechtbank, zaaknummer: AWB 20/2749 (niet gepubliceerd).
6.Rechtbank, zaaknummer: AWB 18/9926 (niet gepubliceerd).