7.1.Reeds hierom heeft verweerder het bezwaar niet als kennelijk ongegrond kunnen afwijzen. Uit de fictieve aannames in het verweerschrift over het inkomen en de uitgaven van eiseres in Iran, blijkt dat er aanleiding was om over te gaan tot het houden van een hoorzitting om de benodigde informatie te verzamelen. De uitzondering dat aanstonds duidelijk was dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had, deed zich niet voor. Verweerder heeft daarom ten onrechte geen hoorzitting laten plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het beroep is daarom gegrond. Ter volledigheid van de beoordeling van het beroep van eiseres, zal de rechtbank ook beoordelen wat verder is aangevoerd.
8. Eiseres voert aan dat dat verweerder ten onrechte spreekt over een zeer geringe sociale binding tussen eiseres en Iran. Eiseres is 70 jaar oud en heeft haar hele leven in Iran gewoond. Eén van haar meerderjarige kinderen in Iran woont sinds zijn echtscheiding bij eiseres. De broer en zus van eiseres wonen ook in Iran. Met hen allen heeft eiseres een hechte band. Hierbij verwijst eiseres wederom naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juli 2018 waarin is overwogen dat niet in geschil is dat iemand die in een land geboren en getogen is, een sterke band heeft met dat land, des te meer als daar familieleden wonen met wie de vreemdeling een hechte en goede band heeft. Voor eiseres is dit ook het geval. Ook kan sprake zijn van sociale binding zonder dat sprake is van zorgtaken, zoals bij eiseres het geval is. Hierbij verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2019. Daarnaast voert eiseres aan dat haar referent een betrouwbare garantsteller is. Hij heeft eerder garant gestaan voor zijn schoonouders, die tijdig zijn teruggekeerd. Hierbij verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 december 2020, waarin is overwogen dat vaststaat dat verweerder in bepaalde gevallen een betrouwbare garantsteller wel een rol laat spelen in de beoordeling omtrent twijfel over een tijdige terugkeer. In onderhavige zaak heeft verweerder dat ten onrechte niet gedaan.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres een geringe sociale binding heeft met Iran. Eiseres heeft aangevoerd dat zij een hechte band heeft met haar broer en zus in Iran en dat één van haar meerderjarige kinderen bij haar in huis woont sinds zijn scheiding. Hier is verweerder onvoldoende op ingegaan in het bestreden besluit. Het volgende acht de rechtbank ook van belang in het kader van de sociale binding. Ter zitting is door de kleinzoon van eiseres verteld dat zijn ook in Iran woonachtige grootouders aan zijn moeders kant wel tweemaal een visum kort verblijf hebben verkregen voor een familiebezoek. De eerste aanvraag is eerst afgewezen, maar na het bezwaar van de kleinzoon en de toen nader ingebrachte stukken is de aanvraag alsnog ingewilligd. De tweede aanvraag is direct ingewilligd. De kleinzoon heeft aangegeven dat hij niet begrijpt wat voor verweerder de verschillen zijn in de zaken en waardoor de aanvraag van eiseres wél is afgewezen. Zijn grootouders en eiseres zijn allen personen op leeftijd die gepensioneerd zijn en een huis bezitten in Iran. De grootouders die eerder visa hebben verkregen, hebben drie kinderen in Nederland en één meerderjarige dochter in Iran die getrouwd is en haar eigen gezin heeft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op de nog te houden hoorzitting aandacht dient te besteden aan deze omstandigheden. Daarbij dient verweerder ook in te gaan op de stelling van eiseres dat het onmogelijk lijkt om een visum te verkrijgen als het gaat om een alleenstaande die al de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, dus niet meer werkt en geen minderjarige kinderen of ouders heeft om te verzorgen. Pensioeninkomen kan immers ook vanuit het buitenland worden genoten en onroerend goed waarover de gepensioneerde beschikt kan inderdaad in theorie worden verkocht, zoals verweerder hier tegenwerpt. Omdat het om een ex nunc beoordeling gaat in bezwaar, dient verweerder ook te betrekken dat de kleinzoon van eiseres heeft verklaard dat hij inmiddels ook vast inkomen uit werkzaamheden heeft en naast zijn vader garant wil en kan staan en dat hij zijn garantstelling heeft onderbouwd met verschillende stukken.
De rechtbank is aldus van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij redelijke twijfel heeft aan de tijdige terugkeer van eiseres. Verweerder dient dit opnieuw te beoordelen, mede aan de hand van een hoorzitting, waarbij de aangevoerde argumenten ook in onderlinge samenhang dienen te worden beschouwd. Deze beroepsgrond slaagt.
Voorgenomen doel als afwijzingsgrond
10. Eiseres voert aan dat verweerder niet heeft laten blijken dat hij twijfelt aan de familierelatie tussen referent en eiseres. Ook motiveert verweerder verder niet waarom hij het niet volgt dat het voorgenomen doel van eiseres een familiebezoek is. Hierbij verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 juni 2019, waarin is geoordeeld dat verweerder niet aan heeft kunnen geven dan wel motiveren dat de Visumcode een verdere verplichting tot specificatie van de reden van het bezoek of bijzondere familiegebeurtenis vereist. Daarnaast komen de data die verweerder aanhaalt als data van het bezoek, niet overeen met de data van de overgelegde vliegtickets en de garantstelling.
De rechtbank stelt vast dat ter zitting is bevestigd door verweerder dat hij niet twijfelt aan het feitelijke doel van eiseres om haar zoon, schoondochter en kleinzoon te bezoeken. Verweerder twijfelt enkel aan de voorgenomen duur van het verblijf van eiseres. Dit ligt in het verlengde van de afwijzingsgrond ‘tijdig vertrek’. Het voorgenomen doel fungeert dan niet als zelfstandige afwijzingsgrond. Uit het bovenstaande volgt dat verweerder de afwijzingsgrond ‘tijdige terugkeer’ eveneens onvoldoende heeft gemotiveerd en opnieuw dient te beoordelen, mede middels een hoorzitting. De beroepsgrond slaagt.
Voldoende middelen
11. Eiseres voert aan dat zij voor haar voorgenomen verblijf dient te beschikken over € 1.650,- (30 dagen met een bedrag van € 55,- per dag). Op haar bankrekeningafschrift van augustus 2023 is een saldo te zien van € 2.671,20, wat voldoende is. De referent van eiseres heeft zijn arbeidsovereenkomst en loonstroken overlegd. De kleinzoon van eiseres werkt inmiddels ook en wil ook garant staan. Ook zijn arbeidsovereenkomst is overgelegd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet zou beschikken over voldoende middelen.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres niet beschikt over voldoende middelen. Ter zitting is gebleken dat verweerder een rekenfout heeft gemaakt bij het omrekenen van het banksaldo van eiseres en bij zijn tegenwerping dat er zeer hoge stortingen zijn gedaan op de bankrekening van eiseres vlak voor haar visumaanvraag. Verweerder is uitgegaan van een saldo van € 26.535,03, in plaats van € 2.671,20. Het correcte bedrag is dus aanzienlijk lager en dat moet verweerder gebruiken bij zijn nieuwe beoordeling. Voor de rechtbank is niet inzichtelijk geworden op basis waarvan eiseres wordt tegengeworpen dat ze onvoldoende middelen van bestaan heeft, nu het saldo op haar bankrekening toereikend lijkt te zijn. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder dient zich ook hiervan rekenschap te geven in zijn nieuw te nemen beslissing.
13. Eiseres voert aan dat verweerder gebruik heeft gemaakt van het algoritme Informatie Ondersteunend Beslissen (IOB). Hierbij verwijst eiseres naar een tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 5 augustus 2025. Verweerder dient open te zijn over het gebruik van het algoritme IOB. Ook dient verweerder onderzoek te doen naar het algoritme IOB en de vraag of sprake is van mensenrechtenschendingen bij het gebruik van algoritme IOB.
14. De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat verweerder gebruik heeft gemaakt van het algoritme IOB in de besluitvorming in onderhavige procedure. Met de verwijzing naar de tussenuitspraak van 5 augustus 2025 onderbouwt eiseres niet dat in haar procedure verweerder in de aanvraagfase dan wel de bezwaarfase gebruik heeft gemaakt van het algoritme IOB. De beroepsgrond slaagt niet.
15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Awb en het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder heeft de visumaanvraag van eiseres niet kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Verweerder moet een hoorzitting laten plaatsvinden, waarbij verweerder acht slaat op hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.