ECLI:NL:RBDHA:2026:4829

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL24.50620
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige wegens schending hoorplicht

Eiser, een Turkse onderdaan, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd om als zelfstandige arbeid te verrichten. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige mvv en onvoldoende onderbouwing van het ondernemingsplan. Eiser maakte bezwaar en overhandigde een ondernemingsplan, maar verweerder handhaafde het besluit zonder eiser te horen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser, omdat het ondernemingsplan in bezwaar nieuwe informatie bevatte die nadere toelichting behoefde. De hoorplicht is geschonden, waardoor het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt verweerder binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot het in stand laten van de rechtsgevolgen van het besluit, zelfvoorziening of een bestuurlijke lus. Tevens worden de proceskosten en griffierecht aan eiser toegewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.50620
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1990, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. B. Aydin)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 mei 2024 afgewezen omdat eiser niet over een geldige mvv [1] beschikte (primaire besluit). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 19 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (bestreden besluit).
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft aanvullende stukken ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
3. Deze zaak gaat over het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen die in Nederland als zelfstandige arbeid willen verrichten. [2] Per 1 oktober 2022 wordt van Turkse zelfstandigen verlangd dat zij (eerst) beschikken over een mvv. Zij komen alleen nog op grond van het Turks associatierecht voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking als zij aan alle voorwaarden van de vergunning voldoen én er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat het verlangen van een mvv onevenredig is.
3.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘arbeid als zelfstandige’ om zijn eenmanszaak ‘ [bedrijf] ’ te kunnen voeren.
Besluitvorming
4. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat eiser niet over een geldige mvv beschikt en niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eiser heeft namelijk geen ondernemingsplan en niet alle benodigde stukken overgelegd waardoor de minister van Economische Zaken niet voor verweerder kan beoordelen of met eiser zijn bedrijfsactiviteiten een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend.
4.1.
In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Eiser heeft in bezwaar een ondernemingsplan overgelegd, maar de markt- en concurrentieanalyse in dit plan is volgens verweerder onvoldoende gedegen. Ook is het financieel plan zeer beknopt en heeft eiser dit niet onderbouwd met berekeningen. Tevens ontbreekt er een (openings)balans. Daarnaast bevat het plan geen exploitatie- en liquiditeitsbegroting. Verder heeft eiser nagelaten zijn ondernemingsplan te onderbouwen met onder meer concrete intentieverklaringen van toekomstige opdrachtgevers, concrete opdrachtovereenkomsten of een ondertekende verklaring omtrent inkomen zelfstandig ondernemer. Gezien het vorenstaande is op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Daarom heeft verweerder van horen mogen afzien en het bezwaar kennelijk ongegrond mogen verklaren. Tot slot heeft eiser geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht waarom de aanvraag toch zou moeten worden ingewilligd.
Hoorplicht
5. Allereerst stelt eiser zich op het standpunt dat hij ten onrechte niet in bezwaar is gehoord.
5.1.
Uit de wet volgt dat verweerder verplicht is de vreemdeling te horen en dat alleen vanwege een aantal uitputtend omschreven redenen hiervan kan worden afgezien. [3] Zoals de Afdeling heeft overwogen is het uitgangspunt dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat verweerder terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. [4] Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [5] De beslissing om die bepaling toe te passen, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.
5.2.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2023 overwogen dat als een vreemdeling de stukken die worden genoemd in bijlage 8aa van het VV [6] niet heeft overgelegd en ook geen verklaring heeft gegeven waarom hij daarover niet kan beschikken, die vreemdeling heeft nagelaten om essentiële informatie over te leggen waarvan hij wist of kon weten dat die voor het nemen van een besluit noodzakelijk is. Het ligt voor verweerder dan in beginsel minder in de rede dat hij die vreemdeling uitnodigt voor een hoorzitting. [7] Uit diezelfde uitspraak volgt dat er niettemin toch reden kan zijn om eiser te horen indien één of meerdere van de volgende niet-limitatieve en niet-cumulatieve omstandigheden zich voordoet: (1) eiser zou op of vlak na een hoorzitting eenvoudig de ontbrekende informatie kunnen geven, (2) eiser heeft in bezwaar al een mogelijke steekhoudende verklaring gegeven voor het niet kunnen overleggen van bepaalde stukken, en (3) er bestaat onduidelijkheid over de waardering van één of meer overgelegde stukken.
5.3.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat in dit geval niet is voldaan aan de maatstaf om op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb af te zien van het horen van eiser. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de primaire fase geen gemachtigde had en verweerder na het nemen van het primaire besluit eiser geadviseerd heeft om een gemachtigde in te schakelen. Eiser had zelf een aantal onderbouwende stukken ingediend, maar het ondernemingsplan ontbrak. Verweerder heeft in het primaire besluit verwezen naar het aanvraagformulier als opgenomen in Bijlage 8a van het VV in plaats van naar Bijlage 8aa van het VV. Weliswaar heeft verweerder later ook nog verwezen naar bijlage 8aa van het VV, maar dit was niet heel eenduidig. Eiser heeft gehoor gegeven aan de handreikingen van verweerder en een advocaat ingeschakeld en een registeraccountant die voor hem het ondernemingsplan heeft opgesteld waarin is opgenomen een omschrijving van de bedrijfsactiviteiten, een marktanalyse, de marketing en verkoopstrategie, een beschrijving van de organisatie en het management en een financieel plan. Dit ondernemingsplan heeft eiser voor het eerst in bezwaar overgelegd en tevens verzocht om een hoorzitting. Verweerder heeft het ondernemingsplan niet voldoende geacht, maar eiser daarover niet gehoord. De rechtbank is van oordeel dat door het indienen van een ondernemingsplan door eiser in bezwaar hem niet op voorhand duidelijk was welke informatie nog ontbrak. Op zitting kwam naar voren dat eiser op een hoorzitting nog meer had kunnen toelichten over het ondernemingsplan. Zo heeft eiser verklaard dat hij cijfers over zijn personeel heeft, dat zijn personeel namens hem al aan de slag is en dat hij hen nu aanstuurt vanuit Turkije. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een hoorzitting uitkomst had kunnen bieden voor partijen om de nog ontbrekende informatie alsnog toe te lichten dan wel over te leggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser niet kennelijk ongegrond kon verklaren en daarmee heeft verweerder de hoorplicht geschonden. De beroepsgrond slaagt.
6. Omdat het beroep reeds op deze beroepsgrond slaagt, behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt
daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen
aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te
voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van acht weken.
8. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers
gemaakte griffie- en proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit
proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand
vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het
verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden; en
- veroordeelt de verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Zie paragraaf B1/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Artikel 7:2 en Pro 7:3 van de Awb.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 t/m 5.3.
5.Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4.
6.Voorschrift Vreemdelingen 2000.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2557; De Afdeling heeft dit oordeel herhaald in de meer recente uitspraken van 7 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1917 en ECLI:NL:RVS:2024:1918, en 3 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2269.