ECLI:NL:RBDHA:2026:486

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.39364
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. van Luijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit geboortedatum minderjarige asielzoeker wegens onvoldoende motivering

Eiser, een asielzoeker van Eritrese nationaliteit, betwistte de door de minister vastgestelde geboortedatum die in Italië was geregistreerd. De minister had een verblijfsvergunning verleend maar ging uit van een oudere geboortedatum dan eiser had opgegeven, omdat er twijfel bestond over zijn leeftijd. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de Italiaanse registratie zwaarder woog dan de leeftijdsschouw en de verklaringen van eiser.

De rechtbank stelde vast dat de leeftijdsschouw door de IND niet inzichtelijk en concludent was, omdat er geen duidelijke verbinding was tussen observaties en conclusies. Ook was niet duidelijk waarom de minister meer gewicht gaf aan de Italiaanse registratie, terwijl niet was onderzocht waarop deze was gebaseerd. De minister had verder moeten informeren bij de Italiaanse autoriteiten.

De rechtbank benadrukte dat de minister de presumptie van minderjarigheid moet respecteren en deze alleen kan ontzenuwen met deugdelijk bewijs. Omdat dit niet was gebeurd, werd het besluit vernietigd voor zover het de geboortedatum betrof. De minister moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze uitspraak. Eiser kreeg een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het besluit van de minister over de geboortedatum wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en onderzoek, en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39364

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J.M. Suurmeijer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.C. Post - Kadijk).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beschikking van 24 juli 2025, voor zover de minister daarin de geboortedatum van eiser heeft vastgesteld. Eiser heeft op 4 december 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 juli 2025 aan eiser een verblijfsvergunning verleend. In dit besluit heeft de minister de in Italië geregistreerde geboortedatum aangehouden. Volgens eiser is de minister van een onjuiste geboortedatum uitgegaan.
2. De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden gedeelte van het besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De asielaanvraag
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag, voor zover in deze procedure van belang, ten grondslag dat hij van Eritrese nationaliteit is en is geboren op [geboortedatum 1] 2007.

Het bestreden besluit

6. In het bestreden besluit oordeelt de minister dat de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar zijn identiteit niet. De gestelde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2007 wordt door de minister niet gevolgd. Er is twijfel ontstaan over de leeftijd van eiser. De leeftijdsschouw door AVIM leidde tot de conclusie evident minderjarig, terwijl de IND concludeerde dat er twijfel bestaat over zijn leeftijd. Daarom is een onderzoek gestart in Italië. Daaruit is gebleken dat in Italië [geboortedatum 2] 2005 als geboortedatum van eiser is geregistreerd. De minister heeft onderzocht of er aanleiding is om meer gewicht toe te kennen aan de in Italië geregistreerde geboortedatum. Omdat eiser in Nederland geen identificerende documenten of overtuigende verklaringen heeft overgelegd waaruit de gestelde minderjarige leeftijd blijkt, heeft de minister de geboortedatum zoals vastgesteld in Italië overgenomen.
De gronden van beroep
7. Eiser stelt dat niet uitgegaan kan worden van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Uit de leeftijdsschouwen volgt evident minderjarig en twijfel, niet dat eiser meerderjarig is. Daarbij wordt bij de leeftijdsschouw van de IND niet duidelijk wat de reden is voor de twijfel. De genoteerde kenmerken passen zowel bij een meerderjarige als een minderjarige. Verder is niet duidelijk geworden waarom er meer gewicht toekomt aan de in Italië geregistreerde geboortedatum. De geboorteverklaring is geen identificerend document, maar moet door de minister wel worden betrokken in de beoordeling. Ook de verklaringen van eiser over de registratie van zijn naam en geboortedatum in Italië zijn goed te volgen. Daarbij blijkt uit het onderzoek in Italië dat er twee geboortedata zijn genoteerd, de minister pikt precies de datum die negatief voor eiser uitkomt eruit. Dat eiser ook [geboortedatum 3] 2007 als geboortedatum zou hebben duidt mogelijk enkel op verwarring tussen [geboortedatum 3]2007 ten opzichte van [geboortedatum 1]2007. Dit is eiser ook niet eerder tegengeworpen en mag hem dus ook in de beschikking niet worden tegengeworpen.
Beoordeling
Leeftijdsschouw
8. Over de leeftijdsschouw overweegt de rechtbank als volgt. Van leeftijdsschouwen kan gebruik worden gemaakt als deze zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. Daarbij moet duidelijk een verbinding worden gemaakt tussen de observaties en de daaruit getrokken conclusies. [1] Tijdens het aanmeldgehoor is eiser geschouwd door één medewerker van de IND. In het daarvan opgestelde verslag wordt het gedrag van eiser omschreven en worden de lichamelijke kenmerken en de verklaringen van eiser opgesomd, waarna geconcludeerd wordt dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. Daarbij wordt niet uitgelegd welke signalen tot die conclusie hebben geleid en waarom die signalen daartoe hebben geleid. Er wordt geen verbinding gelegd tussen de observaties en de conclusie. Ook wordt niet uitgelegd waarom de lichamelijke kenmerken en het gedrag van eiser typerend zijn voor een minderjarige (of juist voor een meerderjarige). [2] De rechtbank is van oordeel dat deze schouw niet inzichtelijk en concludent is en daarom niet betrokken kan worden bij het standpunt van de minister dat twijfel bestaat over de leeftijd die appellant heeft opgegeven. [3]

Leeftijdsregistratie in Italië

9. Met betrekking tot de leeftijdsregistratie in Italië overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan de minister betoogt, mag bij de leeftijdsregistratie in Italië niet worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. De minister mag de leeftijdsregistratie betrekken en daaraan gewicht toekennen, maar moet dan zorgvuldig onderzoeken en deugdelijk motiveren welk gewicht aan een bepaalde registratie wordt toegekend en waarom. Door de minister moeten alle feiten en omstandigheden worden meegewogen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn, waaronder ook bijvoorbeeld onofficiële identificerende documenten. [4]
9.1.
Door de minister is onderzoek gedaan naar de leeftijd van eiser door navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten. Uit de reactie van Italië is niet op te maken op grond waarvan [geboortedatum 2] 2005 als geboortedatum is geregistreerd. Bij de registratie zijn blijkens de reactie geen documenten overgelegd, is de leeftijd niet onderzocht en was er geen informatie over familieleden beschikbaar. Door de minister is vervolgens niet verder geïnformeerd en daarom ook niet verder toegelicht waarop de Italiaanse autoriteiten de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd. De minister had echter moeten nagaan waarop de Italiaanse autoriteiten de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd. Dat de door eiser overgelegde geboorteverklaring zijn standpunt over zijn leeftijd niet onderbouwt, omdat deze verklaring niet identificerend is, de echtheid niet kan worden vastgesteld, deze tardief is opgemaakt en eiser hierover tegenstrijdig heeft verklaard, betekent nog niet dat de minister meer gewicht aan de leeftijdsregistratie in Italië kon toekennen. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht en verder had moeten informeren bij de Italiaanse autoriteiten. [5]
9.2.
Daarnaast moet de minister bij de beoordeling van de leeftijd van eiser uitgaan van de minderjarigheid van eiser en is het aan de minister om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen. [6] Door te overwegen dat eiser zijn minderjarige leeftijd niet heeft kunnen aantonen, zodat wordt uitgegaan van de geboortedatum [geboortedatum 2] 2005, miskent de minister de presumptie van minderjarigheid.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom meer gewicht is toegekend aan de leeftijdsregistratie in Italië en vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover de door eiser gestelde geboortedatum niet geloofwaardig wordt geacht.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom is uitgegaan van de in Italië geregistreerde geboortedatum. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin is beslist over de geboortedatum van eiser en bepaalt met toepassing van artikel 8:72 lid 4 Awb Pro dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 24 juli 2025 voor zover daarin is beslist dat de door eiser gestelde geboortedatum niet geloofwaardig wordt geacht en laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
  • draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. van Luijk, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4491.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3991.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5048.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4491, 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5550 en 13 oktober 2025, ECLI:NL:RVS2025:4837.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5048.