ECLI:NL:RBDHA:2026:488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.29178
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor arbeid als zelfstandige met mvv-vereiste

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en voert enkele beroepsgronden aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigen. Eiser heeft op 24 oktober 2024 een aanvraag ingediend, die door de minister op 28 november 2024 is afgewezen. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 behandeld. Eiser heeft in het verleden meerdere aanvragen ingediend, die allemaal zijn afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister het privéleven van eiser voldoende heeft betrokken in de belangenafweging en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering op het mvv-vereiste rechtvaardigen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen verblijfsvergunning krijgt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29178

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en voert daartoe enkele beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet in het bezit is van een geldig mvv [1] en dat ook niet is gebleken dat er sprake is van een situatie op basis waarvan eiser vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste. De artikelen 3 en 8 van het EVRM [2] zijn daarbij voldoende betrokken. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 28 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [3] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser, mr. N. Imminga, en de gemachtigde van de minister.
Wat is voorafgegaan aan deze procedure
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft verschillende aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning. Vanaf 10 augustus 2011 heeft hij vier aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend. Deze aanvragen zijn allen afgewezen en staan in rechte vast. Ook heeft eiser een aanvraag om toetsing aan het EU-recht (bewijs van rechtmatig verblijf) ingediend. Deze aanvraag heeft, bij besluit van 11 mei 2017, geleid tot het gevraagde verblijfsdocument met als verblijfsdoel “Familielid van een burger van de Unie”. Op
21 maart 2022 heeft eiser een aanvraag “verblijfsdocument duurzaam verblijf voor burgers van de Unie en hun familieleden” ingediend. Deze aanvraag is afgewezen en onherroepelijk geworden. Op 10 november 2023 is vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser als gemeenschapsonderdaan reeds op 8 januari 2018 is geëindigd en is een terugkeerbesluit opgelegd. Op 24 oktober 2024 heeft eiser huidige aanvraag met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij niet in het bezit is van een geldige mvv en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Ook is er geen sprake van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiser zou moeten worden vrijgesteld van het vereiste.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Op grond van het tweede lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.
4.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, als het betreft de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.
4.2.
In artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder a tot en met s van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zijn categorieën opgenomen. Van het vereiste van een geldige mvv is onder ander vrijgesteld, (onder e) de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 of wiens uitzetting in strijd is met het Turks associatierecht en (onder l) de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.
4.3.
In B1/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is opgenomen wanneer er sprake is van vrijstelling van het mvv-vereiste vanwege het Associatierecht.
4.4.
Op grond van het derde lid van artikel 3.71 van het Vb kan de minister, wanneer er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden een hardheidsclausule toepassen en op die grond afzien van het mvv-vereiste. In B1/4.1.3 en 4.1.4 van de Vc zijn situaties beschreven wanneer de hardheidsclausule wordt toegepast en wanneer niet.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte het mvv-vereiste tegenwerpt. De minister heeft geen of in ieder geval onvoldoende rekening gehouden met artikel 8 van het EVRM. Dit had wel gemoeten nu eiser al zeer lange tijd in Nederland verblijft en privéleven heeft opgebouwd. Daarnaast meent eiser dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste getuigt van onevenredige hardheid. Er is namelijk sprake van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan eiser had moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eiser zou immers enkel om de mvv op te halen naar Turkije moeten gaan. Dit terwijl er in Turkije een arrestatiebevel jegens hem is uitgevaardigd. Eiser loopt hierdoor ernstig gevaar en risico op schending van artikel 3 van het EVRM wanneer hij terugkeert naar Turkije. Uit het arrest Ararat van het Hof van Justitie volgt dat een toets aan artikel 3 EVRM ook betrokken dient te worden in deze beoordeling. Eiser had hier, zo heeft hij ter zitting aangevuld, in ieder geval over gehoord moeten worden.

Beoordeling door de rechtbank

Moet eiser vrijgesteld worden van het mvv-vereiste omdat uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is?
6. De rechtbank stelt vast dat de minister in de bestreden beschikking het privéleven van eiser heeft betrokken. De vraag is of de minister voldoende heeft getoetst of uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de belangenafweging alle op dat moment bekende en door eiser aannemelijk gemaakte feiten en omstandigheden heeft betrokken. De minister heeft daarbij naar het besluit van 7 mei 2024 kunnen verwijzen waarin het privéleven uitgebreid is getoetst en de belangenafweging in eisers nadeel is uitgevallen. Dit besluit is met de uitspraak van 17 september 2024 in rechte vast komen te staan. Over de periode na dit besluit heeft eiser, anders dan dat hij nu een langere periode (illegaal) in Nederland verblijft en werkt, geen aanvullende onderbouwing gegeven voor het in Nederland opgebouwde privéleven.
6.1.
De minister heeft in het nadeel mogen meewegen dat het langdurige verblijf in Nederland is gebaseerd op het afwachten van beslissingen op aanvragen, die ondanks dat deze telkens worden afgewezen, toch vrijwel identiek opnieuw worden ingediend. Eiser is privéleven in Nederland gaan uitoefenen tijdens illegaal verblijf, dit komt grotendeels voor rekening en risico van eiser. In een dergelijk geval levert uitzetting, volgens vaste rechtspraak, slechts in bijzondere omstandigheden strijd met artikel 8 van het EVRM op. [4] Wanneer het privéleven wordt opgebouwd tijdens illegaal verblijf of een periode waarin de verblijfsrechtelijke status onzeker is, kan dat privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten van dat privéleven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Het enkele feit dat eiser zonder verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige heeft verricht in Nederland, is geen reden om privéleven aan te nemen. Verder heeft de minister bij het oordeel mogen betrekken dat is gebleken dat eiser is geboren en getogen in Turkije, daar bijna dertig jaar heeft gewoond en daar nog een zoon en familie heeft wonen. Hetgeen eiser aanvoert is onvoldoende om aan te nemen dat uitzetting strijd met artikel 8 van het EVRM oplevert en dat eiser om die reden vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste. Gelet hierop heeft de minister eiser terecht niet met toepassing van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Moet de hardheidsclausule worden toegepast in verband met de individuele omstandigheden van eiser?
7. Voor zover eiser met de in het kader van artikel 8 van het EVRM naar voren gebrachte omstandigheden eveneens een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, van het Vb heeft willen doen, overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft zich, gelet op hetgeen onder 6. en 6.1. is overwogen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat vasthouden aan het mvv-vereiste in het kader van artikel 8 van het EVRM tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt.
7.1.
Dat de hardheidsclausule toegepast moet worden omdat eiser, volgens hem, bij terugkeer ernstig gevaar en risico op schending van een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM loopt volgt de rechtbank niet. Eiser voert hiertoe aan dat hij ten onrechte is beschuldigd voor belediging en daarvoor in Turkije voor de rechtbank moet verschijnen. Hij stelt dat uit landeninformatie volgt dat mensenrechten worden geschonden in Turkije. De rechtbank stelt vast dat dit asielgerelateerde gronden zijn. Uit B1/4.1.4. van de Vc volgt dat de minister de hardheidsclausule in ieder geval niet toepast als de vreemdeling asielgerelateerde gronden aanvoert. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat onder omstandigheden asielgerelateerde gronden wel kunnen worden betrokken in een reguliere procedure. Dit is het geval bij de beoordeling in het kader van de belangenafweging, of een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Indien aangevoerde asielgerelateerde gronden nader onderzoek vergen naar het asielrelaas van de desbetreffende vreemdeling of de veiligheidssituatie in het land van herkomst, dan is de asielprocedure de daarvoor geëigende procedure. [5] In het geval van eiser zien de asielgerelateerde gronden niet op gezinshereniging. Daarnaast is dat wat eiser naar voren heeft gebracht niet van zodanige aard en inhoud dat de minister zonder nader onderzoek de asielgerelateerde gronden zou kunnen beoordelen. De asielgerelateerde gronden hoefden dan ook niet betrokken te worden in deze reguliere procedure. Gelet daarop past het nader horen van eiser over de asielgerelateerde gronden dan ook niet in deze reguliere aanvraagprocedure. De minister heeft eiser terecht niet met toepassing van artikel 3.71, derde lid, van het Vb vrijgesteld van het mvv-vereiste. Het staat eiser vrij om zijn vrees in een asielprocedure te laten beoordelen.
Ararat
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit het arrest Ararat van het Hof van Justitie volgt dat een toets aan artikel 3 EVRM ook betrokken dient te worden in deze beoordeling. Voor zover eiser meent dat de minister niet zonder 3 EVRM toets heeft kunnen verwijzen naar het terugkeerbesluit van 10 november 2023, overweegt de rechtbank als volgt. Het arrest Ararat gaat niet over een situatie zoals die van eiser. In zijn geval is er geen sprake van een eerder in een asielprocedure uitgevaardigd terugkeerbesluit dat geactualiseerd dient te worden, eiser heeft immers geen asielaanvraag ingediend. Dat maakt, zoals de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag [6] , ook heeft overwogen, niet dat dit arrest geen betekenis kan hebben in andere situaties. De rechtbank is van oordeel dat dit arrest ook betekenis heeft in deze zaak. Het uit artikel 3 van het EVRM voortvloeiende verbod dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, is immers absoluut. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister in een reguliere procedure alleen gehouden is om van een terugkeerbesluit af te zien in situaties waarin uit het dossier dan wel het door de vreemdeling aangevoerde aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement. Eiser heeft de stelling dat hij ten onrechte is beschuldigd voor belediging en daardoor te vrezen heeft bij terugkeer niet nader onderbouwd. Hij heeft wel een document aangeleverd waaruit op te maken valt dat hij wordt beschuldigd van belediging, maar om wat voor soort belediging het gaat, wie het betreft, dat dit een onterechte beschuldiging is en wat de gevolgen hiervan zijn is niet toegelicht of onderbouwd. Dat betekent dat niet zonder nader onderzoek is vast te stellen dat onmiskenbaar en evident sprake is van een refoulementrisico. Aan de hand van hetgeen in het dossier aanwezig is heeft de minister geen risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM geconstateerd. De minister heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank in dit geval kunnen volstaan en kunnen verwijzen naar het terugkeerbesluit opgenomen in het besluit van 10 november 2023.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van
N. Walstra, griffier en uitgesproken door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zaak NL24.47985
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2661, onder 3, en het arrest in de zaak Butt tegen Noorwegen, van 4 december 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1623.
6.Uitspraak van 25 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18300.