Eiser heeft op 14 april 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland, die door de minister op 7 augustus 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Eiser betwist deze niet-ontvankelijkheid en voert aan dat de Duitse grensweigering een bredere reikwijdte heeft dan door de minister aangenomen.
De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 16 april 2016 internationale bescherming geniet in Duitsland en dat dit volgens Eurodac-gegevens en recente communicatie met Duitse autoriteiten nog steeds het geval is. De grensweigering van 10 juni 2024 is gebaseerd op het ontbreken van geldige reisdocumenten en niet op beëindiging van de beschermingsstatus.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van de actuele Eurodac-gegevens en dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat zijn beschermingsstatus is beëindigd. De beroepsgronden falen en het beroep wordt ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.