ECLI:NL:RBDHA:2026:503

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL26.292
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep bewaring van een Ghanese vreemdeling met verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 13 januari 2026 uitspraak gedaan in het vierde vervolgberoep van een Ghanese vreemdeling tegen de maatregel van bewaring die op 30 juli 2025 is opgelegd. De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vreemdeling onvoldoende voortvarendheid van de overheid in zijn uitzettingsprocedure aanvoert, en dat de informatie in het door de overheid overgelegde inlichtingenformulier niet actueel is. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er voldoende zicht op uitzetting naar Ghana bestaat, en dat de vreemdeling niet actief meewerkt aan zijn uitzetting. De rechtbank heeft ook overwogen dat de maatregel van bewaring nog niet langer dan zes maanden duurt, en dat in deze periode het belang van de overheid om de maatregel voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling op vrijlating. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.292

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.S.W.Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 januari 2026 gesloten. [2]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1981 en de Ghanese nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 augustus 2025. [3] Vervolgens zijn er vervolgberoepen ingesteld. [4] Uit de laatste uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 december 2025 [5] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 4 december 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds de sluiting van voornoemd onderzoek op 4 december 2025.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting naar Ghana. Het door verweerder overgelegde inlichtingenformulier van 2 december 2025 is niet actueel, omdat dit hetzelfde formulier is als in het vorige vervolgberoep door verweerder is overgelegd. Daardoor is niet inzichtelijk of na 27 november 2025 nog bij de Ghanese autoriteiten is gerappelleerd over de lp [6] -aanvraag. Uit het inlichtingenformulier blijkt bovendien niet van recente uitzettingshandelingen. Eiser wijst erop dat het meest recente verslag van een vertrekgesprek in het dossier van 5 december 2025 dateert en dat sindsdien onvoldoende voortgang is geboekt. Verder stelt eiser dat in het inlichtingenformulier wordt verwezen naar een verzwaarde belangenafweging en een mogelijke overschrijding van de zesmaandentermijn, terwijl die termijn volgens hem nog niet is verstreken. Ook is geen verlengingsbesluit genomen. Voor zover al een verzwaarde belangenafweging is verricht, is die onvoldoende kenbaar en onvoldoende gemotiveerd. Niet is toegelicht welke belangen zijn betrokken en waarom het belang van verweerder bij verwijdering aanmerkelijk groter zou zijn dan in het algemeen het geval is.
5. De rechtbank overweegt allereerst dat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting naar Ghana bestaat. [7] Uit het dossier blijkt dat de door verweerder op 23 juni 2025 aangevraagde lp bij de Ghanese autoriteiten nog steeds loopt. Daarbij geldt dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en zijn lp-traject. Niet is gebleken van aanknopingspunten die erop wijzen dat bij volledige medewerking geen lp zal worden afgegeven door de Ghanese autoriteiten. Tijdens het vertrekgesprek van 5 december 2025 heeft eiser verklaard geen enkele actie te hebben ondernomen om zijn identiteit en nationaliteit met documenten te onderbouwen, dat hij niet naar Ghana wil terugkeren en niet aan uitzetting zal meewerken, nu hij op eigen gelegenheid naar Italië wil vertrekken. Verder blijkt uit het verweerschrift dat op 17 december 2025 schriftelijk is gerappelleerd bij de Ghanese autoriteiten. Op 7 januari 2026 is gepoogd een vertrekgesprek met eiser te voeren in verband met het voornemen tot verlenging van de inbewaringstelling, maar eiser heeft aangegeven niet met de Dienst Terugkeer en Vertrek in gesprek te willen gaan. Gelet hierop is voldoende inzichtelijk dat verweerder voortvarend aan eisers uitzetting werkt. Dat het inlichtingenformulier van 2 december 2025 niet is geactualiseerd, maakt het vorenstaande niet anders. Onder deze omstandigheden is niet gebleken dat uitzetting binnen een redelijk termijn ontbreekt.
6. De maatregel van bewaring is opgelegd op 30 juli 2025, wat betekent dat eiser nog geen zes maanden in bewaring zit. Uit vaste rechtspraak volgt dat in de eerste zes maanden van de bewaring doorgaans het belang van verweerder om de bewaring voort te zetten zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling op vrijlating. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven dat het belang van de vreemdeling, ook binnen die zes maanden, zwaarder weegt. In het geval van eiser zijn van dergelijke omstandigheden niet gebleken. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat in het inlichtingenformulier bij punt 10a standaard wordt vermeld dat bij overschrijding van de zes maanden een zwaardere belangenafweging geldt en dat verweerder overweegt de bewaring voort te laten duren. Dit is momenteel niet van toepassing op eiser.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 13 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
4.Zie uitspraken van 25 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17631, 30 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19995 en 4 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23051.
6.Laissez-passer.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:824.