ECLI:NL:RBDHA:2026:5086

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
NL24.50813 en NL24.50814
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 20 VWEUArt. 21 VWEURichtlijn 2004/38/EGArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende belangenafweging

Eiser, een meerderjarige Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER, maar zijn aanvraag werd afgewezen door verweerder op grond van het VWEU en het EVRM. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van bijzondere afhankelijkheid en een belangenafweging die het Nederlandse belang zwaarder liet wegen dan het familie- en gezinsleven van eiser.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de belangenafweging niet zorgvuldig en deugdelijk heeft gemotiveerd. Met name is onvoldoende rekening gehouden met het belang van de minderjarige zus van eiser, een Unieburger, die haar leven in Nederland heeft opgebouwd en hechte banden met eiser onderhoudt. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom het economische belang van Nederland zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsaanvraag wordt vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.50813 (beroep) en NL24.50814 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. T.F.W. Kouwenhoven),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER [1] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de belangenafweging niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en omstandigheden

2.1.
Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1999 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eisers zusje, [persoon 1] , is geboren op [geboortedag 2] 2007. Eiser en [persoon 1] hebben dezelfde moeder, maar [persoon 1] heeft een andere vader. [2] Eiser en [persoon 1] zijn op 1 juni 2008 erkend door de vader van [persoon 1] . In september 2018 is er een relatiebreuk geweest tussen de ouders. Het gezin is toen naar Nederland gereisd. Omdat er geen geschikte opvangmogelijkheid was in Nederland, is het gezin doorgereisd naar België.
2.2.
Op 1 oktober 2019 heeft het gezin in België verblijfsaanvragen gedaan. Hangende deze procedure heeft [persoon 1] op 19 januari 2021 het Nederlanderschap verkregen. De Belgische autoriteiten hebben op 10 maart 2022 de verblijfsaanvraag van [persoon 1] in België afgewezen, omdat haar moeder niet over voldoende bestaansmiddelen beschikte. [persoon 1] is tegen deze beslissing niet in bezwaar gegaan. Het gezin is vervolgens weer naar Nederland gereisd. In april 2022 heeft de moeder een afgeleid verblijfsrecht in Nederland gekregen, op grond van het arrest Chavez-Vilchez [3] .
2.3.
Eiser heeft op 30 november 2022 een aanvraag ingediend voor een
verblijfsdocument EU/EER.
2.4.
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 29 september 2023 afgewezen. Verweerder heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 20 van Pro het VWEU [4] en het arrest Chavez-Vilchez, omdat eiser meerderjarig is. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest K.A. [5] , omdat geen sprake is van bijzondere afhankelijkheid. Verweerder heeft verder gesteld dat geen sprake is van familieleven tussen eiser en zijn moeder in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [6] . Het jongvolwassenenbeleid is niet van toepassing en er is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
2.5.
Met het bestreden besluit van 22 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft onverminderd gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 20 van Pro het VWEU en het arrest
Chavez-Vilchez en het arrest K.A.. Verweerder heeft wel aangenomen dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en [persoon 1] . Verweerder heeft echter het belang van de Nederlandse overheid zwaarder laten wegen dan het persoonlijke belang van eiser en heeft daarom geen reden gezien eiser een verblijfsdocument te verlenen.
2.6.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon 2] (de moeder van eiser en [persoon 1] ) en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER terecht heeft afgewezen.
Artikel 21 van Pro het VWEU en de omvang van het geding
3.1.
Eiser heeft in zijn beroepschrift gesteld dat hij niet meer opkomt tegen de overwegingen van verweerder omtrent Chavez-Vilchez en het arrest K.A.. Eiser voert in beroep aan dat hij een afgeleid verblijfsrecht ontleent aan artikel 21 van Pro het VWEU, in samenhang met de Verblijfsrichtlijn [7] , omdat [persoon 1] een terugkerende Nederlander is. Volgens eiser heeft [persoon 1] in de periode van 23 januari 2021 (de datum van bevestiging van de aanvraag van de moeder van eiser) tot 10 maart 2022 (de datum van de verblijfsweigering aan [persoon 1] door de Belgische autoriteiten) rechtmatig Unierechtelijk verblijf uitgeoefend in België. Eiser voert aan dat het feit dat de claim uiteindelijk is afgewezen niet wegneemt dat het verblijf van [persoon 1] in België rechtmatig was.
3.2.
De rechtbank heeft op de zitting de omvang van het geding aan de orde gesteld. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat het beroep van eiser op artikel van het 21 van het VWEU en de Verblijfsrichtlijn voor het eerst in beroep is gedaan. Verweerder heeft daarom noch in de primaire fase noch in de bezwaarfase deze grondslag beoordeeld en daar ook geen besluit over genomen. Verweerder heeft in het verweerschrift wel gereageerd op deze grond en zich op het standpunt gesteld dat [persoon 1] niet onder de werking van de Verblijfsrichtlijn viel, omdat zij op 10 maart 2022 een afwijzing heeft gekregen van de Belgische autoriteiten voor verblijf in België. Eiser wijst er echter op dat [persoon 1] op het moment van de weigering door België al Unieburger was, dat zij in België naar school ging en dat zij daar een zorgverzekering kreeg. De rechtbank heeft op de zitting opgemerkt dat, voor de beoordeling van deze standpunten en daarmee de vraag of sprake is van een afgeleid verblijfsrecht in de zin van artikel 21 van Pro het VWEU en de Verblijfsrichtlijn, het feitenonderzoek nog niet compleet is en een beoordeling in beroep eiser de mogelijkheid van bezwaar ontzegd. [8]
3.3.
Eiser heeft, na bespreking van het voorgaande op de zitting, zijn beroepsgrond dat hij een afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 21 van Pro het VWEU en de Verblijfsrichtlijn ingetrokken en aangekondigd dat hij bij verweerder een nieuwe aanvraag zal indienen op grond daarvan. De rechtbank zal deze beroepsgrond daarom ook verder niet beoordelen.
Belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM
4.1.
Eiser voert verweer tegen de belangenafweging in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM en stelt dat deze ten onrechte in zijn nadeel is uitgevallen. Eiser vindt het onbegrijpelijk dat verweerder wel in zijn voordeel weegt dat hij werkt, maar dat verweerder toch niet de belangenafweging in zijn voordeel laat uitvallen. Daarbij zijn de banden tussen hem en [persoon 1] al aangemerkt als hechte persoonlijke banden. Eiser voert verder aan dat het van [persoon 1] als Unieburger niet verwacht kan worden dat zij zich verplaatst naar Suriname.
4.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en [persoon 1] , zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. In geschil is wel of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser mocht laten uitvallen. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid toetsen. [9] De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de bestuursrechter het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen. [10]
4.3.
Verweerder heeft in eisers voordeel meegewogen dat hij sterke banden heeft met [persoon 1] , nu hij altijd met haar heeft samengewoond. Verweerder kent daar echter geen doorslaggevend gewicht aan toe. Verweerder heeft verder in eisers voordeel meegewogen dat hij werkzaam is geweest bij de NS. Verweerder heeft het economische belang van de Nederlandse staat in eisers nadeel meegewogen, en daarmee de bescherming van de arbeidsmarkt en de door de overheid betaalde voorzieningen, zoals onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur. Verweerder heeft ook in eisers nadeel meegewogen dat hij een groot deel van zijn leven in Suriname heeft doorgebracht. Verweerder ziet niet dat er objectieve belemmeringen zijn voor eiser om in Suriname te gaan wonen. Ook voor [persoon 1] zijn er volgens verweerder geen belemmeringen om in Suriname te gaan wonen, nu zij daar ook is geboren en is opgegroeid en gewend is aan de gewoonten en cultuur daar.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de belangenafweging ten onrechte het belang van [persoon 1] , een minderjarige Unieburger, niet heeft gewogen. Zij heeft belang bij het voortzetten van haar leven in Nederland samen met eiser, waarmee zij hechte persoonlijke banden heeft. Verweerder gaat er vanuit dat [persoon 1] opnieuw in Suriname kan gaan wonen, maar verweerder heeft hier geen reële voorstelling van zaken. Het is namelijk niet aan eiser om te bepalen waar [persoon 1] gaat wonen en het is ook niet aan de minderjarige [persoon 1] zelf om die keuze te maken, gezien het feit dat zij haar moeder volgt, zoals zij haar ook gevolgd is naar Nederland. Op de zitting is gebleken dat [persoon 1] inmiddels haar draai gevonden heeft in Nederland en dit schooljaar haar eindexamen doet. Verweerder geeft aan dat de band tussen broer en zus minder bescherming behoeft dan de band tussen een ouder en een minderjarig kind. Dit is de reden dat moeder een Chavez-Vilchez recht heeft gekregen en dat zou teniet gedaan worden als [persoon 1] eiser zou moeten volgen naar Suriname en moeder dit vervolgens ook zou moeten doen.
4.5.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder onvoldoende oog heeft gehad voor het feit dat eiser gedurende de periode dat hij rechtmatig verblijf had in Nederland naar tevredenheid van zijn werkgever NS als technicus heeft gewerkt, zoals ook blijkt uit de brief van de NS aan eiser van 20 december 2024. In samenhang bekeken heeft verweerder onvoldoende toegelicht waarom het economisch belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het belang van eiser die heeft laten zien maatschappelijke en economische waarde te hebben voor Nederland.
4.6.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht de gegeven motivering ontoereikend om de conclusie dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt te kunnen dragen.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond, omdat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat prevaleren boven de belangen van eiser. Het bestreden besluit zal dan ook in zoverre worden vernietigd. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb [11] dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
5.2.
Omdat de rechtbank nu beslist over het beroep van eiser en dit beroep gegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskosten aan eiser vergoeden. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift en een verzoekschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.De rechtbank gaat uit van deze feiten, zoals geschetst door eiser en niet betwist door verweerder.
3.Het arrest van het Europees Hof van Justitie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
4.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
5.Het arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2018, C-82/16.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Richtlijn 2004/38/EG.
8.Zie ook het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:570.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.
11.Algemene wet bestuursrecht.