De minister van Asiel en Migratie legde op 20 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, sub b van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 6 maart 2026 en sloot het onderzoek op 9 maart 2026.
De minister baseerde de bewaring op het risico dat eiser zich zou onttrekken aan het toezicht op vreemdelingen, onderbouwd met zware en lichte gronden zoals het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht en het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en middelen van bestaan. De rechtbank oordeelde dat deze gronden samen voldoende zijn om de bewaring te dragen.
Eiser voerde onder meer aan dat hij slechts kort onttrokken was aan toezicht en dat zijn psychische problematiek een lichter middel rechtvaardigde. De rechtbank verwierp deze bezwaren, onder meer omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat medische zorg in detentie ontoereikend zou zijn. De rechtbank constateerde dat de minister voortvarend handelde in het kader van de asielprocedure.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.