ECLI:NL:RBDHA:2026:517

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
NL25.43197
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Meesters - van Luijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens onduidelijkheid vluchtelingenstatus in Griekenland

Eiser heeft in Nederland asiel aangevraagd nadat hij in Griekenland internationale bescherming had gekregen. De minister wees de aanvraag af wegens tegenstrijdige verklaringen over zijn nationaliteit en herkomst, ondersteund door een taalanalyse die zijn Somalische afkomst betwijfelde.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht twijfelt aan de geloofwaardigheid van eisers nationaliteit en herkomst, mede omdat het geboortebewijs niet overtuigend is. De minister mocht de taalanalyse als deskundigenadvies volgen en hoefde het geboortebewijs niet zwaar te laten wegen.

Echter, de rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit naar Ethiopië niet kan worden uitgevoerd zolang onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de vluchtelingenstatus van eiser intrekken. Daarom vernietigt de rechtbank het terugkeerbesluit, terwijl het overige bestreden besluit in stand blijft.

De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De uitspraak biedt tevens informatie over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit is vernietigd vanwege onduidelijkheid over de vluchtelingenstatus in Griekenland, terwijl de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43197

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. Eiser heeft op 1 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Deze voorziening staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.43198 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
2. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting en op de nadere zitting van 15 december 2025 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Aan de nadere zitting heeft ook een tolk deelgenomen.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit gedeeltelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser heeft -nadat in Griekenland aan hem internationale bescherming is verleend- op 1 mei 2023 in Nederland asiel aangevraagd. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser, voor zover hier van belang, het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij de Somalische nationaliteit heeft en tot de Museberio sub-stam behoort. Eiser heeft verteld dat hij in Zuid-Somalië woonachtig was. Verder heeft hij verklaard dat hij werd gediscrimineerd vanwege zijn afkomst. Ook heeft eiser verklaard dat hij benaderd en ontvoerd is geweest door Al Shabaab, waarna hij het land heeft verlaten. Eiser vreest bij terugkeer vermoord te worden door Al Shabaab.
Taalanalyse
6. Op 21 mei 2025 is door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT) gerapporteerd over een uitgevoerde taalanalyse. Hierbij is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Somalië. Het Somalisch van eiser komt volledig overeen met het Somalisch zoals dat gangbaar is in Ethiopië.
Het bestreden besluit
7. Van de identiteit worden de naam, achternaam en leeftijd door de minister (vooralsnog) gevolgd, omdat deze gegevens overeenkomen met de informatie uit de Griekse asielprocedure. Eisers nationaliteit en herkomst zijn volgens de minister niet geloofwaardig. De minister werpt eiser tegen dat hij zijn Griekse vluchtelingenpaspoort niet heeft overgelegd. Door eiser is tegenstrijdig verklaard over zijn land van herkomst en nationaliteit en deze zijn tegenstrijdig met het resultaat van de taalanalyse. Omdat de problemen met Al Shabaab en de discriminatie wegens zijn afkomst alleen betekenis hebben tegen de achtergrond van eisers herkomst, zijn deze problemen door de minister niet getoetst. De minister wijst de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond.
De gronden van beroep
8. Eiser stelt dat het niet redelijk is dat de minister aan eiser tegenwerpt dat hij zijn Griekse paspoort aan een reisagent heeft gegeven in ruil voor een kosteloze reis naar Nederland om de uitzichtloze situatie in Griekenland te kunnen ontvluchten. Eiser kan niet worden verweten dat hij niets over de Griekse procedure heeft verteld, omdat hij niet kon weten dat de minister dit wilde weten. Door eiser is naar aanleiding van de taalanalyse uitgelegd hoe het komt dat hij Amhaars beheerst. Een contra-expertise is voor eiser niet mogelijk, omdat er bijna geen deskundige te vinden is en de kosten voor hem veel te hoog zijn. Eiser heeft zijn geboortebewijs overgelegd. De minister weigert dit document bij de beoordeling te betrekken, ondanks dat eiser heeft verteld hoe de procedure om aan dit document te komen is verlopen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in Zuid Somalië is geboren en opgegroeid, zodat het asielrelaas ten onrechte niet is beoordeeld door de minister.

Beoordeling door de rechtbank

9. Over de geloofwaardigheid van de nationaliteit en herkomst overweegt de rechtbank als volgt.
9.1
De minister heeft terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn land van herkomst en zijn nationaliteit. Eiser heeft in de Griekse asielprocedure verklaard dat hij uit Eritrea komt en de Eritrese nationaliteit heeft, terwijl hij in Nederland heeft verklaard dat hij uit Somalië komt en de Somalische nationaliteit heeft. De minister heeft eiser aan kunnen rekenen dat hij hier aanvankelijk zelf niets over heeft verteld, maar pas nadat aan zijn gemachtigde het Griekse asieldossier en het rapport van de taalanalyse zijn toegezonden.
9.2
Het is aan eiser om zijn nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. De taalanalyse is een deskundigenadvies, [1] waarmee de minister eiser tegemoet is gekomen in de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 [2] rustende last om het door hem gestelde aannemelijk te maken. [3] Uit de taalanalyse blijkt dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap Zuid-Somalië, maar is te plaatsen in het Somalische deel van Ethiopië en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een langere tijd in Zuid-Somalië of waar dan ook in Somalië heeft verbleven. De minister mocht op de resultaten van de taalanalyse afgaan.
9.3
De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser met het door hem overgelegde geboortebewijs niet alsnog zijn nationaliteit en herkomst aannemelijk heeft gemaakt. Door de minister is niet zonder meer geen waarde aan het geboortebewijs gehecht, maar is betrokken dat het geen identificerend document is, de authenticiteit van documenten uit Somalië niet kan worden vastgesteld [4] en is gewezen op de tegenstrijdige verklaringen van eiser. [5] Samen maakt dit volgens de minister dat er niet het door eiser gewenste gewicht aan het geboortebewijs kan worden toegekend. De rechtbank kan dit standpunt van de minister volgen.
9.4
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn, omdat deze door eiser niet aannemelijk zijn gemaakt.
9.5
De rechtbank ziet in het in beroep gevoerde betoog geen aanleiding te oordelen dat de geloofwaardigheid door de minister niet goed is beoordeeld.
10. Tijdens de zitting is gesproken over het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit naar Ethiopië, terwijl er onduidelijkheid bestaat over de status van eiser in Griekenland. Eiser heeft in dat kader opgemerkt dat dit terugkeerbesluit niet opgelegd kan worden terwijl er een status is in Griekenland. Door de minister is geen contact opgenomen met de Griekse autoriteiten om informatie uit te wisselen over de vluchtelingenstatus van eiser en de eigen beoordeling of eiser kan worden aangemerkt als vluchteling. Onduidelijk is daarom of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2025 [6] kon door de minister nog geen terugkeerbesluit worden genomen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond, omdat de minister een terugkeerbesluit heeft opgelegd terwijl nog onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd.
12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt (2,5 punt x € 934,-) € 2.335,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, aan de zitting van 4 december 2025 en de nadere zitting van 15 december 2025 heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 2 september 2025 voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd en laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters - van Luijk, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197, r.o. 2.3.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM2266, r.o. 2.1.2.
4.Algemeen Ambtsbericht Somalië juni 2023, p. 49.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1195.