ECLI:NL:RBDHA:2026:519

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
11910349 EL EXPL 25-6
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen van Dexia bij effectenleaseovereenkomsten door tussenpersoon zonder vergunning

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen een afnemer van effectenleaseovereenkomsten en Dexia Nederland B.V. De afnemer, vertegenwoordigd door mr. G. van Dijk van Leaseproces, vorderde schadevergoeding van Dexia wegens onrechtmatig handelen. De afnemer had leaseovereenkomsten afgesloten via een tussenpersoon die niet beschikte over de vereiste vergunning voor advisering. Dexia is niet verschenen op de zitting en heeft geen verweer gevoerd. De kantonrechter oordeelde dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de afnemer als cliënt te accepteren, terwijl zij op de hoogte had moeten zijn van het ontbreken van de vergunning van de tussenpersoon. De rechter verklaarde voor recht dat Dexia aansprakelijk is voor de schade die de afnemer heeft geleden en dat de afnemer de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is. Dexia werd veroordeeld tot schadevergoeding, het doorhalen van de registratie bij het Bureau Kredietregistratie en het betalen van de proceskosten. De uitspraak is gebaseerd op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad en andere relevante arresten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden
NAV/b
Zaak-/rolnr.: 11910349 EL EXPL 25-6
7 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: Afnemer,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- de dagvaarding van 24 september 2025, met producties.
1.2.
Op de civiele rolzitting van woensdag 8 oktober 2025 is aan Dexia op haar verzoek een eerste termijn verleend tot de civiele rolzitting van woensdag 5 november 2025 voor het nemen van een conclusie van antwoord. Dit heeft de griffier in een brief van 8 oktober 2025 aan Dexia meegedeeld. Dexia is op de daarvoor aangewezen zitting niet verschenen en heeft ook niet op een andere wijze gereageerd. Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Afnemer heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
21400822
06-05-1999
Capital Effect
240 mnd
€ 43.589,76
II.
21687768
09-06-2000
Capital Effect
240 mnd
€ 65.457,60
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald?
I.
03-11-2006
- € 274,06
nee
II.
03-11-2006
- € 1.461,99
nee
2.3.
De gemachtigde van Afnemer, Leaseproces, heeft in een brief van 17 mei 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen onder meer op grond van onrechtmatige daad. Ook is het recht voorbehouden ook nog andere gronden aan te voeren.

3.De vordering

3.1.
Afnemer vordert, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens Afnemer
  • voor recht zal verklaren dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan Afnemer van al datgene dat Afnemer aan
  • voor recht zal verklaren dat Afnemer de door Dexia gevorderde restschuld niet
  • Dexia zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afnemer,
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.

4.4. De beoordeling van de vordering

4.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie Afnemer.
4.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vordering als leidraad genomen. Er zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
4.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in dit geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van
omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de
waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
Afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en
de onrechtmatige daad van Dexia.
4.4.
Afnemer stelt dat de overeenkomsten zijn afgesloten via de tussenpersoon "Verver Assurantiën", dat sprake was van vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon, dat de tussenpersoon niet beschikte over die noodzakelijke vergunning en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Afnemer, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt. Nu Dexia, hoewel zij daartoe naar behoren in de gelegenheid gesteld is, tegen de vordering van Afnemer geen verweer heeft gevoerd, moet worden uitgegaan van de juistheid van deze feiten die Afnemer aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd.
4.5.
Voor Dexia als een aan toezicht onderworpen effecteninstelling was het verboden om van een tussenpersoon cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt. Omdat Dexia toch met Afnemer de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens Afnemer onrechtmatig gehandeld. Daarom moet Dexia de door Afnemer geleden schade vergoeden.
4.6.
De door Afnemer gevorderde verklaringen voor recht zullen worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De verklaring voor recht dat de restschuld niet verschuldigd is zal eveneens worden toegewezen.
4.7.
De door Afnemer geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
4.8.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
4.9.
Dexia zal – voor het geval Dexia met betrekking tot Afnemer een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat Afnemer geen verplichtingen uit de overeenkomsten meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00.
4.10.
Dexia is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Afnemer worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 271,00 (1 x tarief € 271,00)
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 640,47.
4.11.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter,
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Afnemer heeft gehandeld door Afnemer als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Afnemer niet alleen als klant aanbracht maar Afnemer tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
5.2.
verklaart voor recht dat Afnemer schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
5.3.
verklaart voor recht dat Afnemer de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
5.4.
veroordeelt Dexia om binnen drie weken na betekening van dit vonnis aan Afnemer te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.7.,
5.5.
veroordeelt Dexia – voor het geval Dexia met betrekking tot Afnemer een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat Afnemer geen verplichtingen uit de overeenkomsten meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00,
5.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 640,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
5.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door de mr. I.D. Bellaart, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026 in bijzijn van de griffier.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).