ECLI:NL:RBDHA:2026:5221

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
NL24.31172
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:84 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond verklaard tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende motivering afhankelijkheidsrelatie

Eisers, van Afghaanse nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De aanvraag betrof verblijf bij hun dochter en zus, referente, die sinds 2021 een asielstatus in Nederland heeft. De minister wees de aanvraag af op grond van het jongvolwassenenbeleid en het ontbreken van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.

De rechtbank oordeelt dat de minister een te hoge maatstaf hanteerde bij de beoordeling van de afhankelijkheid en onvoldoende rekening hield met de bijzondere gezinssituatie, waaronder de zorg voor een verlamde vader en de impact van de Taliban. Tevens is onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van hechte persoonlijke banden tussen referente en haar zus.

De rechtbank constateert motiveringsgebreken en onvoldoende zorgvuldigheid in het besluit en vernietigt het bestreden besluit. De minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij ook een nieuwe hoorzitting wordt aanbevolen. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering over afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.31172
V-nummers: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]
[v-nummer 3]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] ,geboren op [geboortedag 1] 1961, eiser
[eiseres 1] ,geboren op [geboortedag 2] 1970, eiseres I
[eiseres 2] ,geboren op [geboortedag 3] 2005, eiseres II allen van Afghaanse nationaliteit,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. C.H.M. Koster),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. B.J.W. Immink).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag van 5 januari 2022 voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis met als doel “verblijf als familie- of gezinslid”.
1.2.
Eisers beogen verblijf bij [persoon] , geboren op [geboortedag 4] 1993 (referente). Referente is de zus van eiseres II en de dochter van eiser en eiseres I.
1.3.
De minister heeft met zijn besluit van 12 april 2023 (het primaire besluit) de aanvraag afgewezen.
1.4.
Op 12 juli 2024 heeft de minister met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.
1.5.
Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld op 7 augustus 2024.
1.6.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referente, P. Cuijpers als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de minister op goede gronden het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een mvv ongegrond heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Referente is op 23 augustus 2021 geëvacueerd uit Afghanistan en heeft vanaf 5 september 2021 een asielstatus in Nederland. Op 5 januari 2022 heeft referente een aanvraag gedaan voor een mvv in het kader van nareis voor haar vader, moeder en zus die verblijven in Kabul in Afghanistan.
4.1.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 12 april 2023, gehandhaafd met het bestreden besluit van 12 juli 2024, afgewezen. De minister stelt zich op het standpunt dat referente niet onder het jongvolwassenenbeleid valt, omdat zij stappen heeft gezet naar zelfstandigheid en daardoor niet meer afhankelijk is van de zorg van haar ouders. Zij heeft namelijk tot haar vertrek uit Afghanistan gewerkt als [functie] bij [bedrijf] , waaruit zij een salaris ontving en zodoende kon zij in haar eigen levensonderhoud voorzien. Ook stelt de minister dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referente en de ouders, waardoor er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM1. Dat referente kostwinnaar is geweest en voor haar aankomst in Nederland met hen heeft samengewoond, leidt niet tot het oordeel dat zij meer dan gebruikelijk afhankelijk van hen is, of zij van referente. Hoewel de vader gezondheidsproblemen heeft, volgt uit de verklaringen niet dat hij voor zorg of behandeling afhankelijk zou zijn van juist de zorg of aanwezigheid van referente en dat hij zonder deze zorg niet kan functioneren. Hij wordt in principe door de moeder en het zusje van referent verzorgd in Afghanistan. Verder kan de financiële steun van referente voortgezet worden op afstand. Daarnaast stelt de minister dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referente en haar zus, ook al hebben referente en haar zus samengewoond tot de evacuatie van referente, was er tijdens het samenwonen een aanzienlijk leeftijdsverschil en waren zij tijdens het samenwonen overdag bezig met eigen activiteiten. De minister heeft vervolgens enkel in het primaire besluit een belangenafweging gemaakt en die valt in het nadeel uit van eisers.
Jongvolwassenenbeleid
5. Eisers menen dat referente wel degelijk is aan te merken als jongvolwassene in de zin van het jongvolwassenenbeleid. Dit omdat op grond van de EHRM2-jurisprudentie en de meest recente uitspraak van de Afdeling3 van 29 mei 2024 over het jongvolwassenenbeleid, de criteria moeten worden beoordeeld aan de hand van een individuele beoordeling in het
1. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2 Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
licht van de vraag ‘of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s)’. Eisers menen dat uit de omgekeerde afhankelijkheid van het gezin júist blijkt dat zij evident nog deel uitmaakt van het gezin van haar ouders. Dit temeer wegens de bijzondere situatie van hun gezin waarin de enige man uit het Afghaanse gezin al dertig jaar verlamd is en verzorgd werd door de vrouwen. Een situatie die na het vertrek overigens nijpender is geworden door de houding van de Taliban ten opzichte van vrouwen die deelnemen aan het openbare leven. Ook is de samenwoning niet vrijwillig verbroken. De scheiding is ontstaan uit een vluchtsituatie, namelijk de evacuatie van referente. Daarnaast moest referente noodgedwongen gaan werken. De omstandigheid dat referente weliswaar in het onderhoud voorzag, moet daarom worden bezien in het licht van het gegeven dat dit noodgedwongen was. Het was geen stap met de intentie zelfstandiger te worden. Voor zover eisers niet volledig aan de criteria van het jongvolwassenenbeleid zouden voldoen, menen zij dat de minister hier op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb4 zou hebben moeten afwijken van dit beleid.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat referente zodanige stappen naar zelfstandigheid heeft gezet dat zij niet langer onder het jongvolwassenebeleid valt. Referente is afgereisd naar Bangladesh om daar zelfstandig te wonen, werken en studeren. Ook is referente niet meer financieel afhankelijk geweest van haar ouders sinds zij naar Bangladesh is gegaan, zij heeft juist de ouders financieel ondersteund. Dat dit enkel noodgedwongen zou zijn, omdat haar moeder niet meer kon werken, volg de minister niet. Deze stappen naar zelfstandigheid heeft referente al gezet, voordat zij naar Nederland geëvacueerd werd. Zij zijn dus niet noodgedwongen gezet, door een vluchtsituatie, maar door een keuze om te gaan studeren en daarna te gaan werken, als volwassen, hoogopgeleide zelfstandige vrouw.
7. Op grond van het jongvolwassenenbeleid5 neemt de minister uitsluitend aan dat er sprake is van familie- en gezinsleven tussen het meerderjarige kind en diens ouder(-s), zonder dat sprake hoeft te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid, als het meerderjarige kind:
a. jongvolwassen is;
b. met zijn ouders in gezinsverband samenleeft;
c. niet in zijn eigen onderhoud voorziet, en
d. geen zelfstandig gezin heeft gevormd.
7.1.
In dit geval wordt aan referente tegengeworpen dat zij in haar eigen onderhoud voorziet en daardoor niet voldoet aan bovengenoemde cumulatieve voorwaarden. De Afdeling6 heeft overwogen dat de minister in zijn beoordeling van familie- of gezinsleven in het kader van het jongvolwassenenbeleid als vereiste mag stellen dat een meerderjarig kind niet in zijn eigen onderhoud voorziet, als hij bij de toepassing van dat vereiste alle individuele omstandigheden betrekt in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouders. Dit betekent dat hij in zijn beoordeling van dit vereiste ook kenbaar moet betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde omstandigheid is. Dit type omstandigheden kunnen
4 Algemene wet bestuursrecht.
5 Vastgelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
namelijk ook informatie geven voor het antwoord op de vraag of het meerderjarig kind daadwerkelijk financieel onafhankelijk is van zijn ouders. De Afdeling heeft verder bepaald dat naast de omstandigheden die de minister betrekt bij de beoordeling van de vier cumulatieve vereisten uit het jongvolwassenenbeleid overige omstandigheden van belang kunnen zijn in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouders. De minister mag in dat kader ook contra-indicaties tegenwerpen, tenzij deze alleen het gevolg zijn van een vluchtsituatie.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen concluderen dat referente niet aan de cumulatieve voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid voldoet omdat zij in haar eigen onderhoud voorziet. De minister heeft bij deze beoordeling mogen tegenwerpen dat referente reeds voor haar evacuatie naar Nederland stappen heeft gezet naar zelfstandigheid door te gaan wonen, werken en studeren in Bangladesh van 2016 tot 2020 en vanuit daar haar ouders volledig financieel te ondersteunen. De rechtbank volgt de minister in de conclusie dat niet is gebleken dat referente destijds noodgedwongen kostwinner van het gezin is geworden en dus noodgedwongen zelfstandig is geworden. Daarbij mocht de minister meewegen dat de moeder van referente voor het vertrek van referente naar Bangladesh langere tijd heeft gewerkt en verschillende soorten werkzaamheden heeft verricht. Onvoldoende onderbouwd is dat de moeder van referente niet meer kon werken, waardoor referente kostwinner moest worden van het gezin. De stappen naar zelfstandigheid zijn gezet voordat referente is geëvacueerd en dus niet noodgedwongen door een vluchtsituatie. De minister heeft dan ook kunnen concluderen dat referente niet feitelijk tot het gezin is blijven behoren. De omgekeerde financiële afhankelijkheid maakt dit oordeel niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid; toetsingskader
8. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag van feitelijke aard is.7 De beantwoording daarvan is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Van belang kan bijvoorbeeld zijn of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid8, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden9, de banden met het land van herkomst10 en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin.11
8.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in onderhavige zaak een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd door te beoordelen of eisers zonder referente niet in staat zijn om zelfstandig te functioneren. Uit de hiervoor genoemde jurisprudentie van het EHRM volgt dat moet worden beoordeeld of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Door de toetsing te beperken tot de vraag of eisers zonder referente in staat zijn te
7 Arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
8 Arrest van 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, app.no. 8000/08.
9 Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.
10 Beslissing van 29 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, app.no. 25777/94.
11 Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96.
functioneren, werpt de minister naar het oordeel van de rechtbank een te hoge lat op die niet uit rechtspraak van het EHRM volgt.
8.2.
De minister heeft dit gebrek ook erkend, maar meent dat dit niet betekent dat het bestreden besluit de toets in rechte niet kan doorstaan. De rechtbank volgt de minister in zoverre, omdat de minister de verschillende relevante elementen die een rol kunnen spelen bij de beoordeling van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid wel kenbaar heeft betrokken in de besluitvorming, zij het dat daarbij de verkeerde maatstaf is gehanteerd. Dit levert een motiveringsgebrek op. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting beoordelen welke gevolgen dit al dan niet heeft voor de besluitvorming. Daarbij is van belang dat het geheel aan elementen, samen beoordeeld, tot de conclusie moet leiden of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Verder is van belang dat de rechtbank de beoordeling van de minister vol moet toetsen, nu het hier gaat om de vaststelling of sprake is van beschermenswaardig familieleven.12
Toetsing bijkomende elementen van afhankelijkheid
Standpunt eisers
9. Eisers stellen dat de minister ten onrechte niet aanneemt dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eisers kunnen de tegenwerping van de minister niet volgen dat referente wel langdurig heeft samengewoond met eisers, maar dat dit niet is aan te merken als bijkomend element van afhankelijkheid omdat dit in Afghanistan gebruikelijk is en dat de samenwoning niet noodzakelijk is voor het functioneren van referente of haar ouders. Voor wat betreft de gebruikelijkheid van de samenwoning van meerderjarige dochters in Afghanistan, merken eisers op dat de situatie van een Afghaanse meerderjarige, inwonende dochter door de minister in zijn werkinstructie WI 2020/1613 als enige voorbeeld wordt aangemerkt van een situatie waarin mogelijk sprake is van ‘meer dan gebruikelijke banden’. Verder wijzen eisers ook op de financiële afhankelijkheid die de minister aanneemt. Zij kunnen de overweging van de minister dat de financiële steun op afstand voortgezet kan worden niet volgen. Uit het arrest Martinez Alvarado14 blijkt dat in bepaalde omstandigheden meegewogen kan worden dat de financiële steun op afstand kan worden voortgezet, maar dat dit – wanneer reeds afhankelijkheid is aangenomen vanwege medische redenen – geen afbreuk doet aan het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Vervolgens wijzen eiser nogmaals op het arrest Martinez Alvarado en stellen zij dat de minister ten onrechte geen praktische afhankelijkheid heeft aangenomen ten aanzien van met name de vader van referent. De aandoeningen en benodigde zorg van vader zijn vergelijkbaar met de voorbeelden die in het arrest worden genoemd en er hoeft volgens het arrest ook geen sprake te zijn van exclusieve zorgafhankelijkheid.15 Daarnaast heeft de minister ook ten onrechte de emotionele afhankelijkheid niet als bijkomend element van afhankelijkheid aangemerkt. De ouders leunen emotioneel meer dan gebruikelijk op referente, onder andere vanwege het leven onder de Taliban, maar ook door de ziekte van vader en de gezamenlijke zorg voor vader. Tot slot zijn eisers van mening dat in het bestreden besluit de omstandigheden die zouden moeten leiden tot banden die de
12 Zie de tussenuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 juli 2025, overwegingen 3.1. tot en met 4.5., ECLI:NL:RBDHA:2025:14447.
13 ‘ Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro’.
14 Arrest van het EHRM van 10 december 2024, app.no. 4470/21, onder 42.
15 Arrest van het EHRM van 10 december 2024, app.no. 4470/21.
gebruikelijke emotionele banden overstijgen, niet in samenhang zijn beoordeeld.
Standpunt van de minister
10. De minister stelt zich op het standpunt dat op goede gronden is overwogen dat er geen sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Er is terecht geconcludeerd dat er met uitzondering van de financiële ondersteuning niet is gebleken dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referente en haar ouders. De minister stelt ten aanzien van de samenwoning dat het klopt dat in de WI 2020/16 Afghaanse volwassen dochters als voorbeeld worden genoemd van een situatie waarin eerder sprake kan zijn van het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het gaat in dit voorbeeld om de afhankelijkheid van een volwassen dochter richting haar vader voor haar veiligheid. Terwijl het in het geval van eisers wordt benadrukt dat de bijkomende elementen van afhankelijkheid zien op eisers financiële, emotionele en praktische afhankelijkheid van referente en niet andersom. Ook zijn eisers niet praktisch afhankelijk van referente, ook niet voor wat betreft de medische zorg voor vader. Hierbij is niet tegengeworpen dat het exclusieve zorg zou moeten betreffen, maar is terecht wel meegewogen dat moeder al 31 jaar de zorg voor vader draagt en dat kan blijven doen. Dat de medische klachten van de vader vergelijkbaar zouden zijn met zaken die genoemd zijn door het EHRM, maakt niet dat daarom aannemelijk is dat er sprake zou zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De stelling van eisers is daartoe te algemeen. Verder overstijgt de emotionele wederzijdse afhankelijkheid niet de normale emotionele banden en betrokkenheid tussen ouders en kinderen volgens de minister. Niet is toegelicht of onderbouwd waarom door de machtsovername door de Taliban sprake is van
bijkomende elementen van (emotionele) afhankelijkheid. De minister stelt ten slotte dat de verwijzing van eisers naar het arrest Martinez Alvarado geen afbreuk doet aan het bestreden besluit. Uit het arrest blijkt wel dat als er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vastgesteld de mogelijkheid om financiële steun op afstand te verlenen hieraan niet afdoet, maar in dezelfde rechtsoverweging wordt ook overwogen dat financiële afhankelijkheid op zichzelf nooit voldoende is geweest om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen. Nu er bij eisers enkel sprake is van financiële afhankelijkheid is volgens de minister terecht vastgehouden aan de tegenwerping dat de financiële steun op afstand gegeven kan worden.
Oordeel van de rechtbank
11. De rechtbank is van oordeel dat er motiveringsgebreken kleven aan het besluit en zal die hierna bespreken.
11.1.
Ten aanzien van de samenwoning heeft de rechtbank reeds overwogen dat ten onrechte een te hoge maatstaf is gehanteerd door te oordelen dat samenwoning in Afghanistan gebruikelijk is en niet is gebleken dat eisers niet kunnen functioneren zonder referente. Daarbij is het onvoldoende om tegen te werpen dat samenwoning in het land van herkomst gebruikelijk is. Nog los van het feit dat het samenwonen in Afghanistan van meerderjarige dochters met hun ouderlijk gezin juist gebruikelijk is omdat zij afhankelijk zijn van de bescherming door het ouderlijk gezin,16 gaat het bij de vaststelling van familie-en gezinsleven tussen meerderjarigen niet over de status van een gezinslid in een culturele
16 Zie WI 2020/16, pagina 11.
context maar de feiten waaruit bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen volgen.17 Op dit punt is het besluit onvoldoende gemotiveerd.
11.2.
De financiële afhankelijkheid wordt door de minister aangenomen, maar de minister is van oordeel dat deze steun op afstand kan worden gegeven. Eisers zijn, met verwijzing naar het arrest Martinez Alvarado, van mening dat niet kan worden verlangd dat de steun op afstand kan worden gegeven omdat eisers, en dan met name de vader van referente, medisch/praktisch afhankelijk is van referente. De rechtbank zal gelet op de samenhang, eerst op het punt van de medische/praktische afhankelijkheid ingaan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van praktische/medische afhankelijkheid. Uit het arrest Martinez Alvarado, onder 39, blijkt dat het EHRM bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft aangenomen in zaken waarin een vreemdeling een fysieke of mentale handicap of ziekte van voldoende ernst had en constante zorg en ondersteuning van familieleden nodig had. Tussen partijen is niet in geschil dat de vader van referente continue zorg nodig heeft omdat hij halfzijdig is verlamd en epilepsie heeft. De minister meent desondanks dat geen sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid omdat moeder al 31 jaar voor vader zorgt en dat kan blijven doen. De rechtbank overweegt ten eerste dat dit onjuist is. Referente heeft reeds op de ‘vragenlijst bijkomende elementen van afhankelijkheid’ aangegeven dat zij samen met haar moeder en zusje voor haar vader zorgde. De rechtbank merkt hierbij op dat over de feitelijke situatie geen enkele vraag is gesteld op de hoorzitting, wat duidt op een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Ten tweede heeft de minister niet betwist dat in geen van de zaken waarin het EHRM medische/praktische afhankelijkheid heeft aangenomen, ook geen sprake was van exclusieve zorgafhankelijkheid. Door enkel tegen te werpen dat moeder en zusje de zorg kunnen blijven verlenen, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid.
11.3.
Eisers hebben aangevoerd dat de banden met het land van herkomst zijn verminderd door de opkomst van de Taliban en het behoren tot een minderheidsgroep, de Hazara’s. Uit verschillende ingebrachte bronnen van eisers volgt dat de toegankelijkheid tot de (sociale) voorzieningen door de opkomst van de Taliban veel minder is, dat vrouwen onderdrukt worden en niet alleen de straat over mogen, terwijl de vader in dit gezin zijn vrouw of dochter bijna niet kan begeleiden. Er is ook geen ander mannelijk familielid die dat zou kunnen doen. De rechtbank overweegt dat uit de besluitvorming niet volgt hoe de verminderde banden met het land van herkomst zijn meegewogen. Ook dit levert een motiveringsgebrek op.
11.4.
Tot slot is de rechtbank het ook eens met eisers dat de minister ten onrechte de elementen niet in onderlinge samenhang heeft bezien. De minister wijst er dan wel op dat op pagina 5 en 9 van het primaire besluit dit expliciet wordt benoemd en gedaan, maar dat dit daadwerkelijk is gedaan, kan de rechtbank niet volgen. Uit de besluitvorming blijkt eerder van een op- en aftelsom, dan een weging van de elementen.
11.5.
Voorgaande betekent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen meer dan gebruikelijk afhankelijkheid tussen referente en eisers is aangenomen. De beroepsgrond slaagt.
17 Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, r.o. 4.1.
11.6.
De rechtbank zal in deze zaak niet zelf, vol toetsend, beoordelen of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en referente. De rechtbank heeft meerdere gebreken vastgesteld waarop een nadere motivering van de minister gewenst is. Bovendien ligt het voor de hand om eisers en referente nogmaals te horen nu er op punten onvoldoende is doorgevraagd. De rechtbank zal daarom het besluit vernietigen en de minister opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Bovendien dient de minister in het nieuwe besluit mee te nemen dat is vastgesteld dat er een sterke band is tussen eisers en referente en dat de minister het begrijpelijk acht dat deze band door het aan de macht komen van de Taliban versterkt is.18 Bovendien is aangenomen dat er nauw contact is tussen eisers en referente19 en dat er sprake is van financiële afhankelijkheid.20 De rechtbank zal hierna ook ingaan op de beoordeling van de hechte persoonlijke banden zodat dit oordeel in het nieuwe besluit kan worden meegenomen.
Hechte persoonlijke banden
12. Eisers menen dat het bestreden besluit ook niet in stand kan blijven voor zover de banden tussen de twee zussen niet als ‘hechte persoonlijke banden’ worden aangemerkt. Eisers achten het besluit onbegrijpelijk. Zij stellen zich op het standpunt dat het grote leeftijdsverschil tussen referente en haar zusjes bij uitstek voor een bepaalde
zorgrelatie met hechte persoonlijke banden zorgt. Ook de ziekte van eiser, het kostwinnerschap van referente en de penibele situatie na de komst van de Taliban zorgen bij uitstek voor een zorgrol van referente ten opzichte van haar zusje en de daaruit voortvloeiende hechte persoonlijke banden. Referente draagt de volledige financiële last voor het hele gezin, inclusief haar zusje. Ook is er – anders dan in het bestreden besluit gesteld wordt – wel degelijk veel contact tussen beiden. Eisers wijzen ter onderbouwing hiervan op drie uitspraken.21
12.1.
De minister volgt niet dat er hechte persoonlijke banden zijn tussen referente en haar zusje. Eisers hebben twee uitspraken aangehaald waarin geen hechte persoonlijke banden zijn aangenomen en de minister ziet niet in waarom deze vergelijking noopt tot de conclusie dat hier wel sprake is van hechte persoonlijke banden. In de zaak waarnaar eisers verwijzen waarin wel hechte persoonlijke banden zijn aangenomen, ging het om een jongvolwassene die beschermenswaardig familieleven had met zijn ouders. Dat is hier niet het geval.
12.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van hechte banden tussen referente en haar zusje. De minister werpt in het bestreden besluit tegen dat er sprake is van langdurige samenwoning, maar dat er een groot leeftijdsverschil bestaat tussen referente en haar zus, dat zij ondanks de samenwoning overdag bezig waren met eenieders eigen activiteiten, dat referente geen zorgtaken heeft voor haar zus en dat referente haar zus niet apart geld heeft gestuurd. De rechtbank kan deze redenering niet volgen. De minister heeft enkel gebaseerd op aannames dat het bestaan van
18 Pagina 10 van het bestreden besluit.
19 Pagina 10 van het bestreden besluit.
20 Pagina 8 van het bestreden besluit.
21 Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 26 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4114, uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van
12 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:12925 en uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 7 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:1352.
een groot leeftijdsverschil of overdag met de eigen activiteiten bezig zijn, geen hechte persoonlijke banden zou kunnen opleveren. Daarnaast heeft de minister ook niet tegen mogen werpen dat referente niet apart geld aan de zus heeft gestuurd, nu zij minderjarig was en bij haar ouders inwoonde. Ook is ongemotiveerd voorbijgegaan aan de stelling van referente dat zij haar zus beter zou kunnen begrijpen dan de ouders en aan de stelling dat referente juist een ouderrol op zich neemt. Deze feiten en omstandigheden leiden naar het oordeel van de rechtbank juist tot het bestaan van hechte persoonlijke banden. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het ligt in de rede om eisers en referente nogmaals te horen. De rechtbank geeft de minister een termijn van acht weken voor het nemen van een nieuw besluit.
13. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 12 juli 2024;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.