ECLI:NL:RBDHA:2026:5260

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/14236
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 7:15, tweede lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vergoeding proceskosten bezwaarfase bij gewijzigde omstandigheden na primair besluit

De zaak betreft een geschil over de vraag of de minister proceskosten moet vergoeden voor de bezwaarfase na intrekking van een verblijfsvergunning voor het uitoefenen van familie- en gezinsleven. De minister had het primaire besluit genomen op 28 november 2024, waarna eiser bezwaar maakte en het bezwaar op 16 juni 2025 gedeeltelijk werd toegewezen met verlening van een tijdelijke verblijfsvergunning voor familieleven met zijn dochter.

Eiser stelde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door geen proceskosten te vergoeden, omdat belangrijke feiten en belangen al bij het primaire besluit bekend hadden moeten zijn. De minister stelde dat de herroeping van het primaire besluit gebaseerd was op feiten die pas na het besluit bekend werden en dat het primaire besluit zorgvuldig was genomen.

De rechtbank concludeerde dat de minister ten tijde van het primaire besluit niet beschikte over alle benodigde informatie, zoals de vastgestelde omgangsregeling die pas na het besluit werd overgelegd. Ook was het aan eiser om relevante informatie tijdig aan te leveren. De rechtbank oordeelde dat de minister niet gehouden was proceskosten te vergoeden omdat het primaire besluit niet onrechtmatig was op het moment van nemen.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt en het griffierecht niet wordt terugbetaald.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/14236

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: R. Delfani),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: S. Kuster).

Procesverloop

1. De minister heeft met het besluit van 28 november 2024 (het primaire besluit) de verblijfsvergunning van eiser voor het uitoefenen van familie- en gezinsleven met zijn ex-echtgenote [referente] ingetrokken vanaf 5 mei 2024. Ook heeft de minister de aanvraag van 31 juli 2024 om verlenging van eisers verblijfsrecht voor het uitoefenen van familie- en gezinsleven met [referente] afgewezen. Daarnaast is een terugkeerbesluit opgelegd.
2. Eiser heeft hiertegen op 23 december 2024 bezwaar gemaakt.
3. De minister heeft met het besluit van 16 juni 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de intrekking van eisers verblijfsvergunning per 5 mei 2024 en de afwijzing van de aanvraag om verlenging van zijn verblijfsvergunning voor het uitoefenen van familie- en gezinsleven met [referente] .
Wel heeft de minister met dit besluit een verblijfsvergunning verleend met het verblijfsdoel: “tijdelijk-humanitair voor het uitoefenen van familieleven met [naam] ”. [naam] is eisers dochter. De arbeidsmarktaantekening op de verblijfsvergunning luidt: “het verrichten van arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist”.
4. Vervolgens heeft eiser op 14 juli 2025 beroep ingesteld. De minister heeft op 23 december 2025 een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van beide partijen middels een beeldverbinding deelgenomen.

Standpunt van eiser

6. Eiser is het er niet mee eens dat de minister geen proceskosten heeft toegekend voor de bezwaarfase. Door het handelen van de minister moest eiser in bezwaar en heeft hij onnodige juridische kosten gemaakt. Het bestaan van de omgangsregeling en de belangen van eiser en zijn dochter waren al bekend bij de minister ten tijde van het primaire besluit, of hadden in ieder geval bekend kunnen zijn. Bovendien had de minister de mogelijkheid om de procedure aan te houden alvorens een besluit te nemen. Eiser had dan in de gelegenheid gesteld kunnen worden nadere stukken te overleggen. Door geen rekening te houden met de belangen van eiser en zijn dochter en door zonder opvraag van informatie direct een besluit te nemen heeft de minister in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Bovendien is het primaire besluit niet alleen herroepen vanwege nieuwe feiten, maar ook vanwege een onrechtmatigheid. Dit laatste brengt mee dat proceskosten verschuldigd zijn. [1]

Standpunt van de minister

7. De minister stelt dat terecht voor de bezwaarfase geen proceskosten zijn vergoed. Het primaire besluit is namelijk niet herroepen vanwege een onrechtmatigheid, [2] maar vanwege pas tijdens de bezwaarfase bekend geworden feiten en omstandigheden. Er is verder geen sprake van onzorgvuldige besluitvorming of een onvoldoende motivering, met alle feiten die destijds bekend waren is namelijk rekening gehouden in het primaire besluit.
8. Ook zijn de belangen van het kind ( [naam] ) duidelijk betrokken bij de besluitvorming. De destijds voor de minister bekende informatie maakte echter niet dat de belangen van [naam] bij gezinsleven met eiser dusdanig groot waren dat deze zouden moeten leiden tot een belangenafweging in het voordeel van eiser. Uit de destijds overgelegde stukken bleek niet van een officiële omgangsregeling, financiële steun van eiser aan [naam] , en/of zorg- en opvoedingstaken van eiser voor [naam] . Dat er enige vorm van omgang was betwist de minister niet, maar het was onvoldoende voor een andere uitkomst van de belangenafweging. De omgangsregeling die de voorzieningenrechter op 3 december 2024 heeft vastgesteld was niet bij de minister bekend en deze is pas op 27 mei 2025 door eiser toegezonden.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank stelt vast dat het geschil in beroep beperkt is tot de vraag of de minister een vergoeding van proceskosten verschuldigd is voor de bezwaarfase.
Is er sprake van procesbelang?
10. De rechtbank overweegt dat sinds rechtspraak uit 2024 [3] het uitgangspunt is dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang oplevert. Hierop geldt wel als uitzondering dat nog steeds procesbelang wordt aangenomen als het bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen, zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. De rechterlijke beoordeling blijft dan in beginsel beperkt tot de gegeven beslissing over de bezwaarkosten als zodanig.
11. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit is opgenomen dat het bezwaar ‘gedeeltelijk gegrond’ wordt verklaard en dat wel een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel “tijdelijk-humanitair voor het uitoefenen van familieleven met [naam] ” is toegekend. Er is in die zin sprake van een herroeping van het primaire besluit dat dit destijds niet is beslist. In tegenstelling tot nu is destijds juist beslist dat eiser geen verblijfsrecht zou hebben in Nederland en moest terugkeren naar Iran. Verder is namens eiser in het bezwaarschrift van 23 december 2024 gevraagd om een vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarprocedure. Hierin is de minister echter niet tegemoetgekomen. Vanwege deze omstandigheden neemt de rechtbank procesbelang aan en zal in het navolgende beoordelen of de minister een vergoeding voor de proceskosten in bezwaar had moeten toekennen.
Had de minister een vergoeding voor de gemaakte proceskosten in bezwaar moeten toekennen?
12. Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb luidt:

“De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.”

13. De kern van het geschil is de vraag of het primaire besluit is herroepen
wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid. Dit laatste is niet het geval als de reden voor het herroepen van het primaire besluit is gelegen in veranderde omstandigheden die dateren van na dit besluit, zodat het besluit niet onrechtmatig was op het moment dat het werd genomen. [4] Het gegeven dat in het bestreden besluit gekozen is voor het dictum ‘gedeeltelijk gegrond’ is niet beslissend voor de vraag of sprake is van een herroeping die aan de minister te wijten is.
14. De rechtbank overweegt dat op pagina 2 en 3 van het bestreden besluit de feiten en omstandigheden zijn vermeld die maken dat de minister toch is overgegaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning met als doel voor eiser om familieleven met zijn dochter [naam] uit te kunnen oefenen. Ten tijde van het primaire besluit van 28 november 2024 was nog geen sprake van een vastgestelde omgangsregeling tussen eiser en zijn dochter. Eiser heeft met het bezwaar van 23 december 2024 een kopie van het tussenvonnis van de rechter gevoegd van 3 december 2024 waarin deze omgangsregeling is vastgesteld. Dit is dus een belangrijke veranderde omstandigheid die dateert van ná het primaire besluit. Verder beargumenteert de minister dat op basis van de destijds wel bekende omstandigheden (o.a. weinig tot geen communicatie en vervelende ervaringen in de omgang) niet kon worden opgemaakt dat een omgangsregeling zou worden vastgesteld. Pas op 27 mei 2025 zijn nadere gronden ingediend en aanvullende bewijsstukken overgelegd, waarmee is onderbouwd hoe het familieleven tussen eiser en zijn dochter wordt ingevuld. De rechtbank concludeert dat de minister ten tijde van het primaire besluit niet alle benodigde informatie had om een verblijfsvergunning te verlenen met het doel het uitoefenen van familieleven tussen eiser en zijn dochter. Daar komt bij dat de minister met juistheid ten tijde van het primaire besluit het toen aanwezige familieleven heeft getoetst, en niet het familieleven dat nog kon komen.
15. Eiser heeft verder aangevoerd dat – als de minister destijds onvoldoende informatie had – de minister de procedure had moeten aanhouden en nadere stukken had moeten opvragen. Het is volgens eiser onzorgvuldig dat de minister dit niet heeft gedaan. De rechtbank overweegt dat het in het algemeen aan de aanvrager van een besluit is om van belang zijnde feiten en omstandigheden aan te dragen. Daar komt bij dat de minister in het voornemen van 22 oktober 2024 (dus van vóór het primaire besluit) een aantal vragen heeft gesteld over de omgang tussen eiser en zijn dochter. Hiermee heeft de minister eiser geholpen met het onderbouwen van de aanvraag. Eiser heeft toen echter niet alle gevraagde informatie verstrekt. Het argument dat de minister pas in bezwaar informatie heeft opgevraagd gaat dus niet op. Ook het argument dat de minister de behandeling van de aanvraag had moeten aanhouden gaat niet op. Eiser heeft niet zelf gevraagd om uitstel van de behandeling en ook niet meegedeeld wanneer de uitspraak over de omgangsregeling zou komen. De minister kon hier dus geen rekening mee houden. De beroepsgrond slaagt niet.
16. De rechtbank concludeert dat de minister in dit geval niet gehouden was de proceskosten voor de bezwaarfase te vergoeden, omdat belangrijke omstandigheden zich pas na het primaire besluit hebben voorgedaan en/of daarna bekend zijn geworden voor de minister. Daarbij omvat het primaire besluit zes pagina’s met een duidelijke motivering en een afweging van de destijds bekende belangen.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
18. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar artikel 7:15, eerste lid en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
2.Als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
3.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635 r.o. 4.8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft deze uitspraak gevolgd zie de uitspraak van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323 r.o. 11.2.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ3809 r.o. 2.1.