Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5315

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
SGR 24/6584
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWRArt. 27e AWRArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens te hoge waardering inbreng dierenartspraktijk

Eiseres bracht haar maatschapsaandeel in een dierenartspraktijk ruisend in een BV in, waarbij zij de waarde van de onderneming stelde op circa € 545.000, gebaseerd op een multiple methode. Verweerder stelde de waarde op ruim € 4,6 miljoen, gebaseerd op een koopprijs overeengekomen met een private-equity partij.

De rechtbank oordeelt dat de waarde van eiseres te laag is en dat de biedingen van de private-equity partij de waarde in het economisch verkeer beter weerspiegelen. De waardering van verweerder is echter te hoog omdat deze niet volledig rekening houdt met waardevermeerdering na de inbrengdatum. De rechtbank schat de waarde daarom op circa € 4.000.000.

Omdat eiseres bewust een te lage waarde heeft opgegeven, is sprake van niet-deugdelijke aangifte, waardoor de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Eiseres slaagt er niet in het standpunt van verweerder te weerleggen.

De navorderingsaanslag wordt verminderd op basis van de door de rechtbank vastgestelde waarde. De belastingrente wordt dienovereenkomstig aangepast. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2020 wordt verminderd op basis van een waardering van de onderneming van circa € 4.000.000 en het beroep van eiseres wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 24/6584

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2020 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is bij afzonderlijke beschikking € 11.499 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2024 de navorderingsaanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2025.
Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en drs. [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1], mr. [medewerker belastingdienst 2], drs. [medewerker belastingdienst 3], mr. [medewerker belastingdienst 4], drs. [medewerker belastingdienst 5].
De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van de echtgenoot (SGR 24/6585) en zoon (SGR 24/6583) van eiseres.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres, haar echtgenoot [naam 2] en haar zoon [naam 3] (hierna gezamenlijk: de maten) vormden van 1 januari 2015 tot 8 december 2020 een maatschap, genaamd [de maatschap] (de maatschap). In de maatschap exploiteerden zij een dierenartspraktijk in [plaats 1] en [plaats 2]. Eiseres had een maatschapsaandeel van 4,5%, haar echtgenoot (de echtgenoot) van 40,5% en haar zoon (de zoon) van 55%.
2. De maten zijn begin 2020 benaderd door [bedrijfsnaam 1] B.V. ([bedrijfsnaam 1]), een groepsmaatschappij van [bedrijfsnaam 2]. [bedrijfsnaam 2] is een internationaal opererende private equity investeerder, die is ontstaan door de fusie van vier grote Zweedse dierenklinieken in het begin van de jaren 2000 en die vervolgens met het Engelse [bedrijfsnaam 3] is gefuseerd. [bedrijfsnaam 2] drijft meer dan 300 dierenklinieken en acht dierenziekenhuizen in elf landen in Europa.
3. Op 11 maart 2020 heeft [bedrijfsnaam 1] aan de maten een presentatie gegeven over haar organisatie en hoe een overnameproces verloopt. Daaropvolgend heeft overleg plaatsgevonden tussen de maten en [bedrijfsnaam 1] over eventuele overname van de dierenkliniek van de maten. Gedurende het overlegproces hebben de maten diverse stukken aan [bedrijfsnaam 1] verstrekt, waaronder:
- een door hen ondertekende geheimhoudingsverklaring;
- een door hen beantwoorde vragenlijst over de onderneming;
- de balansen van de maatschap over de jaren 2017 tot en met 2019;
- de verlies-en winstcijfers van de maatschap over de jaren 2016 tot en met 2020;
- maand- en jaaromzetcijfers van de maatschap.
4. [bedrijfsnaam 1] heeft de maten op 27 juli 2020 en indicatief aanbod gedaan voor overname van de dierenkliniek tegen een koopsom-ineens van € 3.000.000 en maximaal € 1.400.000 aan groeibetalingen. Blijkens de in de avond van die dag toegezonden concept-intentieverklaring (‘letter of intent’) was dit bod ingegeven door de omzet, personeelskosten en EBITDA van 2019, de voor 2020 verwachtte omzetgroei en de veronderstelling dat de personeelskosten niet harder zou groeien dan de omzet.
5. In de e-mail die de echtgenoot en de zoon op 28 juli 2020 mede namens eiseres aan [bedrijfsnaam 1] zonden, is – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“Zoals besproken willen wij er geen koehandel van maken.
Zeker aangezien het nog de vraag is wij emotioneel gezien besluiten tot een dergelijke overname te gaan. (…)
Het is wat voorbarig om een intentieverklaring te tekenen. Het was immers allemaal vrijblijvend.
Mocht het tot een aanbod komen die onze wensen haalt én staan we achter een dergelijke overname kunnen we uiteraard onze intenties vastleggen. (…)
Misschien is het toch verstandig om alvast wat punten vooraf op de mail te zetten tot waar jullie kunnen opschuiven en onze vragen beantwoorden. (…)”
6. [bedrijfsnaam 1] heeft vervolgens haar bod verhoogd. Op 5 augustus 2020 hebben de maten en [bedrijfsnaam 1] een letter of intent getekend waarin de koopsom voor de dierenkliniek is gesteld op een betaling-ineens van € 3.300.000 op de overnamedatum plus maximaal € 1.600.000 aan groeibetalingen.
7. Op 6 augustus 2020 heeft [bedrijfsnaam 1] een e-mail gestuurd aan de maten waarin zij aangaf dat de fase van due dilligence/boekenonderzoek inging en waarbij zij vragenlijsten aan de maten meezond.
8. Bij e-mail van 22 augustus 2020 lieten de maten aan [bedrijfsnaam 1] weten:
“Gaandeweg het invullen van de vragenlijsten en het inzinken van een mogelijke overname zijn wij toch tot de conclusie gekomen om voorlopig niet het ondernemerschap uit handen te geven.”
9. Op 8 december 2020:
- hebben eiseres en haar echtgenoot samen [bedrijfsnaam 4] B.V. opgericht ([bedrijfsnaam 4]), waarbij 10% van de aandelen zijn geplaatst bij eiseres en 90% bij haar echtgenoot;
- heeft de zoon [bedrijfsnaam 5] B.V. opgericht ([bedrijfsnaam 5]);
- hebben [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] [bedrijfsnaam 6] B.V. opgericht ([bedrijfsnaam 6]), waarbij 45% van de aandelen zijn geplaatst bij [bedrijfsnaam 4] en 55% bij [bedrijfsnaam 5].
Direct na de oprichting van genoemde vennootschappen hebben eiseres en haar echtgenoot hun maatschapsaandeel (exclusief het onroerend goed) ruisend ingebracht in [bedrijfsnaam 4] en heeft de zoon zijn maatschapsaandeel (exclusief het onroerend goed) ruisend ingebracht in [bedrijfsnaam 5]. Aansluitend hebben [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] hun aandeel in de onderneming ingebracht in [bedrijfsnaam 6].
10. Bij de inbreng van de maatschapsaandelen in [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] hebben de maten de waarde van de onderneming gesteld op € 545.051. Van dit bedrag vertegenwoordigt € 400.000 de door hen in aanmerking genomen goodwill en is € 145.051 het saldo van de overige activa en passiva.
De maten hebben de door hen op € 400.000 gestelde goodwillwaarde berekend conform de methode van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde. Bij deze methode wordt de goodwill van een dierenartspraktijk berekend door de overwinst met een bepaalde factor te vermenigvuldigen. Bij hun berekening hebben de maten/de inbrengers de overwinst gesteld op € 80.000 en vermenigvuldigd met een factor 5.
11. Op 10 juni 2021 heeft de belastingadviseur van de maten de aangiften IB/PVV 2020 van eiseres en haar echtgenoot ingediend, en op 21 juni 2021 die van de zoon. In deze aangiften is per saldo als stakingswinst € 417.433 verantwoord, bestaande uit € 400.000 aan goodwill en € 17.433 aan overige stille reserves.
12. De maten hebben op enig moment [naam 4] ([naam 4]) als adviseur in de arm genomen. [naam 4] is als register bussiness valuator verbonden aan [accountantskantoor]. Bij e-mail van 12 mei 2021 heeft [naam 4] zich tot [bedrijfsnaam 1] gericht met de vraag om contact over [bedrijfsnaam 6]. Op 25 mei 2001 vond op diens kantoor een bespreking plaats tussen [bedrijfsnaam 1] enerzijds en de echtgenoot, de zoon en [naam 4] anderzijds.
13. Op 10 juni 2021 hebben [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] een intentieovereenkomst met [bedrijfsnaam 1] gesloten. In deze letter of intent is de voorlopige koopsom voor de dierenkliniek bepaald op een betaling-ineens van € 5.300.000, een bedrag aan ‘referred payment’ van € 200.000 en groeibetalingen van maximaal € 1.500.000. Daaropvolgend is een due diligence-onderzoek gestart.
14. Bij overeenkomst van 23 augustus 2021 (de share purchase agreement, SPA) hebben [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] alle aandelen in [bedrijfsnaam 6] verkocht aan [bedrijfsnaam 1] tegen een betaling-ineens van € 4.686.004,12 en maximaal € 1.700.000 aan groeibetalingen.
Blijkens artikel 4 van Pro de SPA zijn de groeibetalingen uitsluitend afhankelijk van de toekomstige omzetten en personeelskosten, en komen zij geheel toe aan [bedrijfsnaam 5]. Onder het kopje ‘considerations’ is in de sales purchase agreement opgenomen dat de zoon als werknemer verbonden bleef aan [bedrijfsnaam 6].
15. Met dagtekening van 10 juni 2023 heeft verweerder aan eiseres de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 opgelegd, conform de door haar ingediende aangifte.
16. Bij brieven van 13 juli 2023 heeft verweerder aan de echtgenoot en de zoon vragen gesteld over hun aangiften IB/PVV voor het jaar 2020, onder andere met betrekking tot de inbreng van de onderneming en de daarbij in aanmerking genomen goodwill.
Na verdere correspondentie heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de goodwillwaarde van de onderneming ten tijde van de inbreng op € 4.686.004 moet worden gesteld.
Met dagtekening van 1 december 2023 heeft verweerder overeenkomstig dat standpunt aan de echtgenoot en de zoon de aanslagen IB/PVV voor het jaar 2020 opgelegd. De echtgenoot en de zoon zijn daartegen bij brieven van 5 januari 2024 in bezwaar gekomen.
Met dagtekening van 10 april 2024 heeft verweerder van eiseres inkomstenbelasting nagevorderd over haar aandeel in het verschil tussen de door hem op € 4.686.004 gestelde goodwillwaarde en de bij de aangifte gehanteerde waarde van € 400.000. Tegen die navorderingsaanslag is door eiseres bezwaar aangetekend bij brief van 11 april 2024.
17. Hangende de bezwaarprocedures heeft het kantoor waaraan ook [naam 4] verbonden is in opdracht van [bedrijfsnaam 6] een waardering uitgevoerd van de dierenkliniek per 30 september 2020. Daarbij is aan de hand van de DCF-methode de totale ondernemingswaarde gewaardeerd op € 818.000, waarvan € 618.000 goodwill.
18. In antwoord op vragen van verweerder over de in de aangifte verwerkte inbrengwaarde van de dierenkliniek, is hierover in de brief van 8 maart 2024 van de accountant van de maten aan de inspecteur de volgende toelichting verstrekt:
“In de eerdere correspondentie is de waarderingsmethode van de KNMvD genoemd. Deze methode is destijds wel geraadpleegd. Omdat deze methode volledig uitgaat van de historische resultaten, deed deze berekening geen recht aan de situatie van deze onderneming. De onderneming was immers uitgebreid van 1 naar 2 praktijklocaties. Bovendien zijn in 2018 - incidenteel - slechtere cijfers gerealiseerd. lk verwijs u naar de bijlage waaruit blijkt dat deze berekening tot een negatieve goodwill leidt, hetgeen geen recht doet aan deze situatie (bijlage KNMvD berekening). Dat is de reden dat er voor de bepaling van de goodwill bij inbreng een berekening is opgesteld die is gebaseerd op de zogenoemde "Mobach methode". In deze berekening is uitgegaan van een te verwachten jaarlijkse winst van € 250.000, indien de exploitatie werd voortgezet in de vorm van een maatschap. Dit bedrag is gezien de historische cijfers aan de hoge kant, en was dus gebaseerd op een zeer gunstige ontwikkeling van de resultaten. Vervolgens zijn op dit winstbedrag gebruikelijke normalisaties doorgevoerd om tot de overwinst te komen, welke € 80.000 per jaar bedraagt. Dit bedrag is met een factor 5 vermenigvuldigd, omdat hier sprake was van een praktijk met groeipotentie. Dit heeft geleid tot de uitkomst van € 400.000 als goodwill.”
19. Bij uitspraak van 19 juni 2024 heeft verweerder de bezwaren van eiseres en haar echtgenoot en zoon onder handhaving van de (navorderings)aanslagen afgewezen.
Geschil
20. In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 terecht en zo ja, tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Daarbij is ten eerste in geschil of verweerder beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Verder is met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslag meer specifiek in geschil of verweerder terecht de goodwillwaarde per 8 december 2020 op € 4.686.004,12 heeft gesteld en een dienovereenkomstige stakingswinst in aanmerking heeft genomen. Tevens in geschil of de vereiste aangifte is gedaan en zo ja, of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Voorts is de (hoogte van de) belastingrente in geschil.
21. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder niet beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Daarnaast stelt eiseres zich primair op het standpunt dat de goodwillwaarde ten tijde van de inbreng op € 400.000 moet worden gesteld. Subsidiair bepleit zij een goodwillwaarde van € 618.000, meer subsidiair van € 2.970.000 en nog meer subsidiair van € 3.300.000. Volgens eiseres is omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde. Voorts stelt zij dat de belastingrente ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag is berekend.
22. Verweerder stelt zich op het standpunt hij beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit en betwist dat hij de goodwill tot een te hoog bedrag in aanmerking heeft genomen. Tevens stelt verweerder dat de vereiste aangifte niet is gedaan met als gevolg dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, en dat de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag is berekend.
Beoordeling van het geschil
Nieuw feit
23. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) dient de inspecteur voor navordering over een nieuw feit te beschikken, dat wil zeggen een feit dat hem ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Een feit dat de inspecteur uit nader onderzoek bekend zou zijn geworden, kan niet als ‘nieuw’ gelden als hij tot dat nader onderzoek was gehouden. Dat laatste is het geval wanneer hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel bestaat geen aanleiding bij de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.
24. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder in dit geval niet gehouden nader onderzoek te doen naar de juistheid van de aangifte van eiseres. Dit oordeel berust op de navolgende overwegingen.
Het enkele feit dat in de aangifte de gevolgen van een ruisende inbreng van het maatschapsaandeel van eiseres in een BV waren opgenomen, is als zodanig onvoldoende om aan de juistheid van die aangifte te moeten twijfelen, zulks mede gegeven het betrekkelijk geringe belang van eiseres in de maatschap. Dat bij de andere maten (de echtgenoot en zoon) wel vragen zijn gesteld over de ruisende inbreng van hun maatschapsaandeel in de desbetreffende BV’s maakt dit niet anders.
Zoals verweerder ter zitting heeft verklaard, worden de aangiften bij de Belastingdienst op BSN-nummer ontvangen en in beginsel afzonderlijk beoordeeld, ook als de desbetreffende belastingplichtige lid is van een maatschap als de onderhavige en ook als bovendien sprake is van een partner (hier: de echtgenoot) die eveneens en gelijktijdig aangifte dient te doen. Dit was hier niet anders, aldus verweerder ter zitting: de aangiften van eiseres en van haar echtgenoot en zoon zijn afzonderlijk ingeboekt en in beginsel los van elkaar behandeld, waarbij de aangifte van eiseres niet nader is gecontroleerd omdat daartoe geen noodzaak is gezien.
De rechtbank overweegt dat zij geen redenen heeft eraan te twijfelen dat de aanslagregeling is verlopen zoals door verweerder geschetst. Voor een ander oordeel vindt de rechtbank in de gedingstukken geen aanwijzingen of steun. Ook is daarin geen aanwijzing ervoor te vinden dat het onderzoek naar de waarde van de onderneming/de hoogte van de goodwill bij de echtgenoot en de zoon al was gestart vóórdat de aanslag aan eiseres is opgelegd. Onder deze omstandigheden heeft verweerder de aangifte van eiseres niet hoeven controleren. Dat zou anders zijn indien de aangifte van eiseres zelfstandig elementen omvatte welke erop wijzen dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. Maar dat daarvan sprake is, is de rechtbank niet gebleken. Er is dan ook, anders dan eiseres stelt, geen sprake van een ambtelijk verzuim aan de zijde van verweerder dat aan navordering in de weg staat.
25. De onjuistheid van de in de aangifte van eiseres verantwoorde goodwill is vervolgens pas gebleken nadat aan eiseres de primitieve aanslag IB/PVV 2020 was opgelegd, namelijk na de bevraging bij de andere maten over de omvang van de in aanmerking genomen goodwill, zodat verweerder daar bij het opleggen van de primitieve aanslag aan eiseres geen rekening mee heeft kunnen houden. Dat maakt dat hetgeen bij het onderzoek naar de aangiften van de echtgenoot en de zoon naar voren kwam een nieuw feit oplevert op grond waarvan verweerder bevoegd was tot navordering van eiseres.
Goodwillwaarde – koopprijs
26. Verweerder heeft de waarde van de ingebrachte maatschapsaandelen gesteld op de vaste component van de prijs die in augustus 2021 met [bedrijfsnaam 1] is overeengekomen in de SPA voor de aandelen in [bedrijfsnaam 6], van € 4.686.004,12 (zie onder 14).
27. Verweerder heeft bij de bepaling van de stakingswinst niet in aanmerking genomen dat deze koopprijs naast goodwill ook de waarde van de overige activa en passiva van de onderneming omvat. Ter zitting daarop gewezen heeft verweerder ermee ingestemd dat de waarde van het overig actief en passief, in overeenstemming met eiseres haar aangifte, moet worden gesteld op € 145.051, waarvan € 17.433 aan stille reserves.
28. Verweerder beroept zich op interne compensatie. Daartoe heeft hij naar voren gebracht bij nader inzien van mening te zijn dat de geschatte contante waarde van de groeibetalingen tot de door [bedrijfsnaam 1] betaalde koopprijs moet worden gerekend. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
De groeibetalingen zijn, vanaf het eerste bod van [bedrijfsnaam 1] van 27 juli 2020 (zie onder 4), uitsluitend gerelateerd aan de verwachte omzetgroei en beheersing van de personeelslasten. Krachtens de SPA komen zij geheel toe aan [bedrijfsnaam 5], de houdstervennootschap van de zoon, terwijl blijkens de considerans van de SPA de zoon als werknemer aan de onderneming van [bedrijfsnaam 6] verbonden bleef. De rechtbank leidt daaruit af dat de groeibetalingen niet een onderdeel zijn van de koopprijs voor de aandelen [bedrijfsnaam 6], als zodanig, maar een variabele beloning vormen voor de toekomstige bijdrage van de zoon aan de groei van de winstgevendheid van de onderneming. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat de groeibetalingen onderdeel vormen van de kooprijs voor de aandelen [bedrijfsnaam 6]. Voorts zou de uitleg van verweerder ertoe leiden dat er voor gelijke en inwisselbare aandelen uiteenlopende prijzen zouden zijn betaald, wat een anomalie is en eraan in de weg staat de groeibetalingen als deel van de koopsom in aanmerking te nemen.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat de koopprijs die [bedrijfsnaam 1] voor de aandelen [bedrijfsnaam 6] heeft betaald dan ook uit het bedrag van € 4.686.004,12.
Vereiste aangifte – omkering en verzwaring van de bewijslast
29. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de AWR) bepaalt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard als, onder andere, de vereiste aangifte niet is gedaan. Daarvan is sprake als de aangifte gebreken bevat die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Of daarvan sprake is, moet aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast worden vastgesteld. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige zich daarvan ten tijde van het doen van aangifte bewust was dan wel redelijkerwijs bewust had moeten zijn. [1] De bewijslast van het een en het ander rust op de inspecteur.
30. Eiseres heeft aan de door haar op 10 juni 2021 ingediende aangifte een ondernemingswaarde per 8 december 2020 ten grondslag gelegd van € 545.051. Zij betoogt dat bij de bepaling van de waarde van de onderneming per die datum voorbij kon worden gegaan aan de biedingen van [bedrijfsnaam 1], om de reden dat de maten op die datum niet het voornemen hadden de onderneming aan een derde te vervreemden.
Verweerder acht die argumentatie niet alleen onjuist, maar ook onverdedigbaar. Aan het grote verschil tussen de aan de inbreng voorafgaande indicatieve biedingen van [bedrijfsnaam 1] en de door eiseres verantwoorde waarde verbindt hij dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan, in de zin van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
De rechtbank volgt verweerder hierin, en overweegt daartoe als volgt.
31. Bij een ‘ruisende’ inbreng van een onderneming in een besloten vennootschap tegen uitreiking van aandelen, zoals in casu, moet voor de bepaling van de stakingswinst de waarde van de onderneming worden vastgesteld. Daarbij gaat het om de objectieve waarde, dat wil zeggen de waarde in het economisch verkeer. Dat begrip wordt in vaste rechtspraak omschreven als de prijs die bij aanbieding ten verkoop onder de meest gunstige omstandigheden en na de beste voorbereiding door de hoogst biedende zou worden betaald.
Uit het indicatieve bod dat [bedrijfsnaam 1] na kennisneming van de meest relevante gegevens omtrent de onderneming op 5 augustus 2020 had gedaan (zie onder 6), moet worden afgeleid dat de hoogstbiedende gegadigde bij verkoop onder de meest gunstige omstandigheden een prijs zou hebben betaald in de ordegrootte van dat bod. Aangezien niet in geschil is dat [bedrijfsnaam 1] potentiële koper en onafhankelijke derde was, zal de waarde in het economisch verkeer per 8 december 2020 daarmee niet, in ieder geval niet veel lager zijn geweest dan het bod van 5 augustus 2020 van € 3.300.000.
32. Met verweerder acht de rechtbank de door eiseres aan de inbreng ten grondslag gelegde ondernemingswaarde van € 545.051 niet verdedigbaar. Door een bedrag aan veronderstelde jaarwinst te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor – de zogenoemde multiple methode –, wordt ten onrechte geen rekening gehouden met de groeipotentie die [bedrijfsnaam 1] blijkens haar indicatieve bod aanwezig achtte. Als argument om dat bod bij de bepaling van de ondernemingswaarde buiten beschouwing te laten, kan niet dienen dat de maten ten tijde van de inbreng niet voornemens waren de onderneming aan een derde te vervreemden. De stakingswinst bij inbreng in een besloten vennootschap moet immers worden bepaald aan de hand van de objectieve ondernemingswaarde, zodat de bedoeling van de inbrengers om de onderneming vooralsnog niet aan een derde uit handen te geven niet van betekenis is. Evenmin kan als argument dienen dat, zoals door eiseres betoogd, de prijs die private-equity-partijen bereid zijn te betalen (door haar de “PE-waarde” genoemd) niet overeenkomt met de in de branche als ‘normaal’ ervaren waarde. Ook dat argument miskent dat het nu juist gaat om de prijs die de hoogstbiedende gegadigde voor de onderneming zou betalen, die in voorkomend geval een private-equity-partij zal zijn.
33. De rechtbank verwerpt in dit verband ook het door eiseres in de sleutel van een beroep op het gelijkheidsbeginsel naar voren gebrachte betoog dat “
dagelijks … schenkingen, ruisende inbrengen of toe- en uittredingen plaats[vinden]
in branches waar ook private-equity aanwezig is”, terwijl “
bij geen van deze gevallen … de PE-waarde als uitgangspunt[wordt]
genomen.” Eiseres heeft dit betoog niet onderbouwd met enig concreet voorbeeld en/of bewijs, noch anderszins beargumenteerd dat de Belastingdienst de PE-waarde bij de bepaling van de waarde in het economisch verkeer in weerwil van vaste rechtspraak buiten aanmerking zou plegen te laten.
34. Aangezien eiseres aan de in haar aangifte verantwoorde stakingswinst een ondernemingswaarde van € 545.051 ten grondslag heeft gelegd, terwijl uit het bod van [bedrijfsnaam 1] blijkt dat de waarde in het economisch verkeer op 8 december 2020 in ieder geval niet veel lager was dan € 3.300.000, is aannemelijk dat de op grond van haar aangifte verschuldigde belasting zowel in absoluut als relatief opzicht aanzienlijk te laag is ten opzichte van de werkelijk verschuldigde belasting. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres zich daarvan redelijkerwijs bewust moeten zijn geweest, in die zin dat zij had behoren te weten dat door bij het bepalen van de inbrengwaarde voorbij te gaan aan objectieve marktgegevens, te weten de biedingen van [bedrijfsnaam 1], een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.
35. Uit het voorgaande volgt dat eiseres voor het jaar 2020 niet de vereiste aangifte heeft gedaan, in de zin van artikel 27e, eerste lid, van de AWR. Dat betekent dat het aan eiseres is om te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar niet juist is. Met hetgeen zij heeft gesteld en aangevoerd is zij daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.
Redelijke schatting
36. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting.
37. Verweerder heeft de stakingswinst bepaald door de waarde van de onderneming per de inbrengdatum van 8 december 2020 te stellen op de in augustus 2021 voor de aandelen [bedrijfsnaam 6] overeengekomen prijs.
Volgens eiseres is verweerder daarbij ten onrechte eraan voorbijgegaan dat – zoals door haar onweersproken naar voren is gebracht – begin 2021 bekend werd dat een nabijgelegen dierenartspraktijk per 1 juli 2021 zou stoppen, dat dit niet was voorzien en dat het wegvallen van die praktijk een significante invloed heeft gehad op de omzetprognoses.
De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
38. Het laatste indicatieve bod dat [bedrijfsnaam 1] voor het afbreken van de onderhandelingen in 2020 had gedaan, vier maanden voor de inbrengdatum, bedroeg € 3.300.000 (zie onder 6). Daarop volgde, vijf maanden na de inbreng, een bod van € 5.300.000, dat weer twee maanden later (na due diligence) is uitgemond in de definitieve koopprijs van € 4.686.004,12. Uit de stukken van het geding leidt de rechtbank af dat de waarde die [bedrijfsnaam 1] aan de onderneming toekende vooral is bepaald door haar verwachtingen omtrent toekomstige omzetten. Daarmee is aannemelijk dat de hogere bieding na de inbrengdatum in ieder geval deels is terug te voeren op een stijging van de omzetverwachting ten gevolge van het wegvallen van een concurrent in de nabijheid van de dierenkliniek. De rechtbank acht niet redelijk die gebeurtenis bij de schatting van de waarde van de onderneming per de inbrengdatum buiten aanmerking te laten. Naar haar oordeel is in het kader van de schatting redelijk om de helft van het verschil tussen het indicatieve bod van 2020 en de uiteindelijke koopprijs aan te merken als waardevermeerdering van de onderneming ten gevolge van het wegvallen van de concurrent. Aldus komt de rechtbank tot een schatting van de ondernemingswaarde per de inbrengdatum van – afgerond – € 4.000.000.
39. Gelet op het voorgaande berust de aanslag op een te hoge schatting door verweerder van de inbrengwaarde en moet het beroep gegrond worden verklaard. Een waarde van € 4.000.000 per de datum van inbreng, verminderd met de boekwaarde van € 127.618, resulteert in een bij eiseres in aanmerking te nemen stakingswinst van 4,5% van dat bedrag, ofwel € 174.257. Na toepassing van de mkb-winstvrijstelling van € 21.876 bedraagt de (stakings)winstcorrectie dan uiteindelijk € 134.381, wat leidt tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 169.170.
Belastingrente
40. Namens eiseres is ter zitting, onder verwijzing naar de lopende procedures daarover bij de Hoge Raad, gesteld dat de belastingrente ten onrechte is berekend. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in deze kwestie op 16 januari 2026 arrest heeft gewezen en daarbij met betrekking tot het algemene tarief voor de belastingrente – wat ook in de onderhavige zaak aan de orde is – heeft geoordeeld dat de aldus berekende belastingrente niet leidt tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel [2] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft dat oordeel ook in deze zaak te gelden. Dit betekent dat het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel faalt.
41. Dat de belastingrente overigens ten onrechte of in strijd met enige wettelijke bepaling is berekend, is gesteld noch gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.
Proceskosten
42. Aangezien het beroep van eiseres gegrond is, bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Daarbij merkt de rechtbank de onderhavige zaak aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), met de zaken van de echtgenoot (SGR 24/6585) en de zoon (SGR 24/6583).
43. Gesteld noch gebleken is dat eiseres in de bezwaarfase aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Voor vergoeding van die kosten bestaat dan ook geen aanleiding. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom enkel in de door eisereses voor beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1 en een factor 1 wegens samenhang). De rechtbank kent in de onderhavige zaak een derde van deze vergoeding, derhalve € 622,67, toe aan eiseres.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 169.170;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 622,67;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. R.C.H.M. Lips en
mr. P.E. Halprin, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en HR 8 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:526
2.Zie ECLI:NL:HR:2026:59, met name r.o. 4.11.3 tot en met 4.11.5.