Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van 21 maanden, zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, is overschreden. De rechtbank oordeelt dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen.
De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor het geval verweerder niet binnen de gestelde termijn beslist. Tevens worden proceskosten aan eiser toegekend ter hoogte van € 467 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De rechtbank overweegt dat de verlenging van de beslistermijn door verweerder onvoldoende is gemotiveerd en dat de wettelijke beslistermijn zes maanden bedraagt. De rechtbank bevestigt dat een ingebrekestelling vereist is, tenzij de rechter eerder een termijn heeft gesteld die niet is nageleefd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt middels geanonimiseerde publicatie.