Eisers, allen van Iraakse nationaliteit en behorend tot de jezidi-gemeenschap, hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen van eiser 1 en eiseres 1 zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestellingen prematuur waren ingediend.
De rechtbank beoordeelt vervolgens de inhoudelijke beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen. Eisers stellen dat zij vanwege discriminatie en vervolging in Irak, met name in de ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR), recht hebben op bescherming. De minister erkent de geloofwaardigheid van de asielmotieven maar acht de situatie in de KAR als normale woon- en verblijfplaats, waardoor geen gegronde vrees voor vervolging bestaat.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de ontheemdenkampen, waaronder Sharia, als normale woon- en verblijfplaats kunnen worden aangemerkt. Het thematisch ambtsbericht van november 2025 toont verslechterde omstandigheden, gebrek aan basisvoorzieningen en sluiting van kampen aan. Hierdoor zijn de bestreden besluiten niet zorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd.
De beroepen worden gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van €5.604,-.