Eisers, van Iraakse nationaliteit en behorend tot de Jezidi-gemeenschap, hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen van eiser 1 en eiseres 1 zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestellingen prematuur waren ingediend.
De rechtbank beoordeelt vervolgens de inhoudelijke beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen. Eisers stellen dat zij vanwege discriminatie en vervolging in Irak, met name in de Koerdische Autonome Regio (KAR) en het vluchtelingenkamp Sharia, bescherming behoeven. De minister erkent de geloofwaardigheid van de asielmotieven maar wijst de aanvragen af omdat de KAR als normale woon- en verblijfplaats wordt beschouwd.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de situatie in de ontheemdenkampen sinds 2019 is verbeterd, mede gelet op recente ambtsberichten die een verslechtering van de leefomstandigheden beschrijven. De bestreden besluiten zijn daarom niet zorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd. De beroepen worden gegrond verklaard, de besluiten vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten.