ECLI:NL:RBDHA:2026:5742

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
11974852 RL EXPL 25-21798
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230o BWArt. 6:230r BWArt. 6:230v BWArt. 6:233 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering lesgeld wegens niet-naleving informatieplicht bij ontbinding onderwijsovereenkomst

Het Rijnlands Lyceum vorderde betaling van het volledige lesgeld van ouders die hun zoon kort na de start van het schooljaar uitschreven. De ouders hadden de onderwijsovereenkomst op afstand gesloten en binnen korte tijd ontbonden. Het lyceum stelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat het withdrawal form niet was ingevuld en de opzegtermijn van 60 dagen niet was gerespecteerd.

De rechtbank oordeelde dat het lyceum niet had voldaan aan de informatieplicht uit artikel 6:230m lid 1 BW, omdat het modelformulier voor ontbinding niet was verstrekt en ouders niet waren geïnformeerd over het recht om kosteloos binnen 14 dagen te ontbinden. Hierdoor werd de ontbindingstermijn verlengd met maximaal 12 maanden. De ouders hadden de overeenkomst binnen deze verlengde termijn rechtsgeldig ontbonden.

De vordering van het lyceum tot betaling van het volledige lesgeld werd afgewezen. In reconventie werd het lyceum veroordeeld tot terugbetaling van het reeds betaalde lesgeld van €1.325,00, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank wees ook de vordering van de ouders tot verklaring van ontbinding af, omdat deze reeds rechtsgeldig was.

De proceskosten werden het lyceum opgelegd. De uitspraak benadrukt het belang van naleving van informatieplichten bij overeenkomsten op afstand en de gevolgen van het niet verstrekken van het modelformulier voor ontbinding.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van het lyceum af en veroordeelt het lyceum tot terugbetaling van het betaalde lesgeld met rente.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
jk/b/c
Zaaknummer: 11974852 \ RL EXPL 25-21798
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
stichting het Rijnlands Lyceum,
gevestigd te Voorburg,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: het lyceum,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. F. Oldegbers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 november 2025, met producties 1 t/m 4,
- de conclusie van antwoord van 8 januari 2026, met producties 1 t/m 6,
- de akte van het lyceum, met producties 5 en 6,
- de akte van het lyceum, met producties 7 en 8,
- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Het lyceum biedt onderwijs aan onder de naam International School of the Hague (hierna: de school). [gedaagde] heeft haar kind op 26 juni 2024 via de website van de school ingeschreven voor het volgen van onderwijs in het schooljaar 2024/2025, waarna tussen partijen een onderwijsovereenkomst is gesloten. In de overeenkomst is, voor zover van belang, het volgende vermeld: “
Your signature also accepts our School Fee Agreement (see attachment).
2.2.
In de
School Fee Agreement Primary, versie 12 februari 2024, (hierna:
school fee agreement) is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

2. Payment2.1 The annual school fee per school year (1 August 2024 – 31 July 2025) per child is:
[…]
Y2-Y4 … € 8.823
[…]
3. Termination
3.1
Parents/Guardians can cancel the agreement at any time by deregistering the child/children from the School. Deregistering can only be done by submitting a withdrawal form […] The deregistration date will be set 60 days after the date the withdrawal form is received. This form can be downloaded from the Parent Portal on the School websitewww.ishthehague.nl
:Withdrawal Form.
3.2
If the agreement is terminated before the agreed end date, the School is – despite termination – entitled to due fees and reimbursement of costs incurred by the School. These due fees and the cost of cancellation are set at an amount equal to a percentage of the school fee as stated in the table below:
When leaving in month:
Fee structure:
August
50%
September
50%
[…]
4. Enrolment Fee
4.1
For new students, an enrolment fee of € 1.000 must be paid before enrolment at the School”
2.3.
[gedaagde] heeft daarna een
enrolment feevan € 1.000,00 en een
application feevan € 325,00 aan het lyceum voldaan. Het schooljaar 2024/2025 ving op 28 augustus 2024 aan, waarbij de zoon van [gedaagde], [naam], in jaar 3 op de school startte.
2.4.
[gedaagde] heeft 8 september 2024 de overeenkomst met het lyceum per e-mail opgezegd.
2.5.
Een medewerker van de school heeft op 9 september 2024, voor zover van belang, het volgende op de e-mail van [gedaagde] gereageerd:
“[…] If you read our withdrawal policy you see you need to inform us 60 days in notice.
Besides that children who leave before 31 December 2024 have to pay anyway 50% of the school fee. In [naam]’s case 4411,50 euro.
Also attached you will find our Withdrawal Form, please hand this in with the signature of both parents.”
2.6.
Partijen hebben vervolgens verder gecorrespondeerd over de opzegging van de onderwijsovereenkomst, waarna het lyceum op 9 september 2024, voor zover van belang, het volgende aan [gedaagde] heeft geschreven:
“[…] Unfortunately we cannot withdrawal [naam] if no school is final, because of the Dutch law a child should be registered in a school.
If no school is found yet we must keep [naam] registered in our school and you keep responsible for the payment of the School Fee. […]”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Het lyceum vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 8.823,00, vermeerderd met rente en kosten. Het lyceum legt aan deze vordering – kort gezegd – het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft het
withdrawal formniet ingevuld zoals het lyceum vereist. De overeenkomst tussen partijen is daardoor niet rechtsgeldig ontbonden. [gedaagde] is daarom gehouden het resterende bedrag van de
school feein één keer aan het lyceum te betalen.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van het lyceum met veroordeling van het lyceum in de proceskosten. [gedaagde] heeft primair aangevoerd dat zij zich als consument kan beroepen op artikel 6:230m lid 1, onderdeel h Burgerlijk Wetboek (BW). Het lyceum heeft bij het aangaan van de onderwijsovereenkomst niet voldaan aan de voor haar geldende informatieplichten. Zo heeft zij in het bijzonder geen modelformulier voor ontbinding aan haar verstrekt terwijl zij daartoe wel verplicht is. [gedaagde] heeft subsidiair aangevoerd dat indien de overeenkomst niet rechtsgeldig zou zijn herroepen, artikel 3.1 en 3.2 van de
school fee agreementvernietigd moeten worden wegens het onredelijk bezwarende en oneerlijke karakter daarvan en de vorderingen van het lyceum af te wijzen.
in reconventie
3.3.
[gedaagde] vordert – samengevat – dat het lyceum primair wordt veroordeeld tot het terugbetalen van een bedrag van € 1.325,00, bestaande uit de
application feevan € 325,00 en de
enrolment feevan € 1.000,00, vermeerderd met wettelijke rente en subsidiair wordt veroordeeld om voornoemd bedrag van € 1.325,00 terug te betalen onder aftrek van een naar redelijkheid vast te stellen loon voor de zeven dagen onderwijs die haar zoon heeft genoten. Het voorgaande met veroordeling van het lyceum in de proceskosten en de wettelijke rente daarover.
3.4.
[gedaagde] legt – kort gezegd – het volgende aan deze vordering ten grondslag. Zij heeft de overeenkomst op 8 september 2024 rechtsgeldig herroepen. Het lyceum is daarom verplicht alle door [gedaagde] gedane betalingen te vergoeden. Voor het geval dat [gedaagde] de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft herroepen, geldt volgens [gedaagde] dat het door haar betaalde bedrag van € 1.325,00 niet in verhouding staat met de door haar kind genoten zeven dagen onderwijs. Het lyceum dient het deel van dit bedrag dat meer is dan een redelijk loon daarom terug te betalen aan [gedaagde].
3.5.
Het lyceum voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde]. Volgens het lyceum is [naam] ingeschreven als leerling op de school en heeft hij onderwijs genoten, waardoor het niet redelijk zou zijn dat zij de ontvangen gelden aan [gedaagde] moet vergoeden.

4.De beoordeling

in conventie en reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.
Overeenkomst op afstand
4.2.
De overeenkomst tussen partijen is op 26 juni 2024 op afstand afgesloten. [gedaagde] is een consument als bedoeld in artikel 6:230g lid 1, onderdeel a BW. Op grond van artikel 6:230m BW is een handelaar bij een dergelijke overeenkomst verplicht om de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze bepaalde informatie te verstrekken.
4.3.
De informatie moet op een duidelijke en begrijpelijke wijze aan de consument worden gegeven. De handelaar kan daarom niet volstaan met het opnemen van die informatie in de algemene voorwaarden. Tijdens het verkoopproces moet de consument stap voor stap langs de informatie worden geleid. Op die manier kan geen misverstand ontstaan over de vraag of de consument de informatie bewust onder ogen heeft gekregen. De consument kan dan een weloverwogen beslissing nemen over de verplichtingen die worden aangegaan.
Ambtshalve toetsing informatieplichten
4.4.
In een aantal gevallen moet de rechter ambtshalve onderzoeken of aan de informatieplichten uit artikel 6:230m en 6:230v BW is voldaan en aan de schending van een informatieplicht een sanctie verbinden.
4.5.
Volgens de Hoge Raad moeten de informatieplichten op grond van zijn arrest van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677) uit artikel 6:230m en 6:230v BW worden onderverdeeld in drie categorieën (rov. 3.1.9). De categorieën zijn: (i) de informatieplichten waaraan de wet bij niet-naleving ervan specifieke sancties verbindt,
(ii) de informatieplichten waaraan extra gewicht toekomt (de essentiële informatieplichten) en (iii) overige informatieplichten. Ambtshalve toetsing en ambtshalve toepassing van sancties moet plaatsvinden bij de informatieplichten die vallen in categorie (i) en (ii). Dat hoeft niet bij de informatieplichten die in categorie (iii) vallen (rov. 3.1.9). Als niet wordt voldaan aan een informatieplicht die valt in categorie (i) moet de rechter de sanctie toepassen die de wet verbindt aan schending van die verplichting (rov. 3.1.10).
Informatieverstrekking door het lyceum
4.6.
Uit artikel 6:230m lid 1, onderdeel h in combinatie met artikel 6:230v lid 7 BW volgt dat het lyceum voorafgaand aan de overeenkomst aan de consument informatie moet verstrekken over het recht van ontbinding van de consument. Uit de tekst moet duidelijk blijken dat de consument het recht heeft de overeenkomst te ontbinden, binnen welke termijn de consument mag ontbinden en op welke wijze de consument van het recht gebruik kan maken. Daarbij moet ook het modelformulier voor ontbinding aan de consument worden verschaft. De sanctie die de wetgever verbindt aan het ontbreken van het vermelden van het herroepingsrecht, is dat op grond van artikel 6:230o lid 2 BW het recht op ontbinding wordt verlengd met de tijd die verstreken is vanaf dat tijdstip tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de consument zijn verstrekt, met een maximum van 12 maanden. Wanneer er niet is voorzien in een recht van ontbinding van de overeenkomst, volgt uit artikel 6:230m lid 1, onderdeel k in combinatie met artikel 6:230v lid 7 BW dat de informatie dat de overeenkomst niet ontbonden kan worden, moet worden medegedeeld aan de consument, of tenminste de omstandigheden waarin de consument afstand doet van zijn recht op ontbinding.
4.7.
Het lyceum heeft bij het aangaan van de onderwijsovereenkomst geen modelformulier voor ontbinding aan [gedaagde] verstrekt. Het
withdrawal formis niet bij de
school fee agreementbijgevoegd. Er wordt onder 3.1 van de
school fee agreementenkel verwezen naar een link op de website van de school waarop het formulier is te raadplegen. Ook is [gedaagde] in de onderwijsovereenkomst niet geïnformeerd dat zij zonder opgave van redenen de overeenkomst kan ontbinden binnen een termijn van 14 dagen (artikel 6:230o lid 1 BW). Het lyceum heeft dit op de mondelinge behandeling desgevraagd erkend. Daarmee heeft het lyceum niet gehandeld in overeenstemming met artikel 6:230m lid 1, onderdeel h BW. Dit heeft als gevolg dat de termijn van het recht op ontbinding van de overeenkomst met maximaal 12 maanden wordt verlengd, te weten tot en met 22 september 2025.
4.8.
[gedaagde] heeft op 8 september 2024 de onderwijsovereenkomst ontbonden binnen de verlengde opzegtermijn. Op grond van artikel 6:230o lid 3 BW is de ontbinding vormvrij. Het betoog van het lyceum dat een dergelijke herroeping via het
withdrawal formmoet plaatsvinden slaagt daarom niet. De stelling van het lyceum dat de uitschrijving van [naam] niet kan worden verwerkt omdat een kind altijd bij een school in Nederland ingeschreven moet staan, is in het licht van een vormvrije ontbinding en de wettelijke ontbindingstermijn van de onderwijsovereenkomst van 14 dagen ook niet begrijpelijk. [gedaagde] heeft bij het aangaan van de onderwijsovereenkomst ook geen afstand gedaan van haar recht op ontbinding zoals geformuleerd in artikel 6:230p, onderdeel d onder 2 BW, noch is haar een bedenktijd medegedeeld omdat ze afstand zou doen van het recht van ontbinding zoals vereist op grond artikel 6:230m lid 1, onderdeel k BW.
4.9.
Uit artikel 6:230s lid 5, onderdeel a, onder 1 BW volgt dat een consument geen kosten draagt voor de uitvoering van diensten wanneer de handelaar heeft nagelaten informatie over het recht van ontbinding van de overeenkomst te verstrekken zoals bedoeld in artikel 6:230m lid 1, onderdeel h BW. Nu [gedaagde] de onderwijsovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, bevrijdt dit haar van een verplichting tot betaling van de resterende
school feevoor het gehele schooljaar 2024/2025. Het primaire verweer van [gedaagde] slaagt dus.
Oneerlijk beding
4.10.
De vraag of artikelen 3.1 en 3.2 van de
school fee agreementvernietigd moet worden omdat deze onredelijk bezwarend zijn op grond van artikel 6:233 aanhef Pro en onder a BW en het oneerlijk bedingen zijn op grond van de Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn) kan onbeantwoord blijven nu het primaire verweer slaagt.
De vordering van het lyceum wordt afgewezen
4.11.
Omdat het primaire verweer van [gedaagde] slaagt zal de vordering in conventie van het lyceum worden afgewezen.
Vergoeding van het door [gedaagde] betaalde bedrag
4.12.
[gedaagde] vordert in reconventie dat bij een rechtsgeldige opzegging op grond van artikel 6:230o BW het lyceum de door [gedaagde] betaalde gelden dient terug te betalen. Uit 6:230r lid 1 BW volgt dat de handelaar na ontbinding van de overeenkomst op grond van artikel 6:230o BW zo snel mogelijk, althans binnen veertien dagen, alle ontvangen betalingen moet vergoeden. Het verweer van het lyceum dat vergoeding van de betaalde gelden onredelijk is, omdat [naam] is ingeschreven op de school en onderwijs heeft genoten zal door de kantonrechter worden gepasseerd. Het lyceum heeft deze situatie immers zelf in het leven geroepen door de informatieverplichtingen niet na te leven. Het lyceum is op grond van 6:230r lid 1 BW gehouden de
application feeen de
enrolment feeter hoogte van € 1.325,00 terug te betalen. De vordering in reconventie zal daarom worden toegewezen ter hoogte van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals vermeld in de beslissing.
4.13.
[gedaagde] heeft in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat de onderwijsovereenkomst is ontbonden. De kantonrechter begrijpt deze vordering als een vordering in reconventie. Omdat zoals onder 4.8 is overwogen [gedaagde] op 8 september 2024 de onderwijsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd, heeft zij geen belang meer bij deze vordering. De kantonrechter zal deze vordering daarom afwijzen.
4.14.
Nu het primair gevorderde in reconventie wordt toegewezen, behoeft het subsidiair gevorderde in reconventie geen bespreking.
De proceskosten
4.15.
Het lyceum is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
4.16.
Het lyceum is in reconventie ook in het ongelijk gesteld. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op één punt van het salaris gemachtigde ter hoogte van € 360,00 omdat de vordering van [gedaagde] in reconventie is gebaseerd op dezelfde overeenkomst als de vordering van het lyceum in conventie.
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vordering van het lyceum af,
5.2.
veroordeelt het lyceum in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als het lyceum niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
veroordeelt het lyceum tot betaling aan [gedaagde] van € 1.325,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 september 2024 tot de dag der algehele voldoening,
5.5.
veroordeelt het lyceum in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als het lyceum niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt het lyceum tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart de beslissing onder 5.4 tot en met 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,
in conventie en reconventie
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Jongsma en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.